• Roest 

    ‘Opa jij hebt sproeten’ zijn vinger trekt de omtrek van de sproeten op opa’s arm. 

    ‘Ja roest. Dat krijg je als je ouder word dan begin je te roesten.’ Zegt opa, een glinstering in zijn ogen. 

    ‘Neeeee, dat is niet zo. Toch?’

    ‘Mama opa zegt dat hij roestig is… door de sproeten.’ Zijn moeder steekt haar hoofd uit de keukendeur naar buiten en schud haar hoofd. Zogenaamd boos naar opa kijkend, alsof zij zeggen wil: “geen wilde verhalen ophangen tegen mijn zoon”  

    ‘Jij hebt toch ook sproetjes?’ Vraag opa wijsend op de arm van zijn kleinzoon. ‘Komt door de zon’


    Ben zo terug Bart

  • Licht op de muur

    Als ik mijn ogen open, plakt mijn t-shirt aan mijn lichaam. Mijn voorhoofd is bezweet alsof ik een halve marathon gerend heb. Licht stroomt, als heet water, de kamer binnen. Als ik het laken van mij afsla voel ik de warmte in de ruimte. Het schuifgordijn, voor het dakraam, is een klein stukje opengeschoven. Een streep zonlicht tekent zich af op de muur aan het voeteneind van mijn bed. Het raam open of gesloten laten? Is de vraag die door mijn hoofd speelt. Als ik het dakraam open trek stroomt er nog meer warme lucht naar binnen.  Toch maar dicht!


    Ben zo terug – Bart

  • IJdele hoop

    De dag voelde zwaar. Het gewicht van de warmte en het vocht in de lucht. Het schuren tussen de wolken is begonnen. De blauwe regen heeft zijn uitlopers over een lijn lichtjes gedrapeerd en zij hangen stil in de lucht. Een zuchtje wind laat ze schommelen.  Even heeft het waaien soelaas geboden; maar de warmte drukt zichzelf opnieuw tegen mijn lichaam. Vanuit mijn ooghoek zie ik de dikke wolken naar elkaar toe sluipen, alsof zij proberen onopvallend samen te zweren.  Een zachte rommel lijkt het onweer aan te kondigen. Lijkt, maar zelfs een paar uur later is er niets gekomen. 


    Ben zo terug – Bart

  • De warmte van de dag is in de wind getrokken. Zoveel als wij naar de koelte verlangen, hij is uitgebleven. Zelfs de nacht is er door overvallen. Na een paar stappen hangt de hond haar tong uit haar bek en hijgt ze alsof zij al een einde heeft gerend. Zo kuieren we hier over een van de onverharde paden, tussen uitgedroogde weilanden, die naarstig behoefte hebben aan het lang uitgebleven vallend water. Even staan we hier stil, in het laatste licht van de dag dat nog net aan de horizon staat, zo onder een boom samen met de eerste sterren. 


    Ben zo terug – Bart

  • Even bij een rivier

    Onder een canapé van groene bladeren, op een kiezelbank van een rivier. Zijn de wortels van een grote oude eik die ver over het water reikt; schoon gespoeld door koude smeltwateren die samen komen in de bovenloop. Meanderend door bochten en kronkelend, buldert het water stuk op grote rotsen aan de zijde van de bergen. 

    De grote stenen zitten nog vast tussen de wortels. Als een natuurlijk bankje tegen de oeverwal. Uitkijkend over het water is het wat koeler in de schaduw. Pluisjes vliegen door de lucht en landen op de verstilde stromen. Waar kleine visjes soms boven water springen.


    Ben zo terug – Bart

  • Een aroma

    Van voeten stinkend, bezweet in leren schoenen die soppen van de warmte. Het loeven van oude kaarsen, uitgeblazen, nog kringelende rook. Wierook van vergane dagen. Hondenpoep, plat getrapt in een grove zool. Oude mannen, asem doordrongen van wijn van vorig avonden. Naar binnen gelopen natte hond. Water van de daken,  zure regen van de straten, urine of ander lichaamsvocht. Oud zweet, oude boekenlucht. Koude grond, schaduw, lagen die nooit worden beschenen door de zon.  Tombes waarin mensen lagen. Grafzerken in de grond. Het zorgt voor een ‘Ik vind dat het stinkt’. 

    Maar het licht schijnt zo mooi door de ramen. 


    Ben zo terug – Bart

  • Verwildering

    Op een klein achteraf, net buiten het openbaar zicht, in een hoekje achter de blauwe regen. Staat een muurtje dat langzaam overgenomen wordt. Een verticale geheime tuin. Waar de natuur zich stiekem, in alle stilte, voorzichtig uitstrekt. Waar een oude granieten waterbak, overgroeid door mos; onnodig staat te zijn.  Een beginnende boom heeft zich door het steen gebroken. Drie zinken  petroleumvaten op een rijtje half onder die blauweregen. Een beginnend groen tapijt trekt zich over de tegels uit. Jonge varens hebben zich hier in de muren vast gezet. Het is bijna een huiskamer. Maar dan een die is vergeten.


    Ben zo terug – Bart

  • Appels op het gras

    De takken zijn bedekt met korstmossen. Het is een fiere boom die met volle takken probeert te overtuigen dat hij nog leven heeft. De overvloed aan fruit buigt zijn takken als een treurwilg, kranig weert hij zich onder al dat gewicht. Als een loodswerker die blijft slepen met de waren uit het schip. Die door de hitte heen moet om een wagen in te laden. Maar van de warmte soms even uit balans raakt en wat morst. Zo vallen met een kleine plof af een toe kleine appelen naar beneden. Een last minder zo zonder het noodzakelijke water. 

    Ben zo terug – Bart

  • Sneeuw in steen

    ‘Kijk eens wat ik gevonden heb!’ 

    ‘Kind wat mooi’

    ‘Het lijkt wel sneeuw’

    ‘Dat zou zomaar wel eens kunnen’ 

    ‘Opa! Dan was het toch allang gesmolten!’

    ‘De God van ijs en sneeuw en de God van de Bergen hadden heel lang geleden ruzie. Telkens als de god van sneeuw en ijs de bergen had besneeuwd dan gooide de god van de bergen er stenen overheen. Zo kwam de sneeuw tussen de stenen klem te zitten. Onder de druk van al die zware stenen werd de sneeuw samengeperst tot hele kleine kristalletjes; die net zo schitteren in de zon als sneeuw’



    Ben zo terug – Bart

  • Zomerwarmte

    Het is warm en droog, maar  vooral heel warm. Zo warm dat zelfs de bladeren herfstkleuren beginnen  aan te nemen. Zo af en toe drommen wolken zamen, sluiten de zon even buiten. Echt helpen doet het niet. Even lijkt het beter als er een simpel briesje opsteekt. Maar schijn bedriegt. De wind is warm; net zo warm als de rest van de wereld. De wolken dragen water, maar regen valt er niet. Als de wolken uiteen worden getrokken schijnt de zon met extra verve. Het ritselen tussen de bladeren zorgt voor een wolk van gele bladeren die naar beneden vallen.

    Ben zo terug – Bart