Als ik mijn ogen open, plakt mijn t-shirt aan mijn lichaam. Mijn voorhoofd is bezweet alsof ik een halve marathon gerend heb. Licht stroomt, als heet water, de kamer binnen. Als ik het laken van mij afsla voel ik de warmte in de ruimte. Het schuifgordijn, voor het dakraam, is een klein stukje opengeschoven. Een streep zonlicht tekent zich af op de muur aan het voeteneind van mijn bed. Het raam open of gesloten laten? Is de vraag die door mijn hoofd speelt. Als ik het dakraam open trek stroomt er nog meer warme lucht naar binnen. Toch maar dicht!
De dag voelde zwaar. Het gewicht van de warmte en het vocht in de lucht. Het schuren tussen de wolken is begonnen. De blauwe regen heeft zijn uitlopers over een lijn lichtjes gedrapeerd en zij hangen stil in de lucht. Een zuchtje wind laat ze schommelen. Even heeft het waaien soelaas geboden; maar de warmte drukt zichzelf opnieuw tegen mijn lichaam. Vanuit mijn ooghoek zie ik de dikke wolken naar elkaar toe sluipen, alsof zij proberen onopvallend samen te zweren. Een zachte rommel lijkt het onweer aan te kondigen. Lijkt, maar zelfs een paar uur later is er niets gekomen.
De warmte van de dag is in de wind getrokken. Zoveel als wij naar de koelte verlangen, hij is uitgebleven. Zelfs de nacht is er door overvallen. Na een paar stappen hangt de hond haar tong uit haar bek en hijgt ze alsof zij al een einde heeft gerend. Zo kuieren we hier over een van de onverharde paden, tussen uitgedroogde weilanden, die naarstig behoefte hebben aan het lang uitgebleven vallend water. Even staan we hier stil, in het laatste licht van de dag dat nog net aan de horizon staat, zo onder een boom samen met de eerste sterren.
Onder een canapé van groene bladeren, op een kiezelbank van een rivier. Zijn de wortels van een grote oude eik die ver over het water reikt; schoon gespoeld door koude smeltwateren die samen komen in de bovenloop. Meanderend door bochten en kronkelend, buldert het water stuk op grote rotsen aan de zijde van de bergen.
De grote stenen zitten nog vast tussen de wortels. Als een natuurlijk bankje tegen de oeverwal. Uitkijkend over het water is het wat koeler in de schaduw. Pluisjes vliegen door de lucht en landen op de verstilde stromen. Waar kleine visjes soms boven water springen.
Van voeten stinkend, bezweet in leren schoenen die soppen van de warmte. Het loeven van oude kaarsen, uitgeblazen, nog kringelende rook. Wierook van vergane dagen. Hondenpoep, plat getrapt in een grove zool. Oude mannen, asem doordrongen van wijn van vorig avonden. Naar binnen gelopen natte hond. Water van de daken, zure regen van de straten, urine of ander lichaamsvocht. Oud zweet, oude boekenlucht. Koude grond, schaduw, lagen die nooit worden beschenen door de zon. Tombes waarin mensen lagen. Grafzerken in de grond. Het zorgt voor een ‘Ik vind dat het stinkt’.
Op een klein achteraf, net buiten het openbaar zicht, in een hoekje achter de blauwe regen. Staat een muurtje dat langzaam overgenomen wordt. Een verticale geheime tuin. Waar de natuur zich stiekem, in alle stilte, voorzichtig uitstrekt. Waar een oude granieten waterbak, overgroeid door mos; onnodig staat te zijn. Een beginnende boom heeft zich door het steen gebroken. Drie zinken petroleumvaten op een rijtje half onder die blauweregen. Een beginnend groen tapijt trekt zich over de tegels uit. Jonge varens hebben zich hier in de muren vast gezet. Het is bijna een huiskamer. Maar dan een die is vergeten.
De takken zijn bedekt met korstmossen. Het is een fiere boom die met volle takken probeert te overtuigen dat hij nog leven heeft. De overvloed aan fruit buigt zijn takken als een treurwilg, kranig weert hij zich onder al dat gewicht. Als een loodswerker die blijft slepen met de waren uit het schip. Die door de hitte heen moet om een wagen in te laden. Maar van de warmte soms even uit balans raakt en wat morst. Zo vallen met een kleine plof af een toe kleine appelen naar beneden. Een last minder zo zonder het noodzakelijke water.
‘De God van ijs en sneeuw en de God van de Bergen hadden heel lang geleden ruzie. Telkens als de god van sneeuw en ijs de bergen had besneeuwd dan gooide de god van de bergen er stenen overheen. Zo kwam de sneeuw tussen de stenen klem te zitten. Onder de druk van al die zware stenen werd de sneeuw samengeperst tot hele kleine kristalletjes; die net zo schitteren in de zon als sneeuw’
Het is warm en droog, maar vooral heel warm. Zo warm dat zelfs de bladeren herfstkleuren beginnen aan te nemen. Zo af en toe drommen wolken zamen, sluiten de zon even buiten. Echt helpen doet het niet. Even lijkt het beter als er een simpel briesje opsteekt. Maar schijn bedriegt. De wind is warm; net zo warm als de rest van de wereld. De wolken dragen water, maar regen valt er niet. Als de wolken uiteen worden getrokken schijnt de zon met extra verve. Het ritselen tussen de bladeren zorgt voor een wolk van gele bladeren die naar beneden vallen.
Als ik ga zitten in de galerij van het museum, op een van de ongemakkelijke houten bankjes in het midden van de ruimte, overvalt de stilte mij pas. Aan het einde van de lange gang, staat een oudere heer leunend op zijn wandelstok. Zijn gezicht een paar centimeter van een van de schilderijen. Alsof hij een inspectie aan het uitvoeren is. Verder is er niemand, is het stil. De eerste keer dat ik hier kwam, dacht ik niet zoveel over het schilderij. Het is niet groot, geschilderd door een beroemde kunstenaar of indrukwekkend of opzichtig. Eigenlijk is het bankje te ver bij het schilderij vandaan om het goed te bestuderen. Hoewel het onderwerp groot genoeg is, zijn het de subtiliteiten die het werk nog beter maken. Er is iets Jheronimus Bosch’s aan de details, iets Monet’s aan de figuur. Behalve haar gezicht; sommige onderdelen van haar gezicht. Haar grijze haren in wilde, onvolledige kwast-streken. Het is opgestoken, met een losgevallen lok, die als een grijze pluim rook langs haar gezicht kringelt. Licht, doorzichtig, maar net genoeg aanwezig om te laten opvallen, met hoeveel precisie het is vastgelegd. Iets anders dat mij pas opviel toen ik langer bleef kijken.
Er is iets geks met het perspectief. Aan de linkerkant van het schilderij lijk je voor haar te staan, aan de rechterkant, kijk je met haar door het raam naar buiten. Toch is het een doorlopend beeld waaraan ik niet kan ontdekken waar het niet zou kloppen. Misschien is het omdat overal ook een stukje van het buiten aanwezig is. Waar je ook kijkt. De ogen lijken door je heen te staren, werkelijk te zijn. Alsof een fotograaf ze heeft vastgelegd. Met de reflectie van het buitentafereel als een doorzichtige waas over haar ogen. Een kleine klodder wit in het rood van haar ooghoek, vlezig, echt. Alsof je het traanvocht kan voelen, als je eroverheen strijkt. Haar gezicht is lief, kindelijk bijna. Zij heeft iets open’s over zich. Ze kijkt met compassie de wereld in.
De onbelangrijke details worden simpelweg door een veeg verf aangegeven. De bloemen op de stof van haar jurk, de knopen. Maar buiten lijkt het alsof het beeld extra scherp word weergegeven. Zo scherp dat je de fantasie kan grijpen, er meer te zien is dan de werkelijkheid. Daarom moet je van dichtbij kijken. De jongentjes met een rode vlieger. Zijn die er wel? In haar ogen staat het buiten afgebeeld zonder de kinderen, of de baby op de arm van de dame die nog net het schilderij binnen komt wandelen. Een van de mannen die aan het werk zijn, is er ook niet.
“Vrouw bij het raam” valt er te lezen op het bordje naast het schilderij.
Maar wie is zij? Waarom is er met zoveel zorg een portret van haar geschilderd? Wat is er verloren gegaan met de tijd?