Tag: Zon

  • Kleine vreugde

    Kleine vreugde

    Soms kan kleine vreugde je opeen overvallen. Een vlinder die onverwachts op je shirt gaat zitten. Een vis die boven het water uit springt om een vliegje te vangen. Een regenboog aan kleuren die zich aftekent op de muur als de zon door een glas water schijnt. Een dichtregel die precies pakt wat je voelt maar waar je nooit de worden voor hebt gehad. Een liefde die je leven binnenvalt. Veel kleurig mos op een gevallen boomstam in een lichtbundel die precies door de bladeren schijnt. Dat schilderij waar je iets in ziet dat je eerder nog niet was opgevallen.


    Ben zo terug – Bart

  • Regen?

    Regen?

    Het lijkt altijd tekort. Of we nu elke dag de plantjes water geven of niet, het verdampen gaat sneller dan het water in de grond opgenomen kan worden. We doen ons best. Maar nu trekken de wolken samen, er lijkt hemels water op komst. We zijn eerder verleid door ijdele hoop. De wind is aangetrokken en blaast de donkergrijze wolken over het landschap. De zon is verdwenen achter luchtwater dat lijkt te willen vallen. Boven mij klinkt een tik op het metalen dak van de overkapping. Het gaat beginnen! De afkoeling is onderweg! 

    Maar waait te snel over ons heen. 


    Ben zo terug – Bart

  • Roest 

    Roest 

    ‘Opa jij hebt sproeten’ zijn vinger trekt de omtrek van de sproeten op opa’s arm. 

    ‘Ja roest. Dat krijg je als je ouder word dan begin je te roesten.’ Zegt opa, een glinstering in zijn ogen. 

    ‘Neeeee, dat is niet zo. Toch?’

    ‘Mama opa zegt dat hij roestig is… door de sproeten.’ Zijn moeder steekt haar hoofd uit de keukendeur naar buiten en schud haar hoofd. Zogenaamd boos naar opa kijkend, alsof zij zeggen wil: “geen wilde verhalen ophangen tegen mijn zoon”  

    ‘Jij hebt toch ook sproetjes?’ Vraag opa wijsend op de arm van zijn kleinzoon. ‘Komt door de zon’


    Ben zo terug Bart

  • IJdele hoop

    IJdele hoop

    De dag voelde zwaar. Het gewicht van de warmte en het vocht in de lucht. Het schuren tussen de wolken is begonnen. De blauwe regen heeft zijn uitlopers over een lijn lichtjes gedrapeerd en zij hangen stil in de lucht. Een zuchtje wind laat ze schommelen.  Even heeft het waaien soelaas geboden; maar de warmte drukt zichzelf opnieuw tegen mijn lichaam. Vanuit mijn ooghoek zie ik de dikke wolken naar elkaar toe sluipen, alsof zij proberen onopvallend samen te zweren.  Een zachte rommel lijkt het onweer aan te kondigen. Lijkt, maar zelfs een paar uur later is er niets gekomen. 


    Ben zo terug – Bart

  • Zomerwarmte

    Zomerwarmte

    Het is warm en droog, maar  vooral heel warm. Zo warm dat zelfs de bladeren herfstkleuren beginnen  aan te nemen. Zo af en toe drommen wolken zamen, sluiten de zon even buiten. Echt helpen doet het niet. Even lijkt het beter als er een simpel briesje opsteekt. Maar schijn bedriegt. De wind is warm; net zo warm als de rest van de wereld. De wolken dragen water, maar regen valt er niet. Als de wolken uiteen worden getrokken schijnt de zon met extra verve. Het ritselen tussen de bladeren zorgt voor een wolk van gele bladeren die naar beneden vallen.

    Ben zo terug – Bart

  • Vakantie lezen… (verdwalen)

    Het t-shirt plakte tegen mijn rug. De warmte werd wat dragelijker door een zuchtje wind dat de nieuwe takken van de bomen liet wiegen. Even was ik dáár… zittend in de stoel tussen het gele gras. De zwarte letters zogen mij weer van die plaats, naar een universum vol dromen. 

    Ben zo terug – Bart 

  • Metafoor

    Midden in zijn pas, bevroren. De tijd stilgezet ten behoeve van het beeld.

    Hij houdt zijn lange regenjas dicht geklemd met de vuist op zijn borst. De twee flappen zijn door de storm naar achter geslagen. Zijn andere hand heeft de zuidwester beet gegrepen en half voor zijn gezicht getrokken. Met grote passen baant hij zich een weg door het natuurgeweld; voorovergebogen tegen de druk die op hem losgelaten wordt. Het is alsof hij zo naar buiten is gerend, haastig de warmte van zijn woning verlaten. En toch…

    Het heldergroene gras komt tot zijn knieën. De helmen staan fier overeind, licht te schommelen in de warme wind. Het licht van de zon brandt op het asfalt dat op sommige plekken zacht is geworden. De geur van teer, grond en drogend gras van een pas gemaaid weiland, walmt op en wordt meegedragen door de wind. De lucht wordt hier en daar bevolkt door helderwitte wolken, die schaduwen werpen op het landschap. 

    Daar staat hij, vastgelegd in een storm, in de brandende zon.  

    Ben zo terug – Bart 

  • Verhalenfabriek V – Begin van een conclusie

    Lees hier deel 1

    Toen ik van het water opkeek liep een zwarte gedaante bij mij weg. Op mijn bureau lag een stapel wit papier. Ik begon weer te schrijven alsof er geen enkele andere reden voor mij was om hier te zijn.

     Amsterdam, maart 2017.
    Als je goed luistert kun je het horen in de wind. Een zachte stem die fluisterend door de bladeren ritselt. De warmte van de zon, geuren van de aarde en de vloeibaarheid van het water. Alles vertelt het verhaal van de wereld waarin wij leven. De mensen zijn zo gewend geraakt aan de omgeving dat zij, alles dat zich openbaart, niet meer kunnen waarnemen. Een eerste warme lentedag had mensen naar de grasvelden getrokken, naar parken in de steden of naar de aangelegde natuur.
    Zijn zwarte krullen werden door diezelfde wind gestreeld. Een glimlach speelde telkens over zijn gezicht. Aan de slapen grijzend. Met een bril van hoorn. Een dik boek op zijn schoot, dat hij zo nu en dan raadpleegde. De zware treurwilg, die zijn takken over de rand van de vijver liet hangen, kreunde diep toen een lichte windvlaag door de takken vloog. De zwartharige man trok, terwijl hij opstond, zijn vale lichtbruine colbertjasje recht en liep naar de overkant van de vijver. Waar naast de treurwilg een bankje stond. Hij had al enige tijd naar het kleine kind in de buggy zitten kijken. Toen het kind naar de wind gegrepen had en de boom zijn geluid gaf, had hij een zekerheid over zich gekregen. Er was nog iets dat hij wilde weten, wat hij niet van afstand kon bekijken. Net voordat hij bij het bankje aankwam, gilde het kind van plezier. ‘Zoals verwacht!’ dacht de donkerharige man bij zichzelf, ‘het lukt elke keer’.
    ‘Mag ik u iets geven?’ de ouders keken op. De man opende het boek en pakte iets tussen de vergeelde pagina’s vandaan. Hij liep om de wagen en keek recht in het gezicht van het kind. ‘Eén blauw en één groen,’ mompelde hij tegen zich zelf. ‘Ik wens u alle geluk’, zei de man en hij gaf de jonge vrouw een klavertje vier. ‘Voor het jonge kind’. Draaide zich om en wilde weglopen. Een sterke windvlaag hield hem tegen alsof het hem aan iets herinnerde. ‘En, hij raakt het kwijt’, zei de man ‘Dat is niet erg, maar zorg er in de tussentijd alstublieft goed voor”.

    Uit mijn ooghoek leek er beweging te zijn. Toen ik mijn focus op het glas richtte bewoog er een zwarte schaduw van het glas weg. Ik probeerde een beter zicht te krijgen en zette mijn kin op het blad om het glas van dichterbij te bekijken. Geen schaduw geen figuur, niets. Alleen het gele licht van de ondergaande zon.

    Lees hier deel VI

    Ben zo terug – Bart