Tag: gesprek

  • De postbode

    De postbode

    We zijn hier  nog maar drie of vier dagen. Misschien is het de routine die zelfs hier zijn pad heeft gevonden. Elke ochtend als ik opsta laat ik de hond uit, zwaai naar het oude vrouwtje achter het veel te volle raam en groet de postbode. De tweede dag was ik al Bart voor hem, zijn naam is Jean. Hij heeft een zwarte labrador, twee kinderen en is getrouwd. Hij woont in het huis waar hij is opgegroeid; twee dorpjes verderop.  Het zijn maar kleine gesprekjes, in kreupel Frans, die maken dat ik het gevoel heb hier thuis te zijn. 


    Ben zo terug – Bart

  • Naar boven

    Naar boven

    Als we dichterbij de zon komen voelt het kouder. We zijn hoog boven het landschap uitgestegen. Zover dat er niets meer groeien wil.  Na de boomgrens was het gras en wat verdwaalde struiken. Die zijn hier opgehouden te bestaan. Het is enkel steen en rots. En daar zo verdwaald tussen al dat zwaars en hards, staat een klein gebouwtje. Het hout, door het zonlicht en de tijd, grijs gebleekt. Daar zit in de deuropening een oude wijze man. Ik vroeg hem om wijsheid.

    Hij zei:

    “Vaak verliest men veel tijd omdat men een windstoot wil nalopen of een schaduw grijpen.”


    Ben zo terug – Bart

  • Roest 

    Roest 

    ‘Opa jij hebt sproeten’ zijn vinger trekt de omtrek van de sproeten op opa’s arm. 

    ‘Ja roest. Dat krijg je als je ouder word dan begin je te roesten.’ Zegt opa, een glinstering in zijn ogen. 

    ‘Neeeee, dat is niet zo. Toch?’

    ‘Mama opa zegt dat hij roestig is… door de sproeten.’ Zijn moeder steekt haar hoofd uit de keukendeur naar buiten en schud haar hoofd. Zogenaamd boos naar opa kijkend, alsof zij zeggen wil: “geen wilde verhalen ophangen tegen mijn zoon”  

    ‘Jij hebt toch ook sproetjes?’ Vraag opa wijsend op de arm van zijn kleinzoon. ‘Komt door de zon’


    Ben zo terug Bart

  • Sneeuw in steen

    Sneeuw in steen

    ‘Kijk eens wat ik gevonden heb!’ 

    ‘Kind wat mooi’

    ‘Het lijkt wel sneeuw’

    ‘Dat zou zomaar wel eens kunnen’ 

    ‘Opa! Dan was het toch allang gesmolten!’

    ‘De God van ijs en sneeuw en de God van de Bergen hadden heel lang geleden ruzie. Telkens als de god van sneeuw en ijs de bergen had besneeuwd dan gooide de god van de bergen er stenen overheen. Zo kwam de sneeuw tussen de stenen klem te zitten. Onder de druk van al die zware stenen werd de sneeuw samengeperst tot hele kleine kristalletjes; die net zo schitteren in de zon als sneeuw’



    Ben zo terug – Bart

  • Leven in een kistje XII (De eerste keer 7)

    Leven in een kistje XII (De eerste keer 7)

    Ander zag er wat besluiteloos uit zo voor de open deur. Met een wijds gebaar nodigde ik hem uit naar binnen te komen. Zonder verder iets te zeggen liepen wij naar de dubbele openslaande ramen. Wij keken van bovenaf neer op de straat, verwachtend de twee figuren daar te zien dralen. Maar de straat was verlaten. Zo van bovenaf gezien, in de veiligheid van mijn kamer, leek het lichter. Zelfs de schaduwen waren minder zwart. Ander had zich in de leesstoel laten zakken. De stoel stond voor het raam, niet om naar buiten te kijken maar om te zitten lezen bij de verwarming. Ik was op de poef gaan zitten. Beiden sloegen wij een zucht van opluchting. Tot onze ogen elkaar kruisten en wij lachten opnieuw. Deze keer van opluchting. Het was voorbij. Het leek of Ander alle zekerheid die hij eerder had laten zien, had verloren. 

    Er was iets zachts in zijn gezicht. Telkens als zijn ogen op mijn gezicht rustten en ik terugkeek, wende hij snel zijn blik af. Zo zaten we in het licht dat van de lantarens, via de straat tegen het plafond de kamer binnen kwam. Er hingen wolken verstild in de lucht als een kring rond de maan, die wat extra licht de kamer binnen hielp. Het was op dat moment dat ik pas in de gaten kreeg hoe koud ik het had. Ik draaide mij naar de verwarming en legde mijn handen op het gietijzer, om ze te laten ontdooien. 
    ‘Heb je…’ zijn stem stokte. Ander kuchte en probeerde opnieuw: ‘Heb je het koud?’ ik knikte ‘ik ook,’ zei hij zich draaiend naar de verwarming. Een rilling trok door mijn lichaam die ik probeerde te onderdrukken. 

    ‘Mag ik vragen waar je vandaan komt? Ik hoor iets van een andere tongval’ vroeg ik Ander. 
    ‘Oorspronkelijk kom ik uit Denemarken. Ik ben min of meer gevlucht…’ zijn uitleg stopte en verzonken in zijn gedachten bleef er een stilte hangen tot hij die zelf opmerkte, ‘En waar kom jij vandaan? Als ik het goed hoor klinkt er iets van Nederlands door.’ Ik knikte bevestigend. 
    ‘Ja dat heb je goed gehoord’ zei ik. In mijn achterhoofd speelde iets van onzekerheid. Ondanks dat we binnen waren en de figuren niet meer konden zien, kon ik mij niet helemaal los maken van de gedachten dat wij van buiten misschien toch werden bespied.       

    ‘Je maakt je zorgen,’ observeerde Ander mijn gezicht. Ik stond op en sloot het donkerrode overgordijn en zette de lichten aan. Het gele licht deed alles warmer aanvoelen, het maakte mij rustiger. 

    ‘Ik denk dat ik nog steeds het gevoel heb dat er iemand mee kan kijken.’ Legde ik uit. Ander glimlachte terwijl onze blikken elkaar even vasthielden in begrip over de situatie. Ongemakkelijk keken wij beide weg. Daarna, beurtelings weer naar elkaar. Observaties in ogenblikken, een studie in momenten van onoplettendheid.    

    ‘Wil je dat ik ga?’ Hij vroeg het alsof het hem pijn deed die woorden uit te spreken.

    ‘Liever niet,’ het was uit mijn mond voor ik er helemaal goed over nagedacht had. Ik voelde mijn gezicht kleuren. Opeens was ik warm, zweette ik. 

    ‘Ik wilde ook liever blijven.’ Ander’s ogen ruste op mij alsof hij probeerde meer te zien. Mijn hand, nog steeds op het lichtknopje. ‘Ik ben blij dat ik de moed had om naar je toe te stappen vanavond.’ Het was zijn beurt om te blozen. 


    Ben zo terug – Bart

  • Leven in een kistje IX (De eerste keer 4)

    Leven in een kistje IX (De eerste keer 4)

    Het was koud buiten. De ijzigheid die we binnen voelde was als een koude natte grot, bedompt. Hier buiten was de kou fris. De stroom van mensen vulde de donkere straat. Hier was geen dreiging die ieder moment kon omslaan in geweld. Veilig was het ook niet. We waren allemaal gewend geraakt aan de onderstroom die bezit had genomen van de stad. Voor we aan de hoek van de straat kwamen hoorde we geschreeuw vanuit de open deuren van de club. Er vielen twee mannen naar buiten, rollend over de grond. Scheldend en tierend in de nacht. Opnieuw maakte men zich uit de voeten. Het leek alsof zij door deze dreiging werden achtervolgd, er geen ontkomen aan was.


    De rest van de groep en de uniformen waren ook naar buiten gekomen moedigde aan en in sommige gevallen namen zij deel aan de afranseling die gaande was. De mensen die al buiten stonden werden met harde hand uit de weg geduwd. Zonder tegenspraak onderging het merendeel deze behandeling. Vanuit verschillende mensen werd hun ongenoegen geuit. Vooral als zij op afstand waren. Maar het ongenoegen keerde zich langzaam tegen de mensen die de club uit waren gekomen. Als een groep jagers waaierde zij zich in alle richtingen uit. We sloegen de hoek om. Langs het grote warenhuis waar de verlichte ruiten hun waren tot diep in de nacht tentoonstelde. Zij gaven iets van rust. Tot de hoek waar wij de straat overstaken. Ander kalmeerde mij op de een of andere manier. De straatlantarens beschenen afgebakende cirkels op het trottoir. Als statige supposten die bijschijnen in een donkere theaterzaal. 

    Achter ons klonken nonchalante voetstappen, te ver weg om duidelijk te onderscheiden of het om één of meerdere paren ging. ‘Rustig door blijven lopen,’ zei Ander langzaam en zacht. Dat was voor het eerst dat ik zijn accent hoorde. Ik kon alleen niet onderscheiden waar hij vandaan kwam. Ander keek schichtig over zijn schouder. ‘Ze steken over,’ voegde hij toe. Het voelde alsof hij mij daarmee gerust wilde stellen. Ook ik keek even over mijn schouder. De twee mannen waren al aan de andere kant van de straat en liepen een steeg in. 
    ‘Waar moet je naartoe?’ vroeg Ander zonder op te kijken.  Voetstappen klonken wederom, wij keken beide op. Een echtpaar kwam ons arm in arm tegemoet. Ik hield nog steeds Ander zijn arm vast. De vrouw haar blik bleef op ons hangen, zelfs toen zij ons voorbij was, keek zij nog een aantal keer achterom. 


    ‘De volgende straat moeten we links, die lopen we helemaal uit en rechts om de hoek is mijn kamer,’ vertelde ik Ander. Hij knikte. Opnieuw klonken voetstappen, deze keer achter ons. Maar bij het achterom kijken zag ik niemand. ‘Verbeeld ik mij voetstappen te horen?’ vroeg ik Ander. Hij schudde zijn hoofd, maar zei niets. Ik keek opzij maar zag daar ook niemand. Nogmaals achter ons. Even meende ik een schaduw te zien bewegen… niets! We sloegen zwijgend links af. In de halfschaduw van een steegje stond iemand. De gloed van de smeulende sigaret die zo nu en dan sterker oplichtte, verraadt de figuur. Toen we dichterbij kwamen liet deze zich door het duister verhullen. Alleen het rookwolkje van de sigaret op de grond, gaven nog bewijs van de persoon. Naast het steegje aangekomen was er niemand meer. 


    Ben zo terug – Bart

  • Leven in een kistje VII (De eerste keer 2)

    Leven in een kistje VII (De eerste keer 2)


    Wij stonden naast de drukte. Een spot scheen op de grond voor de alkoof waar wij ons in bevonden. Het voelde alsof wij daar niet bij het gedruis van de mensen hoorde. Het geluid was zachter waardoor we zonder toekijkers en toehoorders met elkaar konden praten. Ik speelde hier piano ter begeleiding van de artiesten op het toneel. Zo kon ik wat bijverdienen. Dát was hoe het kwam, dat ik mij hier in eerste instantie kon begeven. Niet dat het een club was met een hoog aanzien. Meer een nachtclub die nog wat naweeën van de opstandige antifascisten vertoonden. Zolang er publiek was, werd er gespeeld!

    En terwijl wij daar zo in het halfduister verhuld stonden, kwamen er een groepje uniformen binnen, omringd door de gebruikelijke aanhangers. Even stopte de piano en het gezang en startte snel weer op met een ander lied. Toepasselijker voor de nieuwe toehoorders. Niet dat deze luisterde. Ze namen plaats aan een paar van de tafeltjes die eerder bezet werden door de gebruikelijke clientèle. Die bij binnen komst van de groep zich uit de voeten maakte. Niet uit ontzag, maar uit angst die hoorde bij een gewelddadige onderdrukker. Die elk moment van liefhebbende, naar geweldenaar kan omslaan zonder enige voorbode. De sfeer werd bedrukt door het overdreven luide spreken en de onberekenbaarheid van de groep. De drie mannen in uniform, hadden iets over zich dat voelde alsof zij elke verdorvenheid, verbastering en alles wat verboden was in je konden ontwaren.

    Eén van de uniformen knipte in zijn vingers om de aandacht te trekken van het personeel. De heren diende aan hun tafel te worden bediend. Terughoudend werd een bestelling opgenomen. Alles veranderde. Niet alleen de sfeer, de muziek klonk blikkeriger, het licht werd heller en de ruimte verviel in een soort kille stilte. Onzeker over welke houding aan te nemen, ging het geruis over in gefluisterde gesprekjes. De aanhangers lachte extra hard alsof het een wedstrijd was. Het geheel had iets homo-erotisch. De verering van de uniformen, bijna aanbiddelijk. Als kwijlende jonge honden die ruiken dat hun baasje iets lekkers bij zich had. Het dedain ten opzichte van de andere mensen was voelbaar voor iedereen.


    Even kleefde wij tegen de verste muur van de alkoof. De spanning van hun aanwezigheid maakte iedereen ongemakkelijk. Ons ritme verstoord, wij herpakte ons gesprek. Hij gaf mij een hand. ‘Ander,’ zei hij met een ongemakkelijke glimlach. 
    ‘David,’ stelde ik mij aan hem voor. 
    ‘Eigenlijk Erik…’ even viel zijn stem stil ‘maar ik ben geen Erik.’ zei hij resoluut.  ‘Ik werk als technisch tekenaar voor een architect.’ Zijn ogen opende zich wijder, terwijl hij voor zich uit keek. Wenkbrauwen opgetrokken van verbazing. Ander draaide zich van het licht weg. ‘Dat is de zoon van mijn baas!’ Hij wees naar een van de tafeltjes met de uniformen. ‘Ik werk met hem! Hij kan mij hier niet zien’ siste hij. Iets wilds in zijn ogen.    


    Ben zo terug – Bart

  • Zomer op het dak

    Zomer op het dak

    ‘Dus de wereld is al veel te lang hetzelfde?’ zij keek naar de rode maan en knikte. ‘Wat gaan we daar aandoen?’ Het was nog warm van de dag. De wereld was stil geworden, nadat de avond was gevallen. Nu de vogels hun plaatsen in de bomen hadden gevonden en de wind was stilgevallen, hadden de meeste mensen hun achtertuin verruild voor hun bed. De dakpannen waren nog warm van de dag tegen de blote huid van mijn benen aan; wat het ruwe van het steen iets aangenaams gaf.

    Hoe zij mijn leven binnen was gedrongen zou ik u niet kunnen vertellen. Opeens was zij er. Zoals sommige spullen ooit je leven binnen zijn gekomen en waarvan het lijkt of zij er altijd zijn geweest. Deze dagen leek het bijna een ijl-droom. Een ontzettende warmte die overal doorheen drong. Het was net of zij een gedeelte, een ruimte, innam. Het was geen binnendringen, alleen een kleine opstap die zij gebruikte om op het dak te komen. Een tweestapper die voor veel caravan-deuren staat. De laatste stap naar het dak was een grotere. Wat er op dat dak was? Een wereld om op neer te kijken, vertes om te overzien en de rest van de wereld, die de muren buiten sloten.

    roof of building with raindrops in overcast day

    ‘Ik kijk’ ze zei het achteloos alsof het haar niets deed. Nu was het niet dichtbij maar de wijdere omgeving die zij bekeek. ‘Waarnaar?’ vroeg ik zonder mijn blik van het rondzwaaiende licht van de vuurtoren te wijzigen. Vol verwondering gleden haar ogen over het landschap. ‘Ik bedoel…’, begon zij. ‘Ik vind de afstand tot de wereld hier fijn’. Haar antwoord had mij uit mijn trans gehaald. 

    Beneden liep een figuur onder de lantarenpalen door. Van lichtbundel tot lichtbundel. In het midden verdween hij even uit het zicht, totdat hij de volgende ‘spot’ inliep.
    ‘De mens’, zij focuste haar blik, ‘alleen maar zichtbaar en te zien als hij een spot gevonden heeft…’ Zij viel stil en maakte haar beschrijving zacht af: ‘altijd opzoek naar gezien worden’. Even stopte ze, alsof er een gedachte zich in haar hoofd vormde die alles omverwierp. ‘Misschien heeft het veel meer te maken met zien…’
    ‘Dat zou best wel eens kunnen’.

    Ben zo terug – Bart

  • Onder de tulpenboom deel 1

    Onder de tulpenboom deel 1

    In de felle zon schitterde het gras van de dauw. Binnen was het warm, de koffie was gezet en de koekjes stonden op tafel. Het huis was even stilgevallen. Jacob slurpte van de walmende koffie. Aangekleed en wel, zat hij in de stoel te genieten. Te wachten op de zuster die hem zou komen helpen, maar hij had het zelf allemaal gedaan. Negenentachtig was hij, waarom zou iemand mij moeten helpen? Wat weggedraaid van de kamer keek hij naar buiten. De tulpenboom begon te knoppen. De eerste waren al opengebarsten en lieten het lichtroze van de bloemen zien. De meeste bomen en struiken hadden net een waas van groen gekregen. Teken van leven! Op het bankje dat rond de stam van de tulpenboom stond zat een jongen naar de grond te staren. 

    Thea reed het pad op met de fiets. Ze had hem niet gezien door het voorraam. ‘Goede morgen!’ riep ze vanuit de achterdeur.
    ‘Dag Theodora, wil je een kopje koffie van mij?’ Het was een ritueel dat zich iedere dag herhaalde. ‘Dat lijkt mij een heel goed idee Jacobus…’ antwoorde ze met een glimlach, ‘daar ben ik wel aan toe!’ Zij stapte de kamer binnen. ‘U bent al helemaal klaar!’ De rode blos op haar wangen van de kou, glom in het licht. Jacob knikte, nam zijn kopje en stond op om de koffie in te schenken. ‘Drukke dag vandaag?’ vroeg hij vanuit de keuken. Ze was op de bank gaan zitten, ‘Dat valt wel mee hoor.’ Hij zette de koffie voor Thea neer en liep naar de stoel voor het raam.  

    De jongen zat niet meer alleen. Er was een jongen bij komen zitten. Hij had zijn arm om hem heen geslagen alsof hij hem wilde troosten. Maar toen de jongen opkeek, glimlachte hij.

    Even keken ze elkaar aan en raakte hun voorhoofden elkaar. En schuchter draaide hun blikken naar de omgeving. Maar zij waren alleen. 
    ‘Waar kijkt u naar?’ vroeg Thea en kwam naast hem staan. ‘Ik was bezorgd, maar ik denk dat het wel goed komt,’ zei Jacob. Thea glimlachte, ‘dat denk ik ook wel.’ Ze waren beiden gaan zitten. 

    Ben zo terug – Bart

  • Vondst

    Haar vingers strijken het medaillon zacht, alsof het met elke streek van haar vingers meer waarde krijgt. Zij zit in het portaal te wachten en kijkt hopeloos in het rond, schichtig bijna en klampt iedereen die voorbijkomt aan. Als ik binnen stap vraagt ze mij: ‘Staat er buiten al iemand te wachten. Ik word opgehaald maar er is nog niemand gekomen.’ Ik vraag haar, ‘hoe laat zou u worden opgehaald?’ Ze fronst haar wenkbrauwen. ‘Rond elf uur,’ zegt ze onzeker. Ik glimlach vriendelijk en verzeker haar dat het nog tien minuten duurt voor het elf uur is. ‘Ik kom straks weer terug, als u hier nog bent ga ik wel even voor u bellen, goed?’ Ze knikt.

    Als ik de trap afkom en het portaal in kijk, is het leeg. Er is iemand voor haar gekomen denk ik opgelucht. Als ik de zwarte mat opstap zie ik het bronzen medaillon. Het ligt verlaten op de mat. De gladde kant omhoog. Voorzichtig neem ik het tussen mijn vingers. Het kleine figuur dat op de voorkant staat is nauwelijks nog te zien. Uit mijn witte jas pak ik een papiertje, vouw het tot een kleine enveloppe pak m’n pen en schrijf; deze vond ik op de mat. En stop het medaillon erin. Mijn vingers zoeken langs de bellen naar de naam van de mevrouw. 
    208 Mw. De Waar. Zoek de brievenbus en stop het envelopje erin. Draai mij en stap naar buiten. 

    Ben zo terug – Bart