Tag: Bomen

  • Verduistering

    Verduistering

    Zo was het licht en zonder dat de zon onder ging schemerde het. Eigenlijk had ik het eerst niet zo erg in de gaten. Ik had mij ter afkoeling verscholen tussen de naaldbomen. Zij hielden iets van de koelte en het donker van de nacht vast. Dat was ook de reden dat ik het niet in de gaten had gehad. Het was hier aangenamer dan in de openlucht. Het zou een korte wandeling in de schaduw worden. Een klein gaatje tussen de dennennaalden liet één enkele zonnestraal door. Op de grond werd een ronde stip geprojecteerd met een hapje eruit. 


    Ben zo terug – Bart

  • Naar boven

    Naar boven

    Als we dichterbij de zon komen voelt het kouder. We zijn hoog boven het landschap uitgestegen. Zover dat er niets meer groeien wil.  Na de boomgrens was het gras en wat verdwaalde struiken. Die zijn hier opgehouden te bestaan. Het is enkel steen en rots. En daar zo verdwaald tussen al dat zwaars en hards, staat een klein gebouwtje. Het hout, door het zonlicht en de tijd, grijs gebleekt. Daar zit in de deuropening een oude wijze man. Ik vroeg hem om wijsheid.

    Hij zei:

    “Vaak verliest men veel tijd omdat men een windstoot wil nalopen of een schaduw grijpen.”


    Ben zo terug – Bart

  • Even bij een rivier

    Even bij een rivier

    Onder een canapé van groene bladeren, op een kiezelbank van een rivier. Zijn de wortels van een grote oude eik die ver over het water reikt; schoon gespoeld door koude smeltwateren die samen komen in de bovenloop. Meanderend door bochten en kronkelend, buldert het water stuk op grote rotsen aan de zijde van de bergen. 

    De grote stenen zitten nog vast tussen de wortels. Als een natuurlijk bankje tegen de oeverwal. Uitkijkend over het water is het wat koeler in de schaduw. Pluisjes vliegen door de lucht en landen op de verstilde stromen. Waar kleine visjes soms boven water springen.


    Ben zo terug – Bart

  • Kleine fantasie I

    ‘Achter de struiken!’ Julian duwde mij door een kleine opening tussen de takken. Ademloos verscholen wij ons, uit het zicht. Zware voetstappen kwamen recht op ons af. Mompelend bleef hij op het bospad staan. Het was zomer, de dagen warm en de schaduw onder de bladeren koel. Wij slopen verder tussen de takken terwijl de grote man zich om draaide en verder liep. Hij was lang, zeker over de twee meter, een reus in onze ogen. Zijn zware stem donderde tussen de bomen. Zijn blik eindeloos op de grond gericht. Achter een grote eik gingen wij op de grond zitten.

    Ben zo terug – Bart