Tag: Verhalen

  • Sirene?

    Sirene?

    Een stem zong door het donker alsof deze mij naar veiligheid kon leiden. Een verhaal over nachten donker. Zo donker zelfs dat er geen sterren licht meer was. Zij waren uit verdriet uitgegaan voor het doven van het zachte licht van de maan. Nachten waarin wegen onbegaanbaar worden. Waarin het donker zelfs het licht van lantaarns opslokt. Het was een lichte stem doordrongen van melancholie. Een tikje wanhoop die voor de zoektocht naar een nieuwe maan opwelde in een onderstroom van de stem. Dit allemaal in een taal die ik niet verstond, maar dat verhaal in gevoel aan mij overdroeg. 


    Ben zo terug – Bart

  • Roest 

    Roest 

    ‘Opa jij hebt sproeten’ zijn vinger trekt de omtrek van de sproeten op opa’s arm. 

    ‘Ja roest. Dat krijg je als je ouder word dan begin je te roesten.’ Zegt opa, een glinstering in zijn ogen. 

    ‘Neeeee, dat is niet zo. Toch?’

    ‘Mama opa zegt dat hij roestig is… door de sproeten.’ Zijn moeder steekt haar hoofd uit de keukendeur naar buiten en schud haar hoofd. Zogenaamd boos naar opa kijkend, alsof zij zeggen wil: “geen wilde verhalen ophangen tegen mijn zoon”  

    ‘Jij hebt toch ook sproetjes?’ Vraag opa wijsend op de arm van zijn kleinzoon. ‘Komt door de zon’


    Ben zo terug Bart

  • Eeuwige regen 1/4

    Zij zaten bij het vuur. De herberg was vol gelopen met mensen uit de buurt. De drukte van gepraat, de glazen op de tafels. Buiten was het grijs geworden, de donkere luchten samengetrokken en de zon was helemaal verdwenen. Het was zowat twee uur eerder donker geworden dan normaal was voor de tijd van het jaar. Aan de kleine tafel aan de rand van de haard, waren de twee vreemden stil bij elkaar gaan zitten. De broeken met modder besmeurd, waren zij zo dicht mogelijk bij de warmte van de haard gekropen om te drogen. ‘Kan ik iets voor jullie betekenen?’ de warme donkere stem, kwam van een grote ronde, bebaarde man. Zijn zwarte haar was naar achter gestreken maar zijn krullen waren niet van plan zich te laten temmen. Een snelle glimlach schoot langs zijn lippen en zijn ogen glinsterde. 

    ‘Heeft u voor ons iets warms te eten en een kamer voor de nacht?’ had Thennas de man gevraagd. Zijn gezicht, in tegenstelling tot die van de uitbater was scherp en puntig, maar zijn lichte bruinen ogen keken vriendelijk de wereld in. ‘Maar natuurlijk’ had de man gezegd ‘er is nog een kleine kamer met twee bedden. Ik zal zorgen voor wat eten. Willen de heren ook nog iets te drinken?’ Nadat zij beide instemmend geantwoord hadden, waggelde de herbergier naar de bar. Binnen een paar minuten was hij terug met twee kroezen bier en twee borden eten. De stoofpot rook naar kruiden en verse groente en zachtgekookt vlees. 

    Thennas blies de stoom van zijn gevulde lepel, Orgean stak het zonder te denken in zijn mond en brandde zijn verhemelte en tong. Hij dronk een paar grote slokken van zijn bier. Nadat zij hun eten op hadden waren beide onderuitgezakt. ‘Hebben de heren genoeg gehad?’ vroeg de herbergier. Orgean zette de borden op elkaar, gaf deze aan en vroeg nog twee kroezen te vullen. Herbergier nam de borden aan en vulde de kroezen. Schuim kwam tot boven de rand uit. ‘Zo’, zei hij toen hij ze voor Thennas en Orgean had neergezet. Langzaam dronken de mannen hun kroezen leeg terwijl zij de bevolking in zich opnamen. De mensen waren hier gewoon, dat is te zeggen er was eigenlijk niets bijzonders aan de mensen. De smid en zijn knecht zaten aan de bar. Er was een plagende toon in zijn stem toen hij aan de herbergier uitlegde wat de jongen verkeerd gedaan had. ‘… weet je Turing, dat jong werkt al een jaar in de smederij en nog weet hij zijn klauwen te branden aan het aambeeld, terwijl hijzelf het ijzer erop gesmeed heeft!’ De smid schaterlachte, zijn knecht had het rood op zijn wangen staan. De vrouwen van een paar boeren waren bij elkaar gaan zitten en spraken over de kinderen en het herstel aan de kleding van de zoons. Aan de andere kant van de tafel waren de boeren in gesprek over het weer en hoe de natte grond de rest van de oogst zou beïnvloeden. Nadat de meeste van de mensen uit het dorp gegeten hadden en hun kroezen leeg, gingen zij terug naar huis. Een enkeling bleef nog. Het gezellige geroezemoes van eerst, verstilde wat.  

    ‘Mag ik vragen waar de reis naartoe gaat’ vroeg Turing. De herbergier stak zijn hand uit naar Orgean, ‘Turing’ zei hij en schudde ook de hand van Thennas. Toen zei zichzelf voorgesteld hadden nam Orgean het woord. ‘Wij zijn op weg naar Neamna aan de voet van de Leeuwenkopsberg.’ Turing keek de mannen verwonderd aan. ‘Dan hebben de heren nog een lange reis te gaan’ zei hij. De haren aan zijn slapen waren grijzend. Het vrolijke ronde gezicht vertrok en de lijnen rond zijn ogen werden dieper. ‘Door de eindeloze regen?’ voegde hij eraan toe. Orgean zag de kleine verschuiving in het gezicht van Turing. ‘Wat is de eindeloze regen?’ Thennas keek verbaasd. ‘Een legende!’ zei hij nors. De smid en de knecht waren opgestaan en groette Turing en verlieten de herberg. ‘Laat me nog iets voor jullie inschenken’ zei Turing. Hij vulde de kroezen en schonk een klein glas vol met een donkerbruine drank en zette deze op de tafel. Vóór Turing ging zitten legde hij nog een paar blokken hout in het vuur. Bij het licht van de lampen was er een gouden waas in het kleine glas van de herbergier zichtbaar. ‘Laat me je het vertellen’ zei hij terwijl hij ging zitten aan de tafel.

    Lees hier verder

    Ben zo terug – Bart

  • Vakantie lezen… 2 (terug op aarde)

    Het witte marmer was door het weer grijs geworden, zo grijs als de loden delen op de daken van de kathedraal. Een jonge man klom over de leien naar boven om de waterspuwers te bereiken. Achter hem kwamen twee mannen aan. Hun vuisten geheven, bleven zij achter de balustrade staan. Het geschreeuw was, van het plein beneden, te horen. Zelfs boven het geluid van de markt uit. Er was iets onnatuurlijks aan de mannen. Het leek net of het donkerder om hen heen was. Alsof het licht door hun boosheid werd beïnvloed.
    Op het plein gebeurde iets geks. De wereld leek even door niets te kunnen worden veranderd. Het geschreeuw was duidelijk hoorbaar, maar er leek niemand op te reageren. Niemand keek met verbazing naar boven wat er precies gaande was op het dak van de grote kerk. Het hele bestaan van de mannen leek onopgemerkt te blijven. 

    Een derde man voegde zich bij de twee. De jonge man klom steeds hoger. Toen ik mijn blik terug liet gaan van de mensen op het plein naar de mannen op het dak; keek de man die zich het laatst bij de twee had gevoegd, mij recht aan. En het was stil, opeens was hij weg. ‘Waar kijk jij naar?’ de baardharen prikkelde in m’n nek. Verschrikt keek ik naast mij en stond hij daar. Naast mij op het plein. ‘Maar…’ ik keek terug omhoog. ‘U… stond net daarboven’ probeerde ik te duiden wat er gebeurd was. 
    ‘Waar sta je naar te kijken?’ vroeg de zware stem nogmaals. ‘Ik…’ zijn gezicht was streng belijnd. ‘ik… er klimt iemand over het dak’ maakte ik mijn zin af. De man keek omhoog en weer terug naar mij. 

    ‘Wat wil je drinken?’ 

    ‘Hey! Wat wil je drinken?’ James keek mij vragend aan. Zijn handen open. 
    ‘Ow … uhm doe maar een Colaatje’ zeg ik enigszins verward. Ik leg de bladwijzer tussen de pagina en sla het boek dicht. 

    Ben zo terug – Bart 

  • Verlaten Werkkamer

    Gele kranten lagen op de grond. Ongelezen, netjes in een stapeltje, zoals zij door de brievenbus gevallen waren. Losse vellen type-sels, een gedicht, halve vertelsels en een rijmwoordenboek. Het bureau vol met aantekeningen en handgeschreven briefjes. Het whiteboard bevatte een bedachte uitwerking, die als een moordcomplot met dunne lijntjes aan elkaar hing. Een opengeslagen boek, tussen al dat onafs. De bureaustoel draaide nog langzaam na alsof er zo-even nog iemand gezeten had. Het geheel baadde in het namiddagse-zonlicht. Een potje zwarte inkt, waar de dop niet goed opgedraaid zat, was omgevallen en drupte de op een beschreven pagina. Op de stoel voor het open raam kwam een nieuwsgierige merel zitten en sloeg alles gade. Een bericht kwam binnen op een onzichtbare telefoon. Bij het omlaaggaan van de deurklink vloog de merel weg en werd de ruimte weer gevuld met leven. Werd er opnieuw een poging gedaan iets te schrijven. 

    Ben zo terug – Bart 

  • Zoeken… II (Een beetje fantasie)

    Lees hier terug wat er eerder gebeurd is…

    Cheiron drukte op de bel. Het geluid was overdonderend, in het kleine portaal dat als een versterker werkte. De stem van de journaal-lezer klonk monotoon, bijna dreunend. Callas’s hoge noot galmde er boven uit. Het orkest maakt het crescendo compleet. En dit alles bleef, in het portaal, tussen de muren kaatsen. Nogmaals de bel. Er klonk niets van binnenuit dat er op leek dat de deur open gedaan zou worden. Met een vuist gaf Cheiron een harte klop op de deur. ‘Ja ja ja,’ klonk het van uit de diepte van het huis.

    Toen de deur openging stond een oude man voor hem. ‘Aiōn!’ zei de man. Nog voor Cheiron zijn naam kon zeggen had Aiōn zich al omgedraaid. Hij opende de deur helemaal en stapte er soepel omheen. Met zijn arm gebaarde hij Cheiron naar binnen te komen. Eenmaal over de drempel zei hij met een luide stem: ‘Helemaal doorlopen… achterin… de keuken.’ Cheiron ging op een van de lege stoelen zitten en pakte het boek van zijn grootvader op schoot. Hij keek op, er was niemand. Nog voor hij zich verder kon verwonderen over Aiōn klapte de voordeur dicht. Met verassende snelheid stapte hij de keuken binnen. ‘Ik wil u iets vragen,’ begon Cheiron voorzichtig. ‘Ja ja ja,’ zei Aiōn ‘wat is er met het boek?’
    ‘Hoe weet u dat…?’ zei Cheiron vol ongeloof. ‘Er staat een herinnering in van mijn grootvader…’ Aiōn trok zijn wenkbrouwen op. ‘Lees het nu maar voor!’

    “De eerste keer dat ik iets vermoede… dat moet in mijn jeugd zijn geweest.
    Het was ergens in augustus, denk ik. Toen het gras geel begon te worden van de warmte en de beek naast ons huis volledig was opgedroogd. Ik had de hele ochtend in de weilanden gespeeld in de schaduw van de bomen, tussen de bladeren die waren afgevallen. Mijn vader vroeg mij mee naar de stad waar hij wat spullen moest ophalen. Wij liepen tussen de weilanden over de stoffige zandweg, het landschap glooide en langs de rand van de weg stonden hier en daar wat bomen. Soms was het een laan, dan weer een landweg, maar steeds waren er stukjes schaduw die de hete zon onderbroken. Ik kon de warmte van het zand, door mijn zolen van leer, heen voelen. Na wat voor mij een eeuwigheid leek, stopte wij bij een laag hangende boomtak. Mijn maag gromde, hongerig naar voedsel.

    De eerste slok van het koele water gleed voelbaar door mijn lichaam. Het was als een verkoelende duik in de rivier. Mijn vader haalde een doek uit zijn tas met nog warm brood en een glazen pot met aardbijenconfituur. Het witte brood was romig en de frisse aardbeiengelei zoet. Het was het lekkerste wat ik ooit had gegeten. De doffe kloppen van hoeven op het zand naderden ons. Een boerenknecht op een open wagen. Zijn gezicht lichtte op, alsof wij de eerste mensen waren die hij in dagen had gezien. Hij groette ons gedag nog voor hij dicht bij genoeg was om tegen ons te spreken. ‘Eetsmakelijk’ zei hij toen hij dichterbij gekomen was. ‘Als ik zo vrij mag zijn, waar zijn de heren naar onderweg?’ Mijn vader sprak met respect: ‘Dank u, wij zijn onderweg naar Ergon.’
    ‘Dan heeft u geluk,’ zei de knecht, ‘u kunt op mijn wagen meerijden, ik moet daar vlakbij zijn.’ Triomfantelijk keek hij van af de bok op ons neer. ‘Als u het geen probleem vindt ga ik ook even een broodje eten’. Nog voor mijn vader kon reageren was de knecht al op de grond in de schaduw neer geploft.  Ik weet niet meer of er iets gezegd is, of dat wij alle drie stil zaten te eten.”

    Lees hier verder.

    Ben zo terug – Bart

  • Helops (een beetje fantasie)

    Helops, was zijn naam. Zo groot als een reus en sterk als een paard, tenminste dat is mijn herinnering. Dat, terwijl hij zo oud was als de wereld, ook in mijn gedachten. Hij was mijn opa die de hele wereld had gezien en de wildste verhalen vertelde over wat hij allemaal had mee gemaakt. ‘Grootspraak’, zei mijn vader altijd als hij weer eens verdwaald was in één van de vele zijwegen waaruit zijn verhalen waren opgebouwd. ‘Helops! Je maakt de jongen bang!’ had hij een keer gezegd. Ik schudde van niet en met zijn enorme hand wreef hij over mijn zwarte krullen. Als Helops bij ons in huis was werd er gelachen, gegeten, gedronken en het aller belangrijkste… er werden verhalen verteld. Het was altijd hetzelfde op die laatste keer na.
    ‘Er zijn zaken die spelen’, begon hij met diep raspende stem ‘Belangrijke zaken die al decennia lang op de achtergrond verscholen zijn’.  Hij rook naar pijptabak en hout, het leer van zijn tas en het zoete kruidendrankje dat hij vaak dronk. Ik had hem nog nooit zo serieus gezien. Normaal speelde er een glans van pret in zijn ogen. Even zat hij in complete stilte. Alsof de woorden die hij ging zeggen nog moesten komen. ‘Het word tijd dat jij begint met de lessen die ik als kleine jongen heb gekregen van mijn grootvader. Nu heb je de tijd om te zoeken, zoals ik dat ook heb geleerd.’ Hij zuchtte diep en voor hij verder sprak pakte hij zijn pijp uit zijn borstzak. Stopte hem en zoog de vlam van de lucifer de pijp in. Er ontsnapte een wolk rook die de kamer vulde. ‘Je mag er met niemand over spreken’, begon hij. ‘Er komt nog meer maar dit is het eerste wat ik je ga geven.’ Van de grond pakte hij de zadeltas die hij altijd bij zich droeg. Uit de diepte haalde hij een boek tevoorschijn. Het boek was in zwartleer gebonden. De gouden letters waren er afgesleten en het leer dat van buiten zwart leek was in werkelijkheid donkerbruin geweest. De naam was nog zichtbaar Lucretius. Hij sloeg het boek open en in krullende letters stond te lezen “De Rerum Natura Libri Sex”, daaronder de auteur “Titus Lucretius Carus”. Bij het omslaan knisperde het papier dat zo dun was als rijstpapier.
    ‘Het lijkt wel een bijbel’, zei ik zonder er bij na te denken.
    Helops glimlachte en liet het boek tussen zijn handen dichtvallen. ‘Nog één’, zei hij en sloeg het open bij het schudblad. Op het blad lag een klavertje vier. Hij tikte met zijn vinger op het blad. ‘Wees niet bang om het kwijt te raken er zijn altijd nieuwe in de buurt’. Ik keek hem aan; ‘wat betekend dat?’ Weer glimlachte hij: ‘Ik weet de woorden, maar ik ken niet de betekenis ervan. Mijn grootvader zei hetzelfde tegen mij.’ Hij staarde door het raam naar buiten. ‘Misschien is het deze keer belangrijker… het jong is vele malen jonger dan ik was’, mompelde hij tegen zichzelf.

    Deel 2

    Ben zo terug – Bart

  • De man op de foto

    ‘Amerika… New York’, begon zij. ‘Ja, toen ik later nog eens terug kwam in de stad, was hij verdwenen, niet Peter maar de stad.’ Peter was dat zijn naam? Ik had nog nooit van hem gehoord. In het verhaal van mijn oma was er geen naam, hij was “de man”, nooit een naam. ‘De stad die ik zo goed kende was volledig verdwenen. Niets deed mij meer herinneren aan de periode die ik daar had door gebracht. De eens zo majestueuze gebouwen en dansgelegenheden waren vervallen en de sfeer, de sfeer die wij toen maakten met elkaar. De adem die liet zien dat je met weinig, een heel eind kan komen. Hoewel de werkeloosheid hoogtij vierde werd er gedanst gezongen en het leven gevierd.’ Ik kon mijzelf niet bedwingen en stelde meteen nog een vraag. ‘Peter, was dat zijn naam?’ Haar hand roerde nogmaals met het lepeltje door haar kopje, zij tikte het twee keer tegen de rand en legde het op het schoteltje. Voorzichtig bracht zij het kopje naar haar mond en nam een slokje. ‘Ja…’ zei ze met het kopje nog in haar hand, ‘Peter, Peter Wellis.’ Haar stem verstomde langzaam en liet een leegte achter, die niet gevuld zou worden.

    Peter Wellis, ik liet de naam een aantal keer door mijn brein gaan. Het klonk bekent maar ik kon het niet grijpen. Als iets dat je zeker weet, maar ergens diep in een lade in je achterhoofd zoek is geraakt. Op de foto was een jonge man afgebeeld, de glans van zijn golvend haar dat achterover gekamd was verraadde iets van olie of Brylcreem. De hoge bandplooibroek en blouse, waren iets te ruim en de achteloze sigaret tussen zijn vingers, zorgt voor sierlijke rookkringels. Alles aan zijn uiterlijk schreeuwde lief, aandoenlijk bijna, alsof de foto geheel geplant is. Van de kleding en de halve sigaret tot zijn lachende gezicht. In zijn andere hand heeft hij een hoed, waarschijnlijk geënsceneerd, er is niets dat er op wijst dat hij deze ook daadwerkelijk gedragen heeft.

    ‘Ik had hem al zien binnen komen’ haar stem haalt mij uit mijn gedacht ‘hij was zo iemand die zichzelf onderdeel van de menigte kon maken. Maar ik had hem wel gezien.’ Haar ogen verraden een kinderlijke blijheid, alsof deze hun vader terug zien. ‘Hij was met een groep vrienden die duidelijk meer op hun gemak waren dan hij.’ Haar blik richtte zich naar de deur alsof hij elk moment binnen kon stappen.

     

    Ben zo terug – Bart

  • Verhalenfabriek VI – Einde

    Lees hier het eerste deel

    Het was zaterdag en het kantoor was leeg, een extra werkdag die hij zelf had ingedeeld. In alle rust zat hij, starend naar zijn scherm, aan zijn werkplek. Even was hij niet bezig met de cijfers. Het beeld was wazig geworden, hij zat verzonken in gedachten.
    Zijn zoontje tot zijn knietjes in de zee bezig met schepje en emmertjes. Het water golfde zachtjes tegen het strand en een warme wind waaide. Hij kon het warme zand onder zijn voeten voelen. Een glimlach op zijn gezicht terwijl hij toekeek hoe zijn vrouw en kind een zandkasteel bouwde. Hij knipperde en nam een slok water. Cijfers, dacht hij bij zichzelf, daar kan ik straks een extra vakantie van opnemen.
    Terwijl hij weer aan het werk ging speelde een andere gedachte door zijn hoofd. De schaduwfiguur die hij een paar dagen terug in zijn glas had gezien. Een figuur had door het glas gekeken. Alsof het vanuit een andere ruimte daar naar binnen keek.

    De enorme ruimte was verstild, alleen het geluid van pennen die over het papier gingen. Door het glas zag hij de man, gebogen over zijn toetsenbord, verdiept in zijn werk. Hij keek naar zijn geschreven zinnen. Een beschrijving van een strandtafereel. Een beeld vol liefde! Zo resoluut als hij er aan begonnen was zo abrupt was het idee weer opgehouden. Een nieuwe gedachte drong zich aan. Hij legde zijn kin op het blad met zijn ogen recht voor het glas en keek naar de werkende man. Toen hij na een minuut zijn ogen sloot branden zij. Even hield hij hen gesloten en voelde het warme traanvocht opwellen. Toen hij ze opende keken twee ogen op de zelfde manier hem aan. Hij trok zijn hoofd naar achteren, raakte uit balans, greep de armleuningen en schopte zijn scheen met volle kracht tegen het blad, waar door hij niet achterover viel. Verdwaast knipperde hij nog een aantal keren met zijn ogen.

    Opeens waren de ogen weg. Een arm vloog door de lucht en de figuur leek buiten beeld te vallen. Nog geen seconde later kwam het hoofd weer dichterbij. Hij voelde zichzelf bij het glas vandaan bewegen. Alsof de figuur hem iets kon doen. Het duurde even voor hij werkelijk zag waar hij naar keek. Het was een verbogen beeld van zichzelf. Alsof hij in een lachspiegel keek. Hij bewoog nieuwsgierig richting het glas. En keek naar een weerspiegeling van zich zelf…

    De man uit het strandtafereel. Hij pakte zijn papier en las het nogmaals door.
    Zijn groene ogen straalde, een rust was over hem gekomen. Terwijl hij daar stond, keek hij naar de zee waar zijn zoontje bezig was met schepje en emmertjes. Het water golfde zacht tegen het strand en een warme wind waaide langs zijn ontblote bovenlijf. Hij voelde het warme zand onder zijn voeten. Een glimlach op zijn gezicht, terwijl hij toekeek hoe zijn vrouw en kind een zandkasteel bouwde. Het pure geluk dat hij voelde vervulde zijn hele lichaam.
    Terwijl hij het las hield hij het schuin bij het glas.

    Het hoofd draaide zich schuin weg en pakte iets buiten het beeld. Het papier dat hij bekeek was beschreven, maar het glas vertekende de letters zodanig dat het onmogelijk was om het te lezen. Hij kneep zijn ogen iets dicht om het beter te kunnen zien. Het hielp niets. Opnieuw bewoog het papier deze keer zo, dat de geschreven letters leesbaar werden. Hij begon te lezen en fluisterde, ‘Dit zijn mijn gedachte…’

    Ben zo terug – Bart

  • Verhalenfabriek. I

    Een straal zonlicht valt in het glas water dat naast mij staat en een regenboog vormt zich op het bureau. Als ik mijn vingers er langs haal verkleuren zij in het licht. Het kleurenspel fascineert mij. Het neemt plaats in mijn brein en vult het langzaam totdat er geen andere gedachten meer zijn. Ik beweeg mij naar voren om de kleuren dichterbij te bekijken. Door het glas gezien is de wereld verbogen en vervormd net zoals het verbogen licht vervormt is. Ver achter in het glas is een wereld bezig. Ik focus mijn aandacht weer op het lege vel papier. Er komt weer ruimte in mijn hoofd en de kleuren die het gevuld hadden blijven in een hoekje spelen.
    Het is vergaan, het moment. De regenboog is weg. Alleen zonlicht in een rechte lijn over het bureau. Mijn vingers schrijven de woorden en een zin ontstaat. De eerste aanzet van een verhaal. Vanuit mijn ooghoek komt er beweging in het licht. Een schaduwfiguur word steeds groter. Voorzichtig kijk ik op van mijn werk. Niemand. Het licht is weer zichzelf, zonder de schaduw. Ik heb mijzelf vergist!
    “Het is vergaan, het moment. De regenboog is weg.” Lees ik mijn openingszin “Alleen zonlicht in een rechte lijn over het bureau.”. Ik schrijf verder: “de kleuren zijn verloren een enkele witte lijn blijft achter. Het is een schaduw die mijn aandacht trekt. Het speelt door het glas.” Opnieuw een schaduw. Ik blijf zo stil mogelijk zitten en probeer vanuit mijn ooghoek de maker van de schaduw te ontdekken. En opnieuw… niemand. In het glas zie ik niets, ik beweeg mijn hoofd opzij en kijk opnieuw. Een persoon, zijn schouders naar beneden hangend, verslagen. Er is niets te zien. Een zwart profiel tegen het witte licht. Ik laat mijn ogen door de ruimte dwalen. Er is hier écht niemand.
    Een schok zet mijn lichaam weer overeind, alsof ik knikkebollend op de stoel had gezeten. Woorden vloeien uit mijn pen…

     

    Ben zo terug – Bart

    Lees deel 2 hier