• Zomer op het dak

    Zomer op het dak

    ‘Dus de wereld is al veel te lang hetzelfde?’ zij keek naar de rode maan en knikte. ‘Wat gaan we daar aandoen?’ Het was nog warm van de dag. De wereld was stil geworden, nadat de avond was gevallen. Nu de vogels hun plaatsen in de bomen hadden gevonden en de wind was stilgevallen, hadden de meeste mensen hun achtertuin verruild voor hun bed. De dakpannen waren nog warm van de dag tegen de blote huid van mijn benen aan; wat het ruwe van het steen iets aangenaams gaf.

    Hoe zij mijn leven binnen was gedrongen zou ik u niet kunnen vertellen. Opeens was zij er. Zoals sommige spullen ooit je leven binnen zijn gekomen en waarvan het lijkt of zij er altijd zijn geweest. Deze dagen leek het bijna een ijl-droom. Een ontzettende warmte die overal doorheen drong. Het was net of zij een gedeelte, een ruimte, innam. Het was geen binnendringen, alleen een kleine opstap die zij gebruikte om op het dak te komen. Een tweestapper die voor veel caravan-deuren staat. De laatste stap naar het dak was een grotere. Wat er op dat dak was? Een wereld om op neer te kijken, vertes om te overzien en de rest van de wereld, die de muren buiten sloten.

    ‘Ik kijk’ ze zei het achteloos alsof het haar niets deed. Nu was het niet dichtbij maar de wijdere omgeving die zij bekeek. ‘Waarnaar?’ vroeg ik zonder mijn blik van het rondzwaaiende licht van de vuurtoren te wijzigen. Vol verwondering gleden haar ogen over het landschap. ‘Ik bedoel…’, begon zij. ‘Ik vind de afstand tot de wereld hier fijn’. Haar antwoord had mij uit mijn trans gehaald. 

    Beneden liep een figuur onder de lantarenpalen door. Van lichtbundel tot lichtbundel. In het midden verdween hij even uit het zicht, totdat hij de volgende ‘spot’ inliep.
    ‘De mens’, zij focuste haar blik, ‘alleen maar zichtbaar en te zien als hij een spot gevonden heeft…’ Zij viel stil en maakte haar beschrijving zacht af: ‘altijd opzoek naar gezien worden’. Even stopte ze, alsof er een gedachte zich in haar hoofd vormde die alles omverwierp. ‘Misschien heeft het veel meer te maken met zien…’
    ‘Dat zou best wel eens kunnen’.

    Ben zo terug – Bart

  • Onder de tulpenboom deel 1

    Onder de tulpenboom deel 1

    In de felle zon schitterde het gras van de dauw. Binnen was het warm, de koffie was gezet en de koekjes stonden op tafel. Het huis was even stilgevallen. Jacob slurpte van de walmende koffie. Aangekleed en wel, zat hij in de stoel te genieten. Te wachten op de zuster die hem zou komen helpen, maar hij had het zelf allemaal gedaan. Negenentachtig was hij, waarom zou iemand mij moeten helpen? Wat weggedraaid van de kamer keek hij naar buiten. De tulpenboom begon te knoppen. De eerste waren al opengebarsten en lieten het lichtroze van de bloemen zien. De meeste bomen en struiken hadden net een waas van groen gekregen. Teken van leven! Op het bankje dat rond de stam van de tulpenboom stond zat een jongen naar de grond te staren. 
    Thea reed het pad op met de fiets. Ze had hem niet gezien door het voorraam. ‘Goede morgen!’ riep ze vanuit de achterdeur.
    ‘Dag Theodora, wil je een kopje koffie van mij?’ Het was een ritueel dat zich iedere dag herhaalde. ‘Dat lijkt mij een heel goed idee Jacobus…’ antwoorde ze met een glimlach, ‘daar ben ik wel aan toe!’ Zij stapte de kamer binnen. ‘U bent al helemaal klaar!’ De rode blos op haar wangen van de kou, glom in het licht. Jacob knikte, nam zijn kopje en stond op om de koffie in te schenken. ‘Drukke dag vandaag?’ vroeg hij vanuit de keuken. Ze was op de bank gaan zitten, ‘Dat valt wel mee hoor.’ Hij zette de koffie voor Thea neer en liep naar de stoel voor het raam.  
    De jongen zat niet meer alleen. Er was een jongen bij komen zitten. Hij had zijn arm om hem heen geslagen alsof hij hem wilde troosten. Maar toen de jongen opkeek, glimlachte hij. Even keken ze elkaar aan en raakte hun voorhoofden elkaar. En schuchter draaide hun blikken naar de omgeving. Maar zij waren alleen. 
    ‘Waar kijkt u naar?’ vroeg Thea en kwam naast hem staan. ‘Ik was bezorgd, maar ik denk dat het wel goed komt,’ zei Jacob. Thea glimlachte, ‘dat denk ik ook wel.’ Ze waren beiden gaan zitten. 

    Ben zo terug – Bart

  • Vondst

    Haar vingers strijken het medaillon zacht, alsof het met elke streek van haar vingers meer waarde krijgt. Zij zit in het portaal te wachten en kijkt hopeloos in het rond, schichtig bijna en klampt iedereen die voorbijkomt aan. Als ik binnen stap vraagt ze mij: ‘Staat er buiten al iemand te wachten. Ik word opgehaald maar er is nog niemand gekomen.’ Ik vraag haar, ‘hoe laat zou u worden opgehaald?’ Ze fronst haar wenkbrauwen. ‘Rond elf uur,’ zegt ze onzeker. Ik glimlach vriendelijk en verzeker haar dat het nog tien minuten duurt voor het elf uur is. ‘Ik kom straks weer terug, als u hier nog bent ga ik wel even voor u bellen, goed?’ Ze knikt.

    Als ik de trap afkom en het portaal in kijk, is het leeg. Er is iemand voor haar gekomen denk ik opgelucht. Als ik de zwarte mat opstap zie ik het bronzen medaillon. Het ligt verlaten op de mat. De gladde kant omhoog. Voorzichtig neem ik het tussen mijn vingers. Het kleine figuur dat op de voorkant staat is nauwelijks nog te zien. Uit mijn witte jas pak ik een papiertje, vouw het tot een kleine enveloppe pak m’n pen en schrijf; deze vond ik op de mat. En stop het medaillon erin. Mijn vingers zoeken langs de bellen naar de naam van de mevrouw. 
    208 Mw. De Waar. Zoek de brievenbus en stop het envelopje erin. Draai mij en stap naar buiten. 

    Ben zo terug – Bart

  • Verdwenen…

    Toen de klok begon aan de twaalf slagen, dronk hij de laatste slok, wenste mij geluk voor het nieuwe jaar, stapte van zijn kruk, pakte zijn jas en liep naar buiten. Verlicht door het vuurwerk, zag ik hem nog. Bij de laatste klokslag was hij helemaal in het donker verdwenen. 

    Ben zo terug – Bart

  • Eeuwige regen 2/4

    Lees hier deel 1

    Even viel hij stil. Nam een slok van de donkerbruine drank, smakte, likte zijn lippen en zuchtte een diepe zucht. ‘Zolang als ik mij kan herinneren’ begon Turing, ‘zijn er al verhalen over Neamna’. Turing keek door de vlammen van de haard, recht door de muur, in een soort eindeloosheid. Hij snoof diep, zocht in zijn brein waar hij het verhaal moest beginnen. ‘Dit is het verhaal dat mijn opa mij vertelde toen ik als kleine jongen bij hem op schoot zat. 

    Kelmnar Berin was de koning van het vlakke land dat eindigde bij de Leeuwenkopsberg en de Tellerrug. Aan de andere kant was het open water. Om zichzelf en zijn onderdanen te beschermen tegen de landrovers en andere koningen die de vruchtbare grond wilde veroveren, bouwde Koning Kelmnar, Neamna in de luwte van de twee bergruggen. De stad was in tweeën gedeeld door een kleine rivier die uit de grond tussen de twee bergen ontsprong. De ene helft van de stad was gebouwd van de lichte stenen van de Leeuwenkopsberg en de andere helft was gebouwd van de donkere stenen van de Tellerrug. De stroom die tussen de twee delen van de stad stroomde, noemde zij Levenwater.  

    Het kleine koninkrijk was veilig en de gronden rond de stad waren overvloedig. Het was voor de mensen een plaats waar zij een thuis vonden in een wereld die werd beheerst door onzekerheden en argwaan. De vruchtbare grond en de stad Neamna kregen al snel bekendheid door de overvloeden die het land voortbrachten. Ook de twee bergruggen waarbij de stad was gelegen, gaven het koninkrijk rijkdommen. De grote robijnen en smaragden die gevonden werden in de grottenwaren geliefd tot ver buiten het rijk van koning Kelmnar. Deze werden verwerkt in prachtige sieraden. Als twee onbegaanbare bewakers staan de bergruggen achter de stad die hen veiligheid garanderde. Dit zorgde ervoor dat Neamna met alleen bewakers aan de kant van het vlakke land zichzelf veilig kon houden. En zo was het dat de stad, zichzelf voor vele jaren in stand kon houden. Hoewel Koning Kelmnar en de stad veilig waren zorgde de koning ervoor dat met elke uitbreiding, ook de verdediging niet vergeten werd. Een overmoedige koning of landrover zou zomaar op kunnen doemen en alles over kunnen nemen of verwoesten. 

    Op de dag dat koning Kelmnar vijfentwintig jaar op de troon zat werd er een groots feest gevierd. De koningen van de omliggende landen werden uitgenodigd om zijn jubileum met hem te vieren. In de grootste zaal van de stad werd een groots diner georganiseerd. Overal in de stad waren tafels op straat gezet en mensen aten en dronken samen om de koning zijn jubileum te vieren. Er klonk muziek door de hele stad.

    Ben zo terug – Bart

  • Eeuwige regen 1/4

    Zij zaten bij het vuur. De herberg was vol gelopen met mensen uit de buurt. De drukte van gepraat, de glazen op de tafels. Buiten was het grijs geworden, de donkere luchten samengetrokken en de zon was helemaal verdwenen. Het was zowat twee uur eerder donker geworden dan normaal was voor de tijd van het jaar. Aan de kleine tafel aan de rand van de haard, waren de twee vreemden stil bij elkaar gaan zitten. De broeken met modder besmeurd, waren zij zo dicht mogelijk bij de warmte van de haard gekropen om te drogen. ‘Kan ik iets voor jullie betekenen?’ de warme donkere stem, kwam van een grote ronde, bebaarde man. Zijn zwarte haar was naar achter gestreken maar zijn krullen waren niet van plan zich te laten temmen. Een snelle glimlach schoot langs zijn lippen en zijn ogen glinsterde. 

    ‘Heeft u voor ons iets warms te eten en een kamer voor de nacht?’ had Thennas de man gevraagd. Zijn gezicht, in tegenstelling tot die van de uitbater was scherp en puntig, maar zijn lichte bruinen ogen keken vriendelijk de wereld in. ‘Maar natuurlijk’ had de man gezegd ‘er is nog een kleine kamer met twee bedden. Ik zal zorgen voor wat eten. Willen de heren ook nog iets te drinken?’ Nadat zij beide instemmend geantwoord hadden, waggelde de herbergier naar de bar. Binnen een paar minuten was hij terug met twee kroezen bier en twee borden eten. De stoofpot rook naar kruiden en verse groente en zachtgekookt vlees. 

    Thennas blies de stoom van zijn gevulde lepel, Orgean stak het zonder te denken in zijn mond en brandde zijn verhemelte en tong. Hij dronk een paar grote slokken van zijn bier. Nadat zij hun eten op hadden waren beide onderuitgezakt. ‘Hebben de heren genoeg gehad?’ vroeg de herbergier. Orgean zette de borden op elkaar, gaf deze aan en vroeg nog twee kroezen te vullen. Herbergier nam de borden aan en vulde de kroezen. Schuim kwam tot boven de rand uit. ‘Zo’, zei hij toen hij ze voor Thennas en Orgean had neergezet. Langzaam dronken de mannen hun kroezen leeg terwijl zij de bevolking in zich opnamen. De mensen waren hier gewoon, dat is te zeggen er was eigenlijk niets bijzonders aan de mensen. De smid en zijn knecht zaten aan de bar. Er was een plagende toon in zijn stem toen hij aan de herbergier uitlegde wat de jongen verkeerd gedaan had. ‘… weet je Turing, dat jong werkt al een jaar in de smederij en nog weet hij zijn klauwen te branden aan het aambeeld, terwijl hijzelf het ijzer erop gesmeed heeft!’ De smid schaterlachte, zijn knecht had het rood op zijn wangen staan. De vrouwen van een paar boeren waren bij elkaar gaan zitten en spraken over de kinderen en het herstel aan de kleding van de zoons. Aan de andere kant van de tafel waren de boeren in gesprek over het weer en hoe de natte grond de rest van de oogst zou beïnvloeden. Nadat de meeste van de mensen uit het dorp gegeten hadden en hun kroezen leeg, gingen zij terug naar huis. Een enkeling bleef nog. Het gezellige geroezemoes van eerst, verstilde wat.  

    ‘Mag ik vragen waar de reis naartoe gaat’ vroeg Turing. De herbergier stak zijn hand uit naar Orgean, ‘Turing’ zei hij en schudde ook de hand van Thennas. Toen zei zichzelf voorgesteld hadden nam Orgean het woord. ‘Wij zijn op weg naar Neamna aan de voet van de Leeuwenkopsberg.’ Turing keek de mannen verwonderd aan. ‘Dan hebben de heren nog een lange reis te gaan’ zei hij. De haren aan zijn slapen waren grijzend. Het vrolijke ronde gezicht vertrok en de lijnen rond zijn ogen werden dieper. ‘Door de eindeloze regen?’ voegde hij eraan toe. Orgean zag de kleine verschuiving in het gezicht van Turing. ‘Wat is de eindeloze regen?’ Thennas keek verbaasd. ‘Een legende!’ zei hij nors. De smid en de knecht waren opgestaan en groette Turing en verlieten de herberg. ‘Laat me nog iets voor jullie inschenken’ zei Turing. Hij vulde de kroezen en schonk een klein glas vol met een donkerbruine drank en zette deze op de tafel. Vóór Turing ging zitten legde hij nog een paar blokken hout in het vuur. Bij het licht van de lampen was er een gouden waas in het kleine glas van de herbergier zichtbaar. ‘Laat me je het vertellen’ zei hij terwijl hij ging zitten aan de tafel.

    Lees hier verder

    Ben zo terug – Bart

  • Vakantie lezen… 2 (terug op aarde)

    Het witte marmer was door het weer grijs geworden, zo grijs als de loden delen op de daken van de kathedraal. Een jonge man klom over de leien naar boven om de waterspuwers te bereiken. Achter hem kwamen twee mannen aan. Hun vuisten geheven, bleven zij achter de balustrade staan. Het geschreeuw was, van het plein beneden, te horen. Zelfs boven het geluid van de markt uit. Er was iets onnatuurlijks aan de mannen. Het leek net of het donkerder om hen heen was. Alsof het licht door hun boosheid werd beïnvloed.
    Op het plein gebeurde iets geks. De wereld leek even door niets te kunnen worden veranderd. Het geschreeuw was duidelijk hoorbaar, maar er leek niemand op te reageren. Niemand keek met verbazing naar boven wat er precies gaande was op het dak van de grote kerk. Het hele bestaan van de mannen leek onopgemerkt te blijven. 

    Een derde man voegde zich bij de twee. De jonge man klom steeds hoger. Toen ik mijn blik terug liet gaan van de mensen op het plein naar de mannen op het dak; keek de man die zich het laatst bij de twee had gevoegd, mij recht aan. En het was stil, opeens was hij weg. ‘Waar kijk jij naar?’ de baardharen prikkelde in m’n nek. Verschrikt keek ik naast mij en stond hij daar. Naast mij op het plein. ‘Maar…’ ik keek terug omhoog. ‘U… stond net daarboven’ probeerde ik te duiden wat er gebeurd was. 
    ‘Waar sta je naar te kijken?’ vroeg de zware stem nogmaals. ‘Ik…’ zijn gezicht was streng belijnd. ‘ik… er klimt iemand over het dak’ maakte ik mijn zin af. De man keek omhoog en weer terug naar mij. 

    ‘Wat wil je drinken?’ 

    ‘Hey! Wat wil je drinken?’ James keek mij vragend aan. Zijn handen open. 
    ‘Ow … uhm doe maar een Colaatje’ zeg ik enigszins verward. Ik leg de bladwijzer tussen de pagina en sla het boek dicht. 

    Ben zo terug – Bart 

  • Vakantie lezen… (verdwalen)

    Het t-shirt plakte tegen mijn rug. De warmte werd wat dragelijker door een zuchtje wind dat de nieuwe takken van de bomen liet wiegen. Even was ik dáár… zittend in de stoel tussen het gele gras. De zwarte letters zogen mij weer van die plaats, naar een universum vol dromen. 

    Ben zo terug – Bart 

  • Metafoor

    Midden in zijn pas, bevroren. De tijd stilgezet ten behoeve van het beeld.

    Hij houdt zijn lange regenjas dicht geklemd met de vuist op zijn borst. De twee flappen zijn door de storm naar achter geslagen. Zijn andere hand heeft de zuidwester beet gegrepen en half voor zijn gezicht getrokken. Met grote passen baant hij zich een weg door het natuurgeweld; voorovergebogen tegen de druk die op hem losgelaten wordt. Het is alsof hij zo naar buiten is gerend, haastig de warmte van zijn woning verlaten. En toch…

    Het heldergroene gras komt tot zijn knieën. De helmen staan fier overeind, licht te schommelen in de warme wind. Het licht van de zon brandt op het asfalt dat op sommige plekken zacht is geworden. De geur van teer, grond en drogend gras van een pas gemaaid weiland, walmt op en wordt meegedragen door de wind. De lucht wordt hier en daar bevolkt door helderwitte wolken, die schaduwen werpen op het landschap. 

    Daar staat hij, vastgelegd in een storm, in de brandende zon.  

    Ben zo terug – Bart 

  • Ach, Chaos

    I

    De nachtegaal zong het laatste maanlicht uit de donkerblauwe hemel. Of misschien was het de trein die zijn laatste trilnoot brak en het natuurlijke bestaan van de stille wereld terugbracht naar zijn dagelijks, mechanisch gekletter. Geronk van motoren, gerinkel van glas, mobiletelefoons en de stilte van digitale gesprekken. Even snel als het natuurlijke doorbroken werd, was het mechanische weer voorbij. De trein verder gereden en mensen uit het zicht. Althans, als je niet te dicht bij de bewoonde wereld bleef, de denderende snelwegen of het mensenlijkbestaan. Over een half uur kwam de volgende rij stampende wagons voorbij. ‘Je kan je klok erop gelijkzetten’ zullen mensen zeggen. Het gemaakte leven of het leven gemaakt; ‘het is maar net wie je ‘t vraagt’. De eerste auto’s bevolken het asfalt plus geanimeerd geclaxonneerde woordenwisselingen. Net als elke ochtend vullen de stroken zich snel. Een aderlating door trombose gestelpt.
    Als je aan het einde van de wereld komt stopt de weg, is er nog wat gras en land dat langzaam over gaat in verlaten eenzaamheid en zand en water en eindeloze luchten. De wind raast er roekeloos. Een onbedachte vreemdganger zal er verdwalen in de openheid. Weggedreven van de kudde. Zoals een spreeuw die is losgekomen van de zwerm en zich haast weer bij zijn groep te voegen. Zo ook…
    ‘Ach, Chaos’ zullen mensen zeggen met een meewarige blik naar mij gericht. ‘Het is een ophoping van ongeplande zaken die de wereld langzaam ontwricht’. De stoplichten en borden en de lijnen op de weg. De tijden en de duiders. ‘Er is niets dat niet zal worden opgelost, noch door ritmes of regels’. Het onduidelijke, inzichtelijk gemaakt. Dan zal ik even stil zijn en rondom mij heen kijken.
    ‘Maar wie…’ zal ik vragen. ‘Wie bepaald wat orde is?’

    II

    ‘Maar wie…’ zal ik vragen. ‘Wie bepaald wat orde is?’
    Dan zal ik even stil zijn en rondom mij heen kijken. Het onduidelijke, inzichtelijk gemaakt. ‘Er is niets dat niet zal worden opgelost, noch door ritmes of regels’. De tijden en de duiders. De stoplichten en borden en de lijnen op de weg. ‘Het is een ophoping van ongeplande zaken die de wereld langzaam ontwricht’. ‘Ach, Chaos’ zullen mensen zeggen met een meewarige blik naar mij gericht.
    Zo ook… Zoals een spreeuw die is losgekomen van de zwerm en zich haast weer bij zijn groep te voegen. Weggedreven van de kudde. Een onbedachte vreemdganger zal er verdwalen in de openheid. De wind raast er roekeloos. Als je aan het einde van de wereld komt stopt de weg, is er nog wat gras en land dat langzaam over gaat in verlaten eenzaamheid en zand en water en eindeloze luchten.
    Een aderlating door trombose gestelpt. Net als elke ochtend vullen de stroken zich snel. De eerste auto’s bevolken het asfalt plus geanimeerd geclaxonneerde woordenwisselingen. Het gemaakte leven of het leven gemaakt; ‘het is maar net wie je ‘t vraagt’. ‘Je kan je klok erop gelijkzetten’ zullen mensen zeggen. Over een half uur kwam de volgende rij stampende wagons voorbij. Althans, als je niet te dicht bij de bewoonde wereld bleef, de denderende snelwegen of het mensenlijkbestaan. De trein verder gereden en mensen uit het zicht. Even snel als het natuurlijke doorbroken werd, was het mechanische weer voorbij. Geronk van motoren, gerinkel van glas, mobiletelefoons en de stilte van digitale gesprekken. Of misschien was het de trein die zijn laatste trilnoot brak en het natuurlijke bestaan van de stille wereld terugbracht naar zijn dagelijks, mechanisch gekletter. De nachtegaal zong het laatste maanlicht uit de donkerblauwe hemel.

    III

    ‘Ach, Chaos’ zullen mensen zeggen met een meewarige blik naar mij gericht. ‘Het is een ophoping van ongeplande zaken die de wereld langzaam ontwricht’. De stoplichten en borden en de lijnen op de weg. De tijden en de duiders. ‘Er is niets dat niet zal worden opgelost, noch door ritmes of regels’. Het onduidelijke, inzichtelijk gemaakt. Dan zal ik even stil zijn en rondom mij heen kijken.
    ‘Maar wie…’ zal ik vragen. ‘Wie bepaald wat orde is?’
    Als je aan het einde van de wereld komt stopt de weg, is er nog wat gras en land dat langzaam over gaat in verlaten eenzaamheid en zand en water en eindeloze luchten. De wind raast er roekeloos. Een onbedachte vreemdganger zal er verdwalen in de openheid. Weggedreven van de kudde. Zoals een spreeuw die is losgekomen van de zwerm en zich haast weer bij zijn groep te voegen. Zo ook…
    De nachtegaal zong het laatste maanlicht uit de donkerblauwe hemel. Of misschien was het de trein die zijn laatste trilnoot brak en het natuurlijke bestaan van de stille wereld terugbracht naar zijn dagelijks, mechanisch gekletter. Geronk van motoren, gerinkel van glas, mobiletelefoons en de stilte van digitale gesprekken. Even snel als het natuurlijke doorbroken werd, was het mechanische weer voorbij. De trein verder gereden en mensen uit het zicht. Althans, als je niet te dicht bij de bewoonde wereld bleef, de denderende snelwegen of het mensenlijkbestaan. Over een half uur kwam de volgende rij stampende wagons voorbij. ‘Je kan je klok erop gelijkzetten’ zullen mensen zeggen. Het gemaakte leven of het leven gemaakt; ‘het is maar net wie je ‘t vraagt’. De eerste auto’s bevolken het asfalt plus geanimeerd geclaxonneerde woordenwisselingen. Net als elke ochtend vullen de stroken zich snel. Een aderlating door trombose gestelpt.

    Ben zo terug – Bart