Soms kan kleine vreugde je opeen overvallen. Een vlinder die onverwachts op je shirt gaat zitten. Een vis die boven het water uit springt om een vliegje te vangen. Een regenboog aan kleuren die zich aftekent op de muur als de zon door een glas water schijnt. Een dichtregel die precies pakt wat je voelt maar waar je nooit de worden voor hebt gehad. Een liefde die je leven binnenvalt. Veel kleurig mos op een gevallen boomstam in een lichtbundel die precies door de bladeren schijnt. Dat schilderij waar je iets in ziet dat je eerder nog niet was opgevallen.
Een nevelachtige wolk van beelden uit de dag aangevuld door fantasie word als een werkelijkheid. Zonder dat ik daar maar iets aan doe. Appels zo groot als huizen vallen met doffe ploffen op het gras. Ik weet niet of ik klein ben of de appels juist heel groot. Maar de mieren zijn hun gewone grote. Zo staand tussen die appelen veranderd de zon in de maan. Iets te snel. De lucht gaat van helder blauw naar bijna zwart en de sterren worden zichtbaar. Ze vliegen om mij heen als kleine raampjes, waardoor ik uit zicht heb op de normale wereld.
In de schaduw wacht een wereld van witte bladzijde en zwarte letters. Een gevecht tussen gedachten en de omschrijving daarvan. Of beter nog het idee en de gevoelens die ons mee voeren naar een andere wereld. Of ons als lezer een spiegel voorhoudt over in welke wereld we eigenlijk bestaan. Van gedichten naar brieven en via proza terug naar poëzie. Bezoeken we zijn vroege gedachten in verzen die bijna kinderlijk eenvoudig zijn tot overweldigende beelden die een indruk geven van de belevingswereld van de poëet. Van prachtig mooi tot gruwelijke exemplarisch voor de wereld waarin wij tot nu toe bestaan.
We zijn hier nog maar drie of vier dagen. Misschien is het de routine die zelfs hier zijn pad heeft gevonden. Elke ochtend als ik opsta laat ik de hond uit, zwaai naar het oude vrouwtje achter het veel te volle raam en groet de postbode. De tweede dag was ik al Bart voor hem, zijn naam is Jean. Hij heeft een zwarte labrador, twee kinderen en is getrouwd. Hij woont in het huis waar hij is opgegroeid; twee dorpjes verderop. Het zijn maar kleine gesprekjes, in kreupel Frans, die maken dat ik het gevoel heb hier thuis te zijn.
‘Opa jij hebt sproeten’ zijn vinger trekt de omtrek van de sproeten op opa’s arm.
‘Ja roest. Dat krijg je als je ouder word dan begin je te roesten.’ Zegt opa, een glinstering in zijn ogen.
‘Neeeee, dat is niet zo. Toch?’
‘Mama opa zegt dat hij roestig is… door de sproeten.’ Zijn moeder steekt haar hoofd uit de keukendeur naar buiten en schud haar hoofd. Zogenaamd boos naar opa kijkend, alsof zij zeggen wil: “geen wilde verhalen ophangen tegen mijn zoon”
‘Jij hebt toch ook sproetjes?’ Vraag opa wijsend op de arm van zijn kleinzoon. ‘Komt door de zon’
‘Ik bedoelde niet…’ probeerde Ander. Hij weerhield zichzelf de zin af te maken. ‘Dat begrijp ik,’ antwoorde ik alleen. Wij moeten beide weggekeken hebben, want toen ik terugkeek had hij zijn gezicht van mij afgewend. Ik liep de vijf stappen van het lichtknopje naar mijn bed en ging op de rand zitten. Het ledikant kraakte zachtjes. ‘Moet je ver naar huis?’ vroeg ik hem. Ander draaide zich om en met een paar flinke passen stond hij voor het bed. ‘Niet zo ver…’ zei hij terwijl hij ging zitten. ‘De kortste route is via de steegjes.’ Wij keken allebei recht voor ons uit. Alsof naar elkaar kijken, was als het kijken in de zon. Ander liet zijn blik op zijn handen rusten en speelde wat met zijn vingers. Als een kind, dat zenuwachtig is. ‘Het lijkt mij beter, nu via de straat te lopen.’ ging hij verder ‘Iets meer licht. Het is maar één straat verder, maar toch…’
Handschrift
‘Dank je wel dat je mij thuis bracht’ fluisterde ik verlegen. Het voelde niet genoeg, maar ik wist ook niet hoe ik er meer van kon maken. Te veel gevoelens tegelijk om onder woorden te brengen. Ander stond op en liep naar de deur. Hij draaide de sleutel om in het knarsende slot. Ik zat nog wat verwezen op de rand van het bed, in mijn onvermogen om mijn gevoelens onder woorden te brengen. Hij draaide zich naar mij toe en in een paar stappen stond hij voor mij. ‘Dank je wel’ zei hij terwijl hij zich voorover naar mij toe boog. Met zijn hand duwde hij mijn kin zachtjes omhoog, mij naar zijn lippen leidend en kuste mij vol tederheid.
Voor hij naar buiten stapte keek hij nog een keer om. ‘Dank je wel voor de fijne avond hier’ zei hij met een kleine knik van zijn hoofd. Als hij een hoed zou hebben gehad had hij die met zijn vinger opgetikt. ‘Volgende keer hoop ik op meer tijd’ voegde hij er glimlachend aan toe terwijl hij de deur uit stapte. Ik hoorde zijn voetstappen in het trappenhuis verder van mij verwijderen en stond op. Toen ik het gordijn open schoof, stond hij beneden voor de Hebreeuwse boekwinkel aan de overkant van de straat, zwaaide en liep de straat uit.
Ander zag er wat besluiteloos uit zo voor de open deur. Met een wijds gebaar nodigde ik hem uit naar binnen te komen. Zonder verder iets te zeggen liepen wij naar de dubbele openslaande ramen. Wij keken van bovenaf neer op de straat, verwachtend de twee figuren daar te zien dralen. Maar de straat was verlaten. Zo van bovenaf gezien, in de veiligheid van mijn kamer, leek het lichter. Zelfs de schaduwen waren minder zwart. Ander had zich in de leesstoel laten zakken. De stoel stond voor het raam, niet om naar buiten te kijken maar om te zitten lezen bij de verwarming. Ik was op de poef gaan zitten. Beiden sloegen wij een zucht van opluchting. Tot onze ogen elkaar kruisten en wij lachten opnieuw. Deze keer van opluchting. Het was voorbij. Het leek of Ander alle zekerheid die hij eerder had laten zien, had verloren.
Er was iets zachts in zijn gezicht. Telkens als zijn ogen op mijn gezicht rustten en ik terugkeek, wende hij snel zijn blik af. Zo zaten we in het licht dat van de lantarens, via de straat tegen het plafond de kamer binnen kwam. Er hingen wolken verstild in de lucht als een kring rond de maan, die wat extra licht de kamer binnen hielp. Het was op dat moment dat ik pas in de gaten kreeg hoe koud ik het had. Ik draaide mij naar de verwarming en legde mijn handen op het gietijzer, om ze te laten ontdooien. ‘Heb je…’ zijn stem stokte. Ander kuchte en probeerde opnieuw: ‘Heb je het koud?’ ik knikte ‘ik ook,’ zei hij zich draaiend naar de verwarming. Een rilling trok door mijn lichaam die ik probeerde te onderdrukken.
‘Mag ik vragen waar je vandaan komt? Ik hoor iets van een andere tongval’ vroeg ik Ander. ‘Oorspronkelijk kom ik uit Denemarken. Ik ben min of meer gevlucht…’ zijn uitleg stopte en verzonken in zijn gedachten bleef er een stilte hangen tot hij die zelf opmerkte, ‘En waar kom jij vandaan? Als ik het goed hoor klinkt er iets van Nederlands door.’ Ik knikte bevestigend. ‘Ja dat heb je goed gehoord’ zei ik. In mijn achterhoofd speelde iets van onzekerheid. Ondanks dat we binnen waren en de figuren niet meer konden zien, kon ik mij niet helemaal los maken van de gedachten dat wij van buiten misschien toch werden bespied.
‘Je maakt je zorgen,’ observeerde Ander mijn gezicht. Ik stond op en sloot het donkerrode overgordijn en zette de lichten aan. Het gele licht deed alles warmer aanvoelen, het maakte mij rustiger.
‘Ik denk dat ik nog steeds het gevoel heb dat er iemand mee kan kijken.’ Legde ik uit. Ander glimlachte terwijl onze blikken elkaar even vasthielden in begrip over de situatie. Ongemakkelijk keken wij beide weg. Daarna, beurtelings weer naar elkaar. Observaties in ogenblikken, een studie in momenten van onoplettendheid.
‘Wil je dat ik ga?’ Hij vroeg het alsof het hem pijn deed die woorden uit te spreken.
‘Liever niet,’ het was uit mijn mond voor ik er helemaal goed over nagedacht had. Ik voelde mijn gezicht kleuren. Opeens was ik warm, zweette ik.
‘Ik wilde ook liever blijven.’ Ander’s ogen ruste op mij alsof hij probeerde meer te zien. Mijn hand, nog steeds op het lichtknopje. ‘Ik ben blij dat ik de moed had om naar je toe te stappen vanavond.’ Het was zijn beurt om te blozen.
We staken de straat over om aan het einde links af te slaan. Het was nog maar een paar honderd meter tot de voordeur. De twee figuren bleven achter ons aanlopen. Wij stopte voor de deur. Terwijl ze langs ons liepen hielden zij hun pas in. Zo vlug als ik kon, draaide ik de deur open. Wij stapte naar binnen in een gloed van warm licht, weg van de donkere straat. In mijn paniek had ik de deur met volle kracht dicht gesmeten. Bang, dat zij zich met gemak naar binnen zouden dringen. Ik ontspande mij en wij lachten beide ongemakkelijk terwijl ik Ander zijn arm los liet en wij ons naar de trap draaide.
‘Wat gebeurt er allemaal!’ klonk er van boven uit het trappenhuis. Ik herkende de stem van mijn onderbuurvrouw. ‘Niets aan de hand!’ stelde ik haar gerust bij het beklimmen van de eerste treden. Nu zag ik Ander pas goed. Er glom iets van rood door in zijn haar, dat naast die glans meer bruin was. Onze voetstappen klonken nauwelijks op de stenen treden die naar de eerste verdieping leidde. De vloer ging over in parket met een loper in het midden van de overloop. Daarna waren het houten treden die ons krakend naar de derde verdieping hielpen. Ander bleef naast mij lopen, met dezelfde houding, die hij had toen we elkaar in de club ontmoette. ‘Hier is mijn kamer,’ wees ik naar de deur. Ik stapte naar voren en opende de deur. Ander stond met zijn handen achter zijn rug te wachten.
Nog steeds was er niemand te zien. Maar het gevoel dat wij achtervolgt werden werd steeds sterker. In een portiek stond een oudere man te praten met zijn buurvrouw. Toen hij opkeek viel er een soort onrust over zijn gezicht. Niet door ons, hij had langs ons gekeken en iets gezien dat hem zorgen baarde. Binnen een paar seconden hadden hij en de buurvrouw afscheid genomen en waren de voordeuren dicht geslagen. De voetstappen achter ons versnelde. Toen ik opnieuw omkeek zag ik één van de jonge mannen uit de club het lantarenlicht uit stappen. ‘Ander,’ zei ik zacht ‘ze zijn hier!’ met de laatste woorden schoot mijn stem een octaaf omhoog. Ik kneep in zijn arm. ‘De mannen uit de club…’ voegde ik toe.
Ander pakte met zijn vrije hand mijn schouder. ‘Rustig blijven!’ zei hij met zijn gezicht naar mij gedraaid. Onrust had bezit van mij genomen. Elke schaduw kreeg een onguur trekje. De portieken en steegjes leken nog wel meer gehuld in duisternis. De lantarens die ons eerst nog bijgeschenen hadden, dimde hun licht. Alsof zij zich overgegeven hadden aan de schimmige figuren; de voorkeur geven aan hun overwinning. De voetstappen klonken niet meer. Zelfs het geluid had zich gecapituleerd!
Het einde van de straat kon mij niet spoedig genoeg dichterbij komen. De steegjes in duisternis gehuld, leken allemaal gevuld met kwade opzet en schimmige types. Alsof wij elk moment het zwart konden worden in getrokken en alleen met een gebroken lichaam weer terug konden keren in het licht. Onder de straatlamp, aan het einde van de weg, stond één van de jonge mannen opzichtig te roken zodat wij hem zouden zien. Een hooghartige glimlach op zijn gezicht. Achter ons was de andere man uit de schaduw gestapt. Liep nonchalant fluitend met een wapenstok te zwaaien. ‘Ze jagen ons op!’ fluisterde Ander mij toe, ‘laat je niet opjutten!’ De rokende man moet iets hebben gezien in mij wat hem nog vrolijker stemde. Zijn glimlach bereikte nu ook zijn ogen, zijn mond opende zich in een geluidloze lach. ‘Geef ze geen aanleiding om ook maar iets te doen!’
Het was koud buiten. De ijzigheid die we binnen voelde was als een koude natte grot, bedompt. Hier buiten was de kou fris. De stroom van mensen vulde de donkere straat. Hier was geen dreiging die ieder moment kon omslaan in geweld. Veilig was het ook niet. We waren allemaal gewend geraakt aan de onderstroom die bezit had genomen van de stad. Voor we aan de hoek van de straat kwamen hoorde we geschreeuw vanuit de open deuren van de club. Er vielen twee mannen naar buiten, rollend over de grond. Scheldend en tierend in de nacht. Opnieuw maakte men zich uit de voeten. Het leek alsof zij door deze dreiging werden achtervolgd, er geen ontkomen aan was.
De rest van de groep en de uniformen waren ook naar buiten gekomen moedigde aan en in sommige gevallen namen zij deel aan de afranseling die gaande was. De mensen die al buiten stonden werden met harde hand uit de weg geduwd. Zonder tegenspraak onderging het merendeel deze behandeling. Vanuit verschillende mensen werd hun ongenoegen geuit. Vooral als zij op afstand waren. Maar het ongenoegen keerde zich langzaam tegen de mensen die de club uit waren gekomen. Als een groep jagers waaierde zij zich in alle richtingen uit. We sloegen de hoek om. Langs het grote warenhuis waar de verlichte ruiten hun waren tot diep in de nacht tentoonstelde. Zij gaven iets van rust. Tot de hoek waar wij de straat overstaken. Ander kalmeerde mij op de een of andere manier. De straatlantarens beschenen afgebakende cirkels op het trottoir. Als statige supposten die bijschijnen in een donkere theaterzaal.
Achter ons klonken nonchalante voetstappen, te ver weg om duidelijk te onderscheiden of het om één of meerdere paren ging. ‘Rustig door blijven lopen,’ zei Ander langzaam en zacht. Dat was voor het eerst dat ik zijn accent hoorde. Ik kon alleen niet onderscheiden waar hij vandaan kwam. Ander keek schichtig over zijn schouder. ‘Ze steken over,’ voegde hij toe. Het voelde alsof hij mij daarmee gerust wilde stellen. Ook ik keek even over mijn schouder. De twee mannen waren al aan de andere kant van de straat en liepen een steeg in. ‘Waar moet je naartoe?’ vroeg Ander zonder op te kijken. Voetstappen klonken wederom, wij keken beide op. Een echtpaar kwam ons arm in arm tegemoet. Ik hield nog steeds Ander zijn arm vast. De vrouw haar blik bleef op ons hangen, zelfs toen zij ons voorbij was, keek zij nog een aantal keer achterom.
‘De volgende straat moeten we links, die lopen we helemaal uit en rechts om de hoek is mijn kamer,’ vertelde ik Ander. Hij knikte. Opnieuw klonken voetstappen, deze keer achter ons. Maar bij het achterom kijken zag ik niemand. ‘Verbeeld ik mij voetstappen te horen?’ vroeg ik Ander. Hij schudde zijn hoofd, maar zei niets. Ik keek opzij maar zag daar ook niemand. Nogmaals achter ons. Even meende ik een schaduw te zien bewegen… niets! We sloegen zwijgend links af. In de halfschaduw van een steegje stond iemand. De gloed van de smeulende sigaret die zo nu en dan sterker oplichtte, verraadt de figuur. Toen we dichterbij kwamen liet deze zich door het duister verhullen. Alleen het rookwolkje van de sigaret op de grond, gaven nog bewijs van de persoon. Naast het steegje aangekomen was er niemand meer.