Tag: Bos

  • Verloren

    Verloren

    Onzeker zette ik mijn voet op een even pad. Ik kon de stenen door de zool van mijn schoenen voelen. Het leek het meest op afgesleten stenen in een oude stad. Kinderkopjes in het bos? Het donker hield ze uit mijn zicht. Het gaf in ieder geval een wat stabielere voeting. Een rank haakte zich vast in mijn shirt, het leek mij bij zich te willen houden. Als ik mij aan de weerhaakjes heb ontworsteld en verder stap word ik door blaadjes in mijn gezicht geslagen. Ik knipper…

    Zo strompelde ik vantussen de letters in zwart op het wit papier.


    Ben zo terug – Bart

  • Verduistering

    Verduistering

    Zo was het licht en zonder dat de zon onder ging schemerde het. Eigenlijk had ik het eerst niet zo erg in de gaten. Ik had mij ter afkoeling verscholen tussen de naaldbomen. Zij hielden iets van de koelte en het donker van de nacht vast. Dat was ook de reden dat ik het niet in de gaten had gehad. Het was hier aangenamer dan in de openlucht. Het zou een korte wandeling in de schaduw worden. Een klein gaatje tussen de dennennaalden liet één enkele zonnestraal door. Op de grond werd een ronde stip geprojecteerd met een hapje eruit. 


    Ben zo terug – Bart

  • Kleine fantasie II

    Een kleine vogel kwam wild fladderend tussen de takken vandaan. ‘Hier’, Julian had iets te eten uit zijn rugzak gepakt. Het mos op de grond was zacht en voelde aan als een kussen. ‘Wij kunnen hier niet te lang blijven’, hij nam een hap en keek om zich heen. ‘Verderop is water, daar kan niemand ons zien’. Zijn hoofd draaide abrupt en hij zakte door zijn knieën, ‘hoorde je dat?’ siste hij. Ik keek of ik iemand zag. Takken breken niet vanzelf. Zo stil mogelijk bewogen wij ons richting het water. Verder tussen de bomen durfden wij gewoon te lopen.

    Ben zo terug – Bart

  • Kleine fantasie I

    ‘Achter de struiken!’ Julian duwde mij door een kleine opening tussen de takken. Ademloos verscholen wij ons, uit het zicht. Zware voetstappen kwamen recht op ons af. Mompelend bleef hij op het bospad staan. Het was zomer, de dagen warm en de schaduw onder de bladeren koel. Wij slopen verder tussen de takken terwijl de grote man zich om draaide en verder liep. Hij was lang, zeker over de twee meter, een reus in onze ogen. Zijn zware stem donderde tussen de bomen. Zijn blik eindeloos op de grond gericht. Achter een grote eik gingen wij op de grond zitten.

    Ben zo terug – Bart