Tag: Schrijven

  • Kleine vreugde

    Kleine vreugde

    Soms kan kleine vreugde je opeen overvallen. Een vlinder die onverwachts op je shirt gaat zitten. Een vis die boven het water uit springt om een vliegje te vangen. Een regenboog aan kleuren die zich aftekent op de muur als de zon door een glas water schijnt. Een dichtregel die precies pakt wat je voelt maar waar je nooit de worden voor hebt gehad. Een liefde die je leven binnenvalt. Veel kleurig mos op een gevallen boomstam in een lichtbundel die precies door de bladeren schijnt. Dat schilderij waar je iets in ziet dat je eerder nog niet was opgevallen.


    Ben zo terug – Bart

  • Landziekte

    Landziekte

    Het duurde even voor ik in de gaten had wat er precies aan de hand was. Bij het ontwaken overspoelde het mij als een golf die probeerde mijn lichaam onder water gedrukt te houden. Melancholie, verlangen hielden mij nog even op mijn matras gevangen. Het kwam in die zelfde golven, ze maakte mij misselijk. Een onverklaarbaar verdriet dat half onder de oppervlakte blijft hangen. Niet om iets grijpbaars. Ik had wel kunnen bedenken wat het was, had alleen even niet opgelet. En dus pas toen ik mijn broodje aan het eten was, overviel het mij opnieuw. 

    Ik wilde naar huis! 


    Ben zo terug – Bart

  • IJdele hoop

    IJdele hoop

    De dag voelde zwaar. Het gewicht van de warmte en het vocht in de lucht. Het schuren tussen de wolken is begonnen. De blauwe regen heeft zijn uitlopers over een lijn lichtjes gedrapeerd en zij hangen stil in de lucht. Een zuchtje wind laat ze schommelen.  Even heeft het waaien soelaas geboden; maar de warmte drukt zichzelf opnieuw tegen mijn lichaam. Vanuit mijn ooghoek zie ik de dikke wolken naar elkaar toe sluipen, alsof zij proberen onopvallend samen te zweren.  Een zachte rommel lijkt het onweer aan te kondigen. Lijkt, maar zelfs een paar uur later is er niets gekomen. 


    Ben zo terug – Bart

  • Verwildering

    Verwildering

    Op een klein achteraf, net buiten het openbaar zicht, in een hoekje achter de blauwe regen. Staat een muurtje dat langzaam overgenomen wordt. Een verticale geheime tuin. Waar de natuur zich stiekem, in alle stilte, voorzichtig uitstrekt. Waar een oude granieten waterbak, overgroeid door mos; onnodig staat te zijn.  Een beginnende boom heeft zich door het steen gebroken. Drie zinken  petroleumvaten op een rijtje half onder die blauweregen. Een beginnend groen tapijt trekt zich over de tegels uit. Jonge varens hebben zich hier in de muren vast gezet. Het is bijna een huiskamer. Maar dan een die is vergeten.


    Ben zo terug – Bart

  • Sneeuw in steen

    Sneeuw in steen

    ‘Kijk eens wat ik gevonden heb!’ 

    ‘Kind wat mooi’

    ‘Het lijkt wel sneeuw’

    ‘Dat zou zomaar wel eens kunnen’ 

    ‘Opa! Dan was het toch allang gesmolten!’

    ‘De God van ijs en sneeuw en de God van de Bergen hadden heel lang geleden ruzie. Telkens als de god van sneeuw en ijs de bergen had besneeuwd dan gooide de god van de bergen er stenen overheen. Zo kwam de sneeuw tussen de stenen klem te zitten. Onder de druk van al die zware stenen werd de sneeuw samengeperst tot hele kleine kristalletjes; die net zo schitteren in de zon als sneeuw’



    Ben zo terug – Bart

  • Zomerwarmte

    Zomerwarmte

    Het is warm en droog, maar  vooral heel warm. Zo warm dat zelfs de bladeren herfstkleuren beginnen  aan te nemen. Zo af en toe drommen wolken zamen, sluiten de zon even buiten. Echt helpen doet het niet. Even lijkt het beter als er een simpel briesje opsteekt. Maar schijn bedriegt. De wind is warm; net zo warm als de rest van de wereld. De wolken dragen water, maar regen valt er niet. Als de wolken uiteen worden getrokken schijnt de zon met extra verve. Het ritselen tussen de bladeren zorgt voor een wolk van gele bladeren die naar beneden vallen.

    Ben zo terug – Bart

  • Leven in een kistje XIII (De eerste keer 8 einde)

    Leven in een kistje XIII (De eerste keer 8 einde)

    ‘Ik bedoelde niet…’ probeerde Ander. Hij weerhield zichzelf de zin af te maken. 
    ‘Dat begrijp ik,’ antwoorde ik alleen. Wij moeten beide weggekeken hebben, want toen ik terugkeek had hij zijn gezicht van mij afgewend. Ik liep de vijf stappen van het lichtknopje naar mijn bed en ging op de rand zitten. Het ledikant kraakte zachtjes. ‘Moet je ver naar huis?’ vroeg ik hem. Ander draaide zich om en met een paar flinke passen stond hij voor het bed. ‘Niet zo ver…’ zei hij terwijl hij ging zitten. ‘De kortste route is via de steegjes.’ Wij keken allebei recht voor ons uit. Alsof naar elkaar kijken, was als het kijken in de zon. Ander liet zijn blik op zijn handen rusten en speelde wat met zijn vingers. Als een kind, dat zenuwachtig is. ‘Het lijkt mij beter, nu via de straat te lopen.’ ging hij verder ‘Iets meer licht. Het is maar één straat verder, maar toch…’

    Handschrift

    ‘Dank je wel dat je mij thuis bracht’ fluisterde ik verlegen. Het voelde niet genoeg, maar ik wist ook niet hoe ik er meer van kon maken. Te veel gevoelens tegelijk om onder woorden te brengen. Ander stond op en liep naar de deur. Hij draaide de sleutel om in het knarsende slot. Ik zat nog wat verwezen op de rand van het bed, in mijn onvermogen om mijn gevoelens onder woorden te brengen. Hij draaide zich naar mij toe en in een paar stappen stond hij voor mij. ‘Dank je wel’ zei hij terwijl hij zich voorover naar mij toe boog. Met zijn hand duwde hij mijn kin zachtjes omhoog, mij naar zijn lippen leidend en kuste mij vol tederheid. 

     

    Voor hij naar buiten stapte keek hij nog een keer om. ‘Dank je wel voor de fijne avond hier’ zei hij met een kleine knik van zijn hoofd. Als hij een hoed zou hebben gehad had hij die met zijn vinger opgetikt. ‘Volgende keer hoop ik op meer tijd’ voegde hij er glimlachend aan toe terwijl hij de deur uit stapte. Ik hoorde zijn voetstappen in het trappenhuis verder van mij verwijderen en stond op. Toen ik het gordijn open schoof, stond hij beneden voor de Hebreeuwse boekwinkel aan de overkant van de straat, zwaaide en liep de straat uit.

    Ben zo terug – Bart

  • Leven in een kistje IX (De eerste keer 4)

    Leven in een kistje IX (De eerste keer 4)

    Het was koud buiten. De ijzigheid die we binnen voelde was als een koude natte grot, bedompt. Hier buiten was de kou fris. De stroom van mensen vulde de donkere straat. Hier was geen dreiging die ieder moment kon omslaan in geweld. Veilig was het ook niet. We waren allemaal gewend geraakt aan de onderstroom die bezit had genomen van de stad. Voor we aan de hoek van de straat kwamen hoorde we geschreeuw vanuit de open deuren van de club. Er vielen twee mannen naar buiten, rollend over de grond. Scheldend en tierend in de nacht. Opnieuw maakte men zich uit de voeten. Het leek alsof zij door deze dreiging werden achtervolgd, er geen ontkomen aan was.


    De rest van de groep en de uniformen waren ook naar buiten gekomen moedigde aan en in sommige gevallen namen zij deel aan de afranseling die gaande was. De mensen die al buiten stonden werden met harde hand uit de weg geduwd. Zonder tegenspraak onderging het merendeel deze behandeling. Vanuit verschillende mensen werd hun ongenoegen geuit. Vooral als zij op afstand waren. Maar het ongenoegen keerde zich langzaam tegen de mensen die de club uit waren gekomen. Als een groep jagers waaierde zij zich in alle richtingen uit. We sloegen de hoek om. Langs het grote warenhuis waar de verlichte ruiten hun waren tot diep in de nacht tentoonstelde. Zij gaven iets van rust. Tot de hoek waar wij de straat overstaken. Ander kalmeerde mij op de een of andere manier. De straatlantarens beschenen afgebakende cirkels op het trottoir. Als statige supposten die bijschijnen in een donkere theaterzaal. 

    Achter ons klonken nonchalante voetstappen, te ver weg om duidelijk te onderscheiden of het om één of meerdere paren ging. ‘Rustig door blijven lopen,’ zei Ander langzaam en zacht. Dat was voor het eerst dat ik zijn accent hoorde. Ik kon alleen niet onderscheiden waar hij vandaan kwam. Ander keek schichtig over zijn schouder. ‘Ze steken over,’ voegde hij toe. Het voelde alsof hij mij daarmee gerust wilde stellen. Ook ik keek even over mijn schouder. De twee mannen waren al aan de andere kant van de straat en liepen een steeg in. 
    ‘Waar moet je naartoe?’ vroeg Ander zonder op te kijken.  Voetstappen klonken wederom, wij keken beide op. Een echtpaar kwam ons arm in arm tegemoet. Ik hield nog steeds Ander zijn arm vast. De vrouw haar blik bleef op ons hangen, zelfs toen zij ons voorbij was, keek zij nog een aantal keer achterom. 


    ‘De volgende straat moeten we links, die lopen we helemaal uit en rechts om de hoek is mijn kamer,’ vertelde ik Ander. Hij knikte. Opnieuw klonken voetstappen, deze keer achter ons. Maar bij het achterom kijken zag ik niemand. ‘Verbeeld ik mij voetstappen te horen?’ vroeg ik Ander. Hij schudde zijn hoofd, maar zei niets. Ik keek opzij maar zag daar ook niemand. Nogmaals achter ons. Even meende ik een schaduw te zien bewegen… niets! We sloegen zwijgend links af. In de halfschaduw van een steegje stond iemand. De gloed van de smeulende sigaret die zo nu en dan sterker oplichtte, verraadt de figuur. Toen we dichterbij kwamen liet deze zich door het duister verhullen. Alleen het rookwolkje van de sigaret op de grond, gaven nog bewijs van de persoon. Naast het steegje aangekomen was er niemand meer. 


    Ben zo terug – Bart

  • Leven in een kistje VIII  (De eerste keer 3)

    Leven in een kistje VIII (De eerste keer 3)

    Bij de tafeltjes was enige commotie ontstaan. Eén van de jongens die bij de groep uniformen hoorde was opgestaan, zijn stoel was omgevallen en een glas viel stuk. Een ander hield hem tegen. Eén van de uniformen kwam erbij en schold de man, die tegenover de jongen stond, uit. Het uniform die het verst bij ons vandaan zat bleef maar in onze richting staren, zelfs tijdens de commotie. Alsof hij iets in het donker kon doorgronden, hij ons vanuit het licht kon zien. Het maakte mij onrustig. Ik seinde naar Ander dat we geobserveerd werden. Ander’s wilde ogen veranderde en tegelijk zijn hele houding. Hij bewoog zich achterwaarts en trok mij mee verder de schaduw in. Met een strakke blik op de groep, alsof hij zichzelf als schild had ingezet, draaide hij mij achter zijn lichaam. Toen hij zich omdraaide fluisterde hij,
    ‘We moeten hier weg!’ en greep mijn arm beet.

    Een groepje stamgasten maakte zich uit de voeten voor het gevecht dat was ontstaan. Nog een aantal andere waren ook opgestaan van de omringde tafeltjes. Vanuit verschillende punten dromde mensen richting de uitgang. De piano en het zingen stopte. Er hadden nog meer mensen zich in het gevecht gemengd. In de hectiek trok Ander mij mee. Hopelijk onopgemerkt! Tussen de kapstokken door, mantels en overjassen, zochten wij de onze. Er was geen paniek, er heerste een soort ongemak over een wat een gezellige avond had moeten zijn die in het water viel. En tegelijk een berusting in de wetenschap dat het bijna te voorspellen was dat dit zou gebeuren. 
    ‘Wij gaan niet wachten tot het uit de hand loopt!’ riep een kort gekapte dame in een glitterjurk. ‘Dat is het al’ zei de man die haar in haar mantel hielp, met een diep sarcasme in zijn stem. Ander kwam, van een paar rijen kapstokken verder, met zijn jas aan terug. Tussen de mensen door glipte we naar buiten.  

    Ben zo terug – Bart

  • Leven in een kistje VII (De eerste keer 2)

    Leven in een kistje VII (De eerste keer 2)


    Wij stonden naast de drukte. Een spot scheen op de grond voor de alkoof waar wij ons in bevonden. Het voelde alsof wij daar niet bij het gedruis van de mensen hoorde. Het geluid was zachter waardoor we zonder toekijkers en toehoorders met elkaar konden praten. Ik speelde hier piano ter begeleiding van de artiesten op het toneel. Zo kon ik wat bijverdienen. Dát was hoe het kwam, dat ik mij hier in eerste instantie kon begeven. Niet dat het een club was met een hoog aanzien. Meer een nachtclub die nog wat naweeën van de opstandige antifascisten vertoonden. Zolang er publiek was, werd er gespeeld!

    En terwijl wij daar zo in het halfduister verhuld stonden, kwamen er een groepje uniformen binnen, omringd door de gebruikelijke aanhangers. Even stopte de piano en het gezang en startte snel weer op met een ander lied. Toepasselijker voor de nieuwe toehoorders. Niet dat deze luisterde. Ze namen plaats aan een paar van de tafeltjes die eerder bezet werden door de gebruikelijke clientèle. Die bij binnen komst van de groep zich uit de voeten maakte. Niet uit ontzag, maar uit angst die hoorde bij een gewelddadige onderdrukker. Die elk moment van liefhebbende, naar geweldenaar kan omslaan zonder enige voorbode. De sfeer werd bedrukt door het overdreven luide spreken en de onberekenbaarheid van de groep. De drie mannen in uniform, hadden iets over zich dat voelde alsof zij elke verdorvenheid, verbastering en alles wat verboden was in je konden ontwaren.

    Eén van de uniformen knipte in zijn vingers om de aandacht te trekken van het personeel. De heren diende aan hun tafel te worden bediend. Terughoudend werd een bestelling opgenomen. Alles veranderde. Niet alleen de sfeer, de muziek klonk blikkeriger, het licht werd heller en de ruimte verviel in een soort kille stilte. Onzeker over welke houding aan te nemen, ging het geruis over in gefluisterde gesprekjes. De aanhangers lachte extra hard alsof het een wedstrijd was. Het geheel had iets homo-erotisch. De verering van de uniformen, bijna aanbiddelijk. Als kwijlende jonge honden die ruiken dat hun baasje iets lekkers bij zich had. Het dedain ten opzichte van de andere mensen was voelbaar voor iedereen.


    Even kleefde wij tegen de verste muur van de alkoof. De spanning van hun aanwezigheid maakte iedereen ongemakkelijk. Ons ritme verstoord, wij herpakte ons gesprek. Hij gaf mij een hand. ‘Ander,’ zei hij met een ongemakkelijke glimlach. 
    ‘David,’ stelde ik mij aan hem voor. 
    ‘Eigenlijk Erik…’ even viel zijn stem stil ‘maar ik ben geen Erik.’ zei hij resoluut.  ‘Ik werk als technisch tekenaar voor een architect.’ Zijn ogen opende zich wijder, terwijl hij voor zich uit keek. Wenkbrauwen opgetrokken van verbazing. Ander draaide zich van het licht weg. ‘Dat is de zoon van mijn baas!’ Hij wees naar een van de tafeltjes met de uniformen. ‘Ik werk met hem! Hij kan mij hier niet zien’ siste hij. Iets wilds in zijn ogen.    


    Ben zo terug – Bart