• Achteroverleunend leest hij de laatste regel. Pakt de mok en neemt een slok. De regen is opgehouden tegen de ramen te slaan en de zon is tussen de wolken doorgebroken. Het helle licht schijnt op het wit en laat de blauwe inkt nog meer uitkomen. Even houdt hij zijn gezicht naar de zon, alsof hij probeert van het licht te drinken. Verandert het echt iets aan de realiteit? Heeft de doorgang de realiteit veranderd, simpelweg door er te zijn? Net als de vraag of een omvallende boom geluid maakt als er niemand bij is om het te horen. Of je er nu doorstapt of niet? Op het papier geeft de gouden dop geeft zijn gegrafeerde lijnen af, als schaduwen in het zonlicht. Het zeegrijs van het plastiek, is verkleurd waar de dop het zonlicht tegenhield. Het verbaast hem nog steeds hoe goed een pen uit begin jaren vijftig schrijft. Zijn hand beweegt zich naar de eerste regel en maakt nogmaals van een punt een komma; dat het zo lang heeft geduurd voor ik de pen retourneer. Er spookt al enige tijd een idee door mijn hoofd, dat ik niet helemaal kan plaatsten. 

    Ben zo terug – Bart

  • De mok slaat waterdamp uit, van het kokendhete vocht dat het in zich gevangen houdt. Over de rand kijkt hij naar het papier. Langzaam blaast hij in de thee. Probeert een slok, té heet. Hij gaat zitten en met een klein haaltje maakt hij van de punt een komma. iets afsluitEen deling in de realiteit maakt; die er in werkelijkheid niet is. Het gekke is alleen dat door die deur er wel een deling van de realiteit ontstaat. Hij rekt zich uit. De armen hoog boven zijn hoofd. Zijn koude vingers omklemmen de warme mok en hij neemt een slok. Waterdamp slaat op zijn brillenglazen, even is het mistig binnen. De letters als blauwe schimmen op het wit. Is er iets werkelijk anders, omdat er een deur staat? De penpunt maakt het vraagteken af, terwijl een nieuwe zin zich in zijn hoofd vormt. Op een nieuwe regel voegt hij eraan toe; Nu denk ik dat het misschien niets met de deur te maken heeft maar met de doorgang. Het ergens doorheen lopen.

    Ben zo terug – Bart

  • De metalen punt raakt het papier en lijnen, koningsblauw, vormen zich tot letters. Het spijt mij. Zijn hand boven het papier zwevend, alsof het volgende zo komen gaat. En dan trekt hij zijn hand naar zijn kin. Een wat onzeker begin. Het beschrijft echter wel wat hij voelt. Zijn hand glijdt over de pagina terug naar de regel. Onzeker laat hij de rest van de regel wit. Er is iets bijzonders aan deuren. Een gedachte strijkt langs zijn gezicht en een glimlach volgt. In principe is een deur een goed idee. Maar in de lege ruimte lijkt het nodeloos. Buiten, zonder huis er omheen, bedoel ik dan. Hij leest de zinnen terug, zucht en staat op. ‘Thee,’ zegt hij tegen zichzelf.  
    Het water begint te koken als hij binnen komt en eraan toe voegt: Het is alsof het iets beschermt. De ketel fluit en hij staat weer op. 

    Ben Zo terug – Bart

  • Donker

    Het bleef licht voor de auto. De lange, rechte weg door de weilanden, strekt zich onnatuurlijk voor mij uit. Een stem vertelt mij de route die ik moet volgen. Mijn volgende afslag is over twee en halve kilometer. Er is iets filmisch aan de afgelegenheid van de omgeving. Het begin van een onduidelijke horror die zich zal ontvouwen. Er schijnen kleine lichtjes bij een boerderij aan de kant van de weg. Het warme licht valt door de ramen naar buiten. Er is een gewoonte in de ruimte die rondom mij is. Een steeds grotere afstand ontstaat er tussen mij en de warmte van de gele stralen die uit de boerderij komen. Zo weinig licht is er dat het mij nog niet écht was opgevallen. Het was donker, meer dan normaal. Pas toen ik langs de weg moest zoeken naar het huis waar ik moest zijn. Juist omdat ik moest zoeken viel mij op dat de lantarenpaal niet meer scheen. In de achteruitkijkspiegel zag ik dat er geen enkele lantarenpaal meer op de weg scheen. Ik ging op zoek naar de boerderij die ik eerder was gepasseerd. Deze was opgeslokt door het donker. De wolken hielden het enige licht van de maan tegen. Een kleine wereld was er nog, alleen dát wat door mijn koplampen werd beschenen.

    Ben zo terug – Bart

  • Verwarrende realiteit

    Hij waste zijn handen. Dat was de zoveelste keer die dag. Zijn huid was rauw geworden van de zeep en alcohol die hij gebruikt had. Het leek een poging, de identiteit die een vingerafdruk in zich droeg, te ontkomen. Hem te vervagen. Net zoals de verhulling dat was. Een poging om de indringer voor de gek te houden, niet onder de aandacht te komen, niet geraakt te worden. Een ziekenhuis vol spookachtige verschijningen. Verderop in de gang ging een alarm. De mondkapjes en beschermende kleding gleden langs hem, richting het alarm. En opnieuw was er die beangstigende stilte. Hij draaide zich om en keek naar de ingepakte schoenen die altijd iets van realiteit bleven bewaren. Alleen was de grond er niet meer, een zwarte leegte bevond zich onder hem. Hij viel! 

    De wind had hij tegen, zoals dat gaat op dagen als deze. De fiets kon zijn verlangen om sneller te gaan, niet bevredigen. Het voelde alsof hij achter de dag aan strompelde. Pas toen hij op weg was, had hij tijd gehad na te denken. Ik was al wakker, al op mijn werk, dus hoefde ik niet meer op te staan. Het was dat ik uit bed viel

    Hij waste zijn handen. De huid was rauw geworden van alle zeep en alcohol die hij in de afgelopen dagen gebruikt had. Verderop in de gang klonk een alarm. De mondkapjes en beschermende kleding gingen langs hem heen, richting de kamer. Hij keek naar zijn ingepakte schoenen, haalde diep adem en begon zijn dag.

    Ben zo terug – Bart

  • Verlaten Werkkamer

    Gele kranten lagen op de grond. Ongelezen, netjes in een stapeltje, zoals zij door de brievenbus gevallen waren. Losse vellen type-sels, een gedicht, halve vertelsels en een rijmwoordenboek. Het bureau vol met aantekeningen en handgeschreven briefjes. Het whiteboard bevatte een bedachte uitwerking, die als een moordcomplot met dunne lijntjes aan elkaar hing. Een opengeslagen boek, tussen al dat onafs. De bureaustoel draaide nog langzaam na alsof er zo-even nog iemand gezeten had. Het geheel baadde in het namiddagse-zonlicht. Een potje zwarte inkt, waar de dop niet goed opgedraaid zat, was omgevallen en drupte de op een beschreven pagina. Op de stoel voor het open raam kwam een nieuwsgierige merel zitten en sloeg alles gade. Een bericht kwam binnen op een onzichtbare telefoon. Bij het omlaaggaan van de deurklink vloog de merel weg en werd de ruimte weer gevuld met leven. Werd er opnieuw een poging gedaan iets te schrijven. 

    Ben zo terug – Bart 

  • Stranddroom

    De zon was duidelijk boos op mij. Haar stralen prikte mijn witte huid en hadden het zand zo verhit dat het voelde alsof het mijn voeten zou branden. Een koele bries blies van over de zee, het hielp mij bij het vasthouden van mijn verstand. Ik stond op om wat af te koelen in het zoute water. Toen ik er naartoe liep verdwenen de golven. Als een luchtspiegeling die altijd voor je uitstrekt, maar nóóit bereikbaar. Met elke stap leek er meer zand te verschijnen. Het voelde of er blaren op mijn voeten ontstonden, maar ik had nog een woestijn te gaan. Achter mij was de plaats waar ik vandaan kwam verdwenen. Alleen nog zand en zonneschijn.
    Toen ik mij terugdraaide naar de zee, raakte een koude, natte hand mijn arm aan. Een schok van kippenvel ging door mijn warme lichaam. Hij omhelsde mij.  Nam mij mee naar het koude water. Een verkoelende kou voor een dwaler over eindeloze stranden. Hij hield mijn hoofd vast en kuste mij terug naar de werkelijkheid.   

    Ben zo terug – Bart

  • Lees hier vanaf het begin, en hier het vorige deel.

    De warmte deed de lucht naar droge aarde ruiken. ‘Maar…’, probeerde ik Syn te ondervragen, ‘wat is er net gebeurd?’. Syn trok mij mee langs de terracotta muur, naar de voorkant van het huis. Aiōn was al naar voren gelopen ‘Aditi’, zijn stem klonk jeugdiger dan hiervoor. De zon brandde alsof het door mijn huid heen ging. Syn en ik volgde de stem van Aiōn. ‘Wat een eeuwigheid geleden!’. We bleven een klein stukje achter hem staan. ‘Kom binnen het is veel te warm’, zei de vrouw die voor Aiōn stond. ‘Waarom hier?’ vroeg Aiōn over zijn schouder terwijl hij de schaduw van het huis inliep. ‘Wie is dat?’ vroeg ik Syn zacht. ‘Aditi’, antwoorde Syn mij. ‘Ik kon niet zo snel iets anders bedenken, Aiōn’. Terwijl we het huis binnenstapte voegde zij er wat onzeker eraan toe: ‘Het is ver weg’. 

    Mijn ogen moesten even wennen aan de schemering waarin ik terecht was gekomen. Het was een groot vertrek met een verhoging waar Aditi op een grote stoel zat. Op de grond lagen kussens en er stonden twee lange, lage tafels. Nu mijn ogen gewend waren kon ik haar beter bekijken. Ze was mooi. Haar huid was brons alsof het gekust was door de zon, haar lange donkerbruine haren waren opgestoken en achter haar linkeroor zat een rode bloem. Ze zat statig, zonder dat zij een standbeeld leek. ‘Dat is inderdaad een tijd geleden’ zij ze toen wij op de kussens zaten. ‘Syn’, knikte Aditi. Er was iets kouds aan haar begroeting. Ze keek naar mij en knikte. Maar haar kijken bleef op mij hangen, zelfs na de knik. Alsof ik iets was wat zij nog niet eerder gezien had. ‘De jongen wil iets weten over de Witte Heiligen’ zei Aiōn zonder op haar vraag te wachten. Aditi knikte nogmaals naar mij, voor zij Aiōn opnieuw aankeek. ‘Je bent er zelf bij geweest’, zei ze. ‘Jij bent veel dichterbij geweest’, zei Aiōn. Ze sloeg haar ogen naar de grond alsof er schaamte in haar speelde. ‘Wat…?’ vroeg zij na een korte stilte. 

    Aiōn vertelde het verhaal van Helops en de kerk. Hoe hij zijn vader kwijt was geraakt en was meegenomen naar binnen. Van de raspende worden die zijn vader de dames had toegeblaft. ‘Het breken van het brood’, zei Aditi knikkend. Ze haalde diep adem, ‘misschien is het wel handig om iets te vertellen over hoe het zo is ontstaan’.  

    Ben zo terug – Bart

  • Zonnige zondag

    Het licht van de ochtend dwaalde door het raam naar binnen. 
    Inplaats van de kou die ik verwachte bij het uit bed stappen; had het licht het laminaat verwarmd daar, waar het als een plas water de grond raakte.
    Een aangename verrassing bij het ontwaken, nu deze goede dag begon.

    Ben zo terug – Bart

  • Ontmoeting I

    ‘Jij kan hier niet zijn!’ het klonk alsof de jongeman hem kende. ‘Hoe bedoel je, jij kan hier niet zijn?’ vroeg Damian. Hij bekeek de man voorzichtig, hij was lang, tegen de twee meter. Zijn lichaam gespierd, maar slank. Het sluike zwarte haar was doorvlochten met groen, alsof moedernatuur zichzelf bezig had gehouden met het in toom houden. Zijn kleding leek gemaakt van geweven gras en had verschillende kleuren. Zijn huid had een lichtbruine waas en zijn ogen waren helder. Op dit moment keek hij wat verdwaast. Zijn hand leunde nonchalant op zijn zwaard.

    ‘Barraskr,’ siste hij. ‘Het is gevaarlijk, je moet hier weg!’  Pas toen hij dichterbij gekomen was zag Damian hoe helder zijn ogen waren. De één mosgroen en de ander azuurblauw. Beiden leken gouden vlokken in zich te dragen. Hij drukte Damian de donkere schaduw van de bomen in. De felle ogen, met de donkere zwarte wenkbrauwen, keken hem dreigend aan: ‘Je kan hier niet zijn!’ Hij keek om zich heen alsof hij iemand verwachtte.  Pas nu Damien in de schaduw stond, voelde hij hoeveel koeler het was dan in de zon. 

    Ben zo terug – Bart