• Parttime Expat (Uitbraak)

    Het was opeens zo akelig dichtbij dat de onrust overheersende vormen aannam. Geen mensen meer, maar gevallen werden geïsoleerd. Koortsachtig was de zoektocht naar iets dat zou kunnen helpen. Opeens waren er weer grenzen. Het Niemandsland weer opnieuw ingesteld. Alles voor de veiligheid. 

    Maar, dit verhaal begint eerder. Ergens aan het eind van het jaar daarvoor. De eerste kennismaking vond via het internet plaats. Een glimlach, een knipoog of… het ijs doorbroken, was het begin van het gesprek. Het duurde nog tot februari voor wij elkaar zouden zien. De volgende afspraak was een week later. Hij werkte net over de grens. Parttime expat. Tegelijk met de onrust in mijzelf, was er onrust in de wereld. 

    Toen was alles afgesloten. Even heb ik hem gezien. Met groepen tegelijk kwamen mensen aan bij de grens. Er waren plaatsen waar het open was en de grens doorzichtig. Hij stond wat ongelukkig, zo’n tweehonderd meter van mij vandaan. Het enige wat ons tegen hield waren de akelige dunne draadjes die onder stroom stonden.  Er waren soldaten aan de grens, altijd iemand aanwezig. Hij stak zijn hand op met daarin de telefoon, ik deed hetzelfde. Ergens achter mij was wat onenigheid. Een vrouw aan de andere kant had zich losgemaakt van de groep mensen die op een rij, gepaste afstand hielden. Ik werd opzij gedrukt. Toen ik mij weer hersteld had, was ik hém kwijt. De telefoon in mijn hand ging over, zijn naam op het scherm. 

    Geluk was aan onze zijde. Alles was ver, bij ons ontluiken vandaan. Wat de geruststelling al snel onderdrukte, was dat van de ene op de andere week het virus opdook op andere plekken. Steeds dichterbij. Het naderde onrustig snel over grote afstanden. Zijn grensoversteek duurde iets langer dan hij gewend was. Opeens was er een thermometer aanwezig bij de overgang. Werden er mensen verwezen naar de ziekenboeg ter controle. Een week later mocht je alleen nog reizen met speciale papieren. 

    Ik drukte de telefoon aan. Zijn stem klonk onrustig. ‘Wij zijn weggestuurd! Het werd onhoudbaar.’ Ik liep wat verloren richting de auto. Het begon zacht te regenen. ‘Ga rustig naar huis’ zei ik, omdat ik ook iets moest zeggen. ‘We kunnen nu toch niets doen. Ik ben wel blij dat ik je even gezien heb.’ Het viel stil. Zijn adem schokte door het lopen. Ik opende de autodeur en ging zitten. 

    Ben zo terug – Bart 

  • 50 woorden #538

    Dit is de bedoeling?? Hoe het precies zit weet ik niet. Er is een hoop te winnen en alles lijkt onaangenaam. Er is iets in de lucht. Iets dat de ruimte krijgt. Ergens moet een begin zijn geweest. In ieder geval… er gebeuren dingen die totaal tegenovergesteld zijn van daarvoor.

    Ben zo terug – Bart 

  • De Wereld

    Het laat voor zich spreken,

    dat er grenzen zijn daarbuiten.

    Hoe? Het waar en waarom…

    Tot de regels zijn gebroken,

    lijkt de wereld zich te sluiten.

    Wordt het rechte krom en andersom.

    Ben zo terug – Bart

  • Orion

    De nacht! De lucht kleurde van donkerblauw naar zwart. In het westen was nog het laatste beetje oranje licht aan de horizon te zien. Wolken sluierde de hemel. De onverlichte wegen, door de vlakke weilanden, maakte de enkele zichtbare sterren nog helderder. Mijn laatste stop deze avond, voor ik richting huis zou gaan. Toen ik weer naarbuiten stapte was de lucht koud. Tussen de donkere wolken was een klein stukje hemel te zien. Om precies te zijn één sterrenbeeld. De nachtelijke jager keek vanuit grote hoogte op mij neer. Zijn riem met drie vonkelende stenen bezet. Zijn zwaard geheven, een uitgestrekte arm. 

    Even bleef ik staan, het licht achter de voordeur klikte uit, ik keek naar hem. Uit het portiek gestapt liep ik over het grindpad naar de stoep. Hij leek dichterbij gekomen. Over de oneffen tegels liep ik langs het plantsoen. Dichterbij. Mijn stappen naar de sterren of de sterren richting mij? Zijn zwaard in de schede, de handen langs zijn zij. Ik keek, de kou had de mensen binnen doen blijven. Het was volledig stil. Nog dichterbij. Stak de straat over, keek nogmaals rond. Niemand in de buurt. Dichterbij. Hij had een gezicht. Niet meer de punten die een sterrenbeeld maken, een persoon. 

    Hij stak zijn hand uit. ‘Orion’, zei hij. Wat verdwaast zei ik: ‘kan ik iets voor u doen?’ Alsof ik opeens wakker werd voegde ik eraan toe, ‘ow, sorry.’ Schudde hem de hand ‘Ander.’ We stonden ongemakkelijk achter mijn auto. Het licht van een lantarenpaal flikkerde. Ik klikte de deuren van de auto van het slot en wees hem naar de deur. ‘Mijn perspectief is anders’ begon hij toen we eenmaal in de auto zaten. Ik lachte en wees hem hoe hij de autostoel naar achteren kon schuiven. Hij zat opgevouwen in het Aygotje, zijn knieën tegen het dashboard. Geen wonder een sterrenbeeld in zo’n klein autootje. Ik schatte hem over de twee meter. ‘Ik sta iets verder weg’ ging hij verder toen hij eindelijk aangenaam zat. Ik knikte en startte de auto. ‘Ik… was van plan naar huis te rijden. Kan ik je ergens afzetten?’ Hij schudde zijn hoofd ‘ik kom wel terug, rijd maar naar je huis.’ 

    ‘Sorry, u zei?’ spoorde ik hem aan verder te vertellen. ‘Ah, ja. Dat ik verder weg sta’ hervatte hij. ‘Er is veel te doen van dichtbij.’ Zijn half lange haren waren achter op het hoofd samengebonden. Er hing een lichte geur van geranium om hem heen. ‘Ik snap de onrustige verwarring wel nu mijn perspectief veranderd is.’ Doordat de wolken de hele lucht verhulde kon ik niet zien of zijn sterrenbeeld nog wel aan de hemel stond. Het viel stil en ik reed rustig verder. Bij het kruispunt ging ik links en reed de dijk op. ‘Ik denk dat het mis gaat…’ hij stopte alsof hij overwoog om niet te vertellen wat hij dacht. ‘Als er niemand waarschuwt.’ Ik reed de dijk af. Hij zat onbeweeglijk, staarde over de weg. Het licht van de oranje lantarenpalen glansde over zijn zwarte haren. ‘Empathie’ fluisterde hij. ‘De meeste mensen proberen het juiste te doen.’ Weer links het dorp in. Hij zocht naar de woorden. Met de weg mee, dan de tweede links. Zijn blik week geen moment van de voorruit. Over de brug en dan de eerste rechts. Terwijl ik de auto parkeerde zei hij: ‘De wereld draait niet alleen om onszelf, maar om veel méér andere. Er is er maar één van onszelf en miljoenen van de andere.’

    Ben zo terug – Bart 

  • notitieboek

    Soms wordt het leven even samengevat. Soms in één enkele zin, of in een paar woorden. Waar het veranderd, is als het leven van iemand, in een eigen handschrift valt te lezen. Een agenda vol afspraken en notities. Het leren omslag is, waar het veel was vastgehouden, donkerder. De krassen op het leer, van de spullen die er tegenaan gelegen hadden. Een lichte plek waar de pen altijd het leer omklemd had. Het was blanco geweest. Elke bladzijde zonder enige beperking of restrictie. De eerste pagina was gevuld met kalligrafische letters. De naam, de datum en fijn geschreven letters in donkerrode inkt, “Notities van …”

    Nu ik er doorheen blader zie ik data langskomen. Afspraken die genoteerd staan voor de toekomst. Nu, jaren geleden. Kleine notities, belangrijke gedachten. Zo af en toe komt er een tekening voorbij. Lijstjes en vakantiebelevenissen. Diagrammen. Soms een rijtje woorden die niets met elkaar te maken lijken te hebben, of een quote. Baudelaire, Rimbaud, Marcus Aurelius en een gedicht van Vasalis. Een stukje krant, een polaroid van vrienden. Een gedroogde bloem. Een koffievlek. Boven aan de pagina staat steevast de datum. De kleuren van de inkt veranderen na elke paar pagina’s. Dan opeens zijn de pagina’s weer leeg. Zelfs de datum ontbreekt. De notities zijn gestopt… nog voor het einde. 

    Ben zo terug – Bart 

  • De geschiedenis houdt me wakker s ’nachts. De tijd, gedrevenheid en woede trekt mij aan. Wat ik weet en nog moet leren, wat er zich tegen mij kan keren. Het zijn de distopische verbeeldingen van een wereld die mij bekend is en totaal vreemd. Het verlangen naar het lichaam, naar de intimiteit en tegelijkertijd. De eenzaamheid en de ontkenning van het bestaan. Het bestaan! Welk bestaan is er nog als je wordt ontkent? Gevangen wederom; in een tijdsbeeld, dat wat de wereld niets scheelt. Waar te beginnen, als het einde zo snel nadert?

    HIER!

    Untitled (One Day This Kid…) David Wojnarowicz

    lees hier over David Wojnarowicz en zie meer van zijn werk.

    Ben zo terug – Bart 

  • Alles was van hout. De deuren, van hout. De trap, de plafonds, de kasten van hout. De tafel en het tv-meubel van hout. De keuken van hout. De bedden en linnenkasten van hout. De vensterbanken van hout. Het dakraam, van hout. De vloer, van pvc maar met een hout printje. Water was er, regen. Dat gutste langs de ramen. Het houten dakraam kraakte. Hoe langer het water erop drukte hoe meer het hout verzadigde. Het leek alsof het hele huis onderwater was. Het planfond begon te golven. De aftimmering was verzadigd. Onnatuurlijke kieren en verschuivingen vonden plaats. De ruimte bewoog door de hoeveelheid water. 

    En alsof ik de tijd kon terugspoelen, toen ik mijn ogen opende was alles weer in orde. Alleen het hout, dat was nog overal. Met mijn ogen op het witte van de wolken denk ik terug. Waar komt dit vandaan; ik had alleen maar natte sokken. 

    Ben zo terug – Bart 

  • Wandeling II Fotogalerie

    De stilte. De lege ruimte gevuld met de wereld. Het leven tot stilte gemaand. Het spelen, dansen, liefde en de lusten gevangen. De woede in al zijn vormen en de interventie. Eén van de foto’s grijpt alle gevoelens in één moment. Niet het toneel maar de werkelijke afspiegeling van het leven; allemaal diezelfde belevenis alleen de reacties zijn allemaal in andere staten. Een heer kijkt met een glimlach naar zijn vrouw; een alwetende blik. Zij begrijpt de situatie op het toneel. Een oudere dame heeft haar handen naar haar nek gebracht. De dame naast haar schaterlacht. Naar achteren twee dames die hun lach met elkaar delen. Een jonge jongen zit vol verwachting te kijken, een andere vol spanning naar voren gebogen. Een oudere heer lacht zijn ogen dicht, zijn hoofd naar achteren en de handen voor zijn mond. Twee jonge dames bespreken lachend wat er gebeurd.

    Als ik mij omdraai; water, spetters. Een foto waarin de verliefde, de volwassenen speelser zijn dan het jongetje dat nog net in frame is. Haar haren zwaaien speels, haar voet schopt water op. Een gespierde rug. Hij heeft haar vast rond haar middel, halverwege zijn gooi. Het water komt tot zijn billen. Het jongetje glimlacht naar iets buiten het beeld. De verdere wereld. Van verder in het water kijken de serieuze volwassenen vermakelijk toe. 

    Ben zo terug – Bart 

  • Wandeling I

    Het is zeven graden. De zachte regen heeft alles doorweekt. Sommige verdorde bladeren zijn krom getrokken en liggen als kommetjes, vol regenwater, op het pad. Water zijpelt langs de rotsen. De met mos begroeide stammen zijn het enige heldere groen. In de verte staan wat donkere dennen. Tussen de gele, nog aan de bomen hangende, bladeren steken de rode van een andere af. Het pad is verworden tot een stroompje, naast het pad is een stroompje verworden tot een razende witte massa. Het geluid van het water en het druppen van de bladeren overstemt het zachte getwiet, gefluit en gekraai. Het is alsof het water het bos nog stiller heeft gemaakt. Alleen de stappen. Het geritsel van onze voeten tussen de bladeren. Maakt nog een ander geluid.

    Ben zo terug – Bart

  • Lees hier eerdere delen.

    Luid geklop galmde door de gang. Aiōn’s blik verschoof zich van mijn gezicht naar de keukendeur. ‘Ja,’ antwoorde ik zijn vraag. Aiōn siste mij tot stilte. Nog voor hij iets kon doen klikte de voordeur uit het slot, opende zich en een voet stapte over de drempel. Met twee grote stappen was Aiōn de keuken door. Het verbaasde mij opnieuw hoeveel jeugd er in deze oude man zat. Hij stak zijn hoofd om de hoek van de keukendeur. ‘Verdomme Syn! Had je niet iets kunnen zeggen!’ bulderde hij boos door de gang. ‘Ik kan naar binnen’ zei een heldere hoge vrouwenstem. ‘Jíj kan overal naar binnen. Bij Nix en Chaos, ik schrik van je!’ Aiōn’s stem veranderde van boosheid in verontrusting. ‘Wat zie jij er uit,’ voegde hij aan het ganggesprek toe en stapte achteruit de keuken in. ‘Ik moest wat dingen regelen,’ zei ze nonchalant. ‘Het liep niet helemaal zoals ik het gepland had’. Ze bleef op de drempel staan. Schommelde met haar voeten van voor naar achter als een kind dat niet stil kan blijven staan. Ze bekeek mij. Ik zat nog steeds verbaast, van alles wat er gebeurd was, omgedraaid in mijn stoel haar te bekijken. ‘Is dit hem?’ zij vroeg het met een toon van ongenoegen. ‘Gedraag je!’ zei Aiōn met een frons. Ze stak haar hand op: ‘Syn’ zei ze. Zij stapte de keuken in zonder te wachten op mijn antwoord. Ze pakte een glas, vulde het met water en leunde tegen de koelkast. 

    Terwijl ze naar Aiōn zijn rug keek zei ze ‘Tages was lastig’. Aiōn zat te bladeren in een van zijn boeken. Syn nam een slok, spoelde het water door haar mond en slikte het door. ‘Mijn naam is Cheiron,’ zei ik ongemakkelijk tegen haar. Met een plagerige blik keek ze naar mij. Een glimlach vormde zich om haar mond. ‘Heb je al een vriendje? Je bent zeventien toch? Nog geen leuke man gevonden?’ Mijn hart bonsde in mijn borst. ‘Ik…’ begon ik. ‘Uhm…’. Haar glimlach groeide met elk gestameld woord. ‘Nou…’ probeerde ik. Aiōn keek mij vanonder zijn wenkbrauwen aan. ‘Syn’ zei hij, het was een waarschuwing. Haar glimlach verdween van haar gezicht. Alsof de waarschuwing iets in haar gedachte opnieuw naar de voorgrond bracht, kwam er paniek in haar ogen. ‘Oh!’ zei ze serieus. Ze zette haar glas neer en terwijl ze naar de deur van de keuken liep zei ze ‘wij moeten hier weg!’ Aiōn was alweer verdiept in het boek. Met een klap trok Syn de keukendeur dicht. Weer werd er geklopt op de voordeur. Een zware mannenstem klonk door de hal “doe open!’ Gebeuk, het huis trilde, het hout van de deur kraakte. ‘Aiōn! Doe open!’ het hout splinterde, voetstappen zetten zich in de gang. ‘Sága,’ zei Aōn vanuit het niets. ‘Oké’ zei Syn en reageerde door haar wijs en middelvinger langs de deur te strijken. Inplaats van naar de gang, opende de deur naar buiten. Warme lucht stroomde de keuken in. Syn stapte naar buiten, Aiōn greep mijn arm en trok mij door de deur. Ik hoorde nog het bonken op de deur vanuit de keuken. Toen sloeg Syn de deur met een klap dicht. 

    De schaduw van het huis waar wij in stonden, hielp op geen enkele manier tegen de verzengende hitte van de plaats waar wij waren. ‘Waar… is dit?’ vroeg ik. ‘Niet geheel wat ik in gedachte had’ zei Aiōn tegen Syn. ‘Ik moest snel zijn,’ zei Syn. Ze liet haar armen langs haar zijde vallen. ‘Het is de achterdeur, maar wij zijn weg’ probeerde zij te vergoelijken. ‘Juist’ Aiōn stapte zonder verder iets te zeggen uit de schaduw om de hoek. ‘Dit is Lesbos’ ook Syn stapte uit de schaduw en verdween om de hoek. ‘Kom je nog?’ riep ze naar mij. ‘Maar…’ stamelde ik opnieuw ‘Hoe?’  Syn kwam terug om de hoek en trok mij aan mijn arm mee. 

    Ben zo terug – Bart