Tag: Overdenken

  • Gebroken werkelijkheid 2

    Gebroken werkelijkheid 2

    Lees hier vanaf deel 1

    1 Het was op het moment dat ik opkeek, dat een pluisje van een paardenbloem langs mij zweefde. Het was warm buiten en de ramen van mijn appartement stonden open. ‘Onzin’ zei ik terwijl ik mijn laptop dichtsloeg. Ik was vijfenveertig geworden en het was tijd om mijzelf een nieuw personage aan te meten, mopperend en negatief dat is een nieuwe weg, die ik nog nooit bewandeld heb, dacht ik bij mijzelf. Maar na een minuut of twee was ik er klaar mee, dat is het niet ik blijf nog wel even wie ik ben. De boodschappen voor vanmiddag moesten nog worden gedaan en de plicht riep, schreeuwde!

    2 Hij had die middag door de stad geslenterd en het rolletje volgeschoten met stille foto’s van een park, kerk en luide foto’s verstild. Op de hoek van zijn straat zat een kleine fotozaak die nog zelf ontwikkelde. Het zou een dag duren voor hij de foto’s kreeg te zien. Dat was de spanning die het ontwikkelen van de foto’s met zich meebracht, een tijdelijk moment dat tijd nam om opnieuw aanschouwd te worden. Maar nog meer was hij nieuwsgierig naar de foto’s die al genomen waren, in het vorige leven van de camera. Hij had bij het inleveren van het rolletje voor ontwikkelen ook twee nieuwe rolletjes meegenomen; één zwart/wit en een kleuren-film. Op aanraden van de verkoper met een “grovere korrel”, wat dat dan ook mocht betekenen.

    3 De man zat nog steeds naar haar te staren. Ongegeneerd! Ze wilde weg, ontsnappen aan deze voyeuristische, geobserveerde naaktheid, die door haar eigen emoties nog sterker voelde. Verderop stond iemand op van een enkele stoel. Snel vluchte ze naar die privé plaats in de openbaarheid van de coupe. Ze had de foto van Stephen nog in haar hand. Het had haar altijd verward dat haar oma de foto van haar opa streelde, als oma ernaar keek. Nu kon zij diezelfde handeling bijna niet onderdrukken. Het was nog de enige manier waarop zij Stephens gezicht kon strelen.

    1 Het bericht liep nog door mijn hoofd… maar registreerde niet als relevant. Ik had tenslotte besloten mijzelf te blijven. Het was maar net hoe je naar “het zijn” keek, bedacht ik toen ik de supermarkt inliep. Maar halverwege de groenteafdeling was ik alweer in twijfels verzeild geraakt. Liep bij het fruit mijn eigen identiteitscrisis binnen. Misschien moest ik toch iemand anders worden, bedacht ik mijzelf. Maar naar wat te stylen? Het zou nog een hele tour worden was de conclusie waar ik eindigde. Ik liep met de tas boodschappen naar buiten, liet mijn identiteitscrisis achter bij de drempel van de supermarkt. Wie hem vond mocht hem hebben! Op mijn telefoon opende ik opnieuw het bericht, om te zien waar het over ging.

    2 Met de rolletjes, brandend in zijn jaszak en de onzekerheid welke eerst te gebruiken, wandelde hij opnieuw door de stad. Soms is het beter als er geen keuze is die je zelf hoeft te maken… soms. Werd het zoeken naar kleuren en die in zwart/wit vast te leggen, of werd het de kleuren zelf vastleggen? Dat was de grote vraag.

    Nog voor hij daarover een besluit kon nemen, besloot de wereld voor hem, door zichzelf te openbaren. Een Japanse-kers stond alleen tussen alle groen in roze bloei. Het werd kleur. De boom stond in een klein perkje, alleen. In al zijn rozeheid uitgesloten van het groen rondom.  Alsof de werkelijkheid had besloten deze metafoor, voor iedereen zichtbaar nog eens te benadrukken.

    3 Ze voelde zichzelf een oude vrouw worden. Een oude vrouw van in de veertig. Het was niet alsof ze elkaar een lange tijd kenden.  Een eerste liefde, hoeft niet lang te duren. Het was de impact van een eerste liefde en vooral als die zo tragisch eindigt. Het gevoel werd daardoor nooit afgerond. Ze waren halverwege tiener toen zij elkaar leerden kennen, net twintig toen het abrupt stopte. Ze had niemand om te vragen wat er gebeurd was, wat niet hielp bij het verwerken. Eigenlijk was dát de reden voor haar onmacht, om grip op de situatie te krijgen en misschien nog wel meer op zichzelf

    Ben zo terug – Bart

  • Orion

    De nacht! De lucht kleurde van donkerblauw naar zwart. In het westen was nog het laatste beetje oranje licht aan de horizon te zien. Wolken sluierde de hemel. De onverlichte wegen, door de vlakke weilanden, maakte de enkele zichtbare sterren nog helderder. Mijn laatste stop deze avond, voor ik richting huis zou gaan. Toen ik weer naarbuiten stapte was de lucht koud. Tussen de donkere wolken was een klein stukje hemel te zien. Om precies te zijn één sterrenbeeld. De nachtelijke jager keek vanuit grote hoogte op mij neer. Zijn riem met drie vonkelende stenen bezet. Zijn zwaard geheven, een uitgestrekte arm. 

    Even bleef ik staan, het licht achter de voordeur klikte uit, ik keek naar hem. Uit het portiek gestapt liep ik over het grindpad naar de stoep. Hij leek dichterbij gekomen. Over de oneffen tegels liep ik langs het plantsoen. Dichterbij. Mijn stappen naar de sterren of de sterren richting mij? Zijn zwaard in de schede, de handen langs zijn zij. Ik keek, de kou had de mensen binnen doen blijven. Het was volledig stil. Nog dichterbij. Stak de straat over, keek nogmaals rond. Niemand in de buurt. Dichterbij. Hij had een gezicht. Niet meer de punten die een sterrenbeeld maken, een persoon. 

    Hij stak zijn hand uit. ‘Orion’, zei hij. Wat verdwaast zei ik: ‘kan ik iets voor u doen?’ Alsof ik opeens wakker werd voegde ik eraan toe, ‘ow, sorry.’ Schudde hem de hand ‘Ander.’ We stonden ongemakkelijk achter mijn auto. Het licht van een lantarenpaal flikkerde. Ik klikte de deuren van de auto van het slot en wees hem naar de deur. ‘Mijn perspectief is anders’ begon hij toen we eenmaal in de auto zaten. Ik lachte en wees hem hoe hij de autostoel naar achteren kon schuiven. Hij zat opgevouwen in het Aygotje, zijn knieën tegen het dashboard. Geen wonder een sterrenbeeld in zo’n klein autootje. Ik schatte hem over de twee meter. ‘Ik sta iets verder weg’ ging hij verder toen hij eindelijk aangenaam zat. Ik knikte en startte de auto. ‘Ik… was van plan naar huis te rijden. Kan ik je ergens afzetten?’ Hij schudde zijn hoofd ‘ik kom wel terug, rijd maar naar je huis.’ 

    ‘Sorry, u zei?’ spoorde ik hem aan verder te vertellen. ‘Ah, ja. Dat ik verder weg sta’ hervatte hij. ‘Er is veel te doen van dichtbij.’ Zijn half lange haren waren achter op het hoofd samengebonden. Er hing een lichte geur van geranium om hem heen. ‘Ik snap de onrustige verwarring wel nu mijn perspectief veranderd is.’ Doordat de wolken de hele lucht verhulde kon ik niet zien of zijn sterrenbeeld nog wel aan de hemel stond. Het viel stil en ik reed rustig verder. Bij het kruispunt ging ik links en reed de dijk op. ‘Ik denk dat het mis gaat…’ hij stopte alsof hij overwoog om niet te vertellen wat hij dacht. ‘Als er niemand waarschuwt.’ Ik reed de dijk af. Hij zat onbeweeglijk, staarde over de weg. Het licht van de oranje lantarenpalen glansde over zijn zwarte haren. ‘Empathie’ fluisterde hij. ‘De meeste mensen proberen het juiste te doen.’ Weer links het dorp in. Hij zocht naar de woorden. Met de weg mee, dan de tweede links. Zijn blik week geen moment van de voorruit. Over de brug en dan de eerste rechts. Terwijl ik de auto parkeerde zei hij: ‘De wereld draait niet alleen om onszelf, maar om veel méér andere. Er is er maar één van onszelf en miljoenen van de andere.’

    Ben zo terug – Bart