Ander zag er wat besluiteloos uit zo voor de open deur. Met een wijds gebaar nodigde ik hem uit naar binnen te komen. Zonder verder iets te zeggen liepen wij naar de dubbele openslaande ramen. Wij keken van bovenaf neer op de straat, verwachtend de twee figuren daar te zien dralen. Maar de straat was verlaten. Zo van bovenaf gezien, in de veiligheid van mijn kamer, leek het lichter. Zelfs de schaduwen waren minder zwart. Ander had zich in de leesstoel laten zakken. De stoel stond voor het raam, niet om naar buiten te kijken maar om te zitten lezen bij de verwarming. Ik was op de poef gaan zitten. Beiden sloegen wij een zucht van opluchting. Tot onze ogen elkaar kruisten en wij lachten opnieuw. Deze keer van opluchting. Het was voorbij. Het leek of Ander alle zekerheid die hij eerder had laten zien, had verloren.
Er was iets zachts in zijn gezicht. Telkens als zijn ogen op mijn gezicht rustten en ik terugkeek, wende hij snel zijn blik af. Zo zaten we in het licht dat van de lantarens, via de straat tegen het plafond de kamer binnen kwam. Er hingen wolken verstild in de lucht als een kring rond de maan, die wat extra licht de kamer binnen hielp. Het was op dat moment dat ik pas in de gaten kreeg hoe koud ik het had. Ik draaide mij naar de verwarming en legde mijn handen op het gietijzer, om ze te laten ontdooien.
‘Heb je…’ zijn stem stokte. Ander kuchte en probeerde opnieuw: ‘Heb je het koud?’ ik knikte ‘ik ook,’ zei hij zich draaiend naar de verwarming. Een rilling trok door mijn lichaam die ik probeerde te onderdrukken.

‘Mag ik vragen waar je vandaan komt? Ik hoor iets van een andere tongval’ vroeg ik Ander.
‘Oorspronkelijk kom ik uit Denemarken. Ik ben min of meer gevlucht…’ zijn uitleg stopte en verzonken in zijn gedachten bleef er een stilte hangen tot hij die zelf opmerkte, ‘En waar kom jij vandaan? Als ik het goed hoor klinkt er iets van Nederlands door.’ Ik knikte bevestigend.
‘Ja dat heb je goed gehoord’ zei ik. In mijn achterhoofd speelde iets van onzekerheid. Ondanks dat we binnen waren en de figuren niet meer konden zien, kon ik mij niet helemaal los maken van de gedachten dat wij van buiten misschien toch werden bespied.
‘Je maakt je zorgen,’ observeerde Ander mijn gezicht. Ik stond op en sloot het donkerrode overgordijn en zette de lichten aan. Het gele licht deed alles warmer aanvoelen, het maakte mij rustiger.
‘Ik denk dat ik nog steeds het gevoel heb dat er iemand mee kan kijken.’ Legde ik uit. Ander glimlachte terwijl onze blikken elkaar even vasthielden in begrip over de situatie. Ongemakkelijk keken wij beide weg. Daarna, beurtelings weer naar elkaar. Observaties in ogenblikken, een studie in momenten van onoplettendheid.
‘Wil je dat ik ga?’ Hij vroeg het alsof het hem pijn deed die woorden uit te spreken.
‘Liever niet,’ het was uit mijn mond voor ik er helemaal goed over nagedacht had. Ik voelde mijn gezicht kleuren. Opeens was ik warm, zweette ik.
‘Ik wilde ook liever blijven.’ Ander’s ogen ruste op mij alsof hij probeerde meer te zien. Mijn hand, nog steeds op het lichtknopje. ‘Ik ben blij dat ik de moed had om naar je toe te stappen vanavond.’ Het was zijn beurt om te blozen.
Ben zo terug – Bart

Geef een reactie