Tag: Berlijn

  • Leven in een kistje XIII (De eerste keer 8 einde)

    Leven in een kistje XIII (De eerste keer 8 einde)

    ‘Ik bedoelde niet…’ probeerde Ander. Hij weerhield zichzelf de zin af te maken. 
    ‘Dat begrijp ik,’ antwoorde ik alleen. Wij moeten beide weggekeken hebben, want toen ik terugkeek had hij zijn gezicht van mij afgewend. Ik liep de vijf stappen van het lichtknopje naar mijn bed en ging op de rand zitten. Het ledikant kraakte zachtjes. ‘Moet je ver naar huis?’ vroeg ik hem. Ander draaide zich om en met een paar flinke passen stond hij voor het bed. ‘Niet zo ver…’ zei hij terwijl hij ging zitten. ‘De kortste route is via de steegjes.’ Wij keken allebei recht voor ons uit. Alsof naar elkaar kijken, was als het kijken in de zon. Ander liet zijn blik op zijn handen rusten en speelde wat met zijn vingers. Als een kind, dat zenuwachtig is. ‘Het lijkt mij beter, nu via de straat te lopen.’ ging hij verder ‘Iets meer licht. Het is maar één straat verder, maar toch…’

    Handschrift

    ‘Dank je wel dat je mij thuis bracht’ fluisterde ik verlegen. Het voelde niet genoeg, maar ik wist ook niet hoe ik er meer van kon maken. Te veel gevoelens tegelijk om onder woorden te brengen. Ander stond op en liep naar de deur. Hij draaide de sleutel om in het knarsende slot. Ik zat nog wat verwezen op de rand van het bed, in mijn onvermogen om mijn gevoelens onder woorden te brengen. Hij draaide zich naar mij toe en in een paar stappen stond hij voor mij. ‘Dank je wel’ zei hij terwijl hij zich voorover naar mij toe boog. Met zijn hand duwde hij mijn kin zachtjes omhoog, mij naar zijn lippen leidend en kuste mij vol tederheid. 

     

    Voor hij naar buiten stapte keek hij nog een keer om. ‘Dank je wel voor de fijne avond hier’ zei hij met een kleine knik van zijn hoofd. Als hij een hoed zou hebben gehad had hij die met zijn vinger opgetikt. ‘Volgende keer hoop ik op meer tijd’ voegde hij er glimlachend aan toe terwijl hij de deur uit stapte. Ik hoorde zijn voetstappen in het trappenhuis verder van mij verwijderen en stond op. Toen ik het gordijn open schoof, stond hij beneden voor de Hebreeuwse boekwinkel aan de overkant van de straat, zwaaide en liep de straat uit.

    Ben zo terug – Bart

  • Leven in een kistje XII (De eerste keer 7)

    Leven in een kistje XII (De eerste keer 7)

    Ander zag er wat besluiteloos uit zo voor de open deur. Met een wijds gebaar nodigde ik hem uit naar binnen te komen. Zonder verder iets te zeggen liepen wij naar de dubbele openslaande ramen. Wij keken van bovenaf neer op de straat, verwachtend de twee figuren daar te zien dralen. Maar de straat was verlaten. Zo van bovenaf gezien, in de veiligheid van mijn kamer, leek het lichter. Zelfs de schaduwen waren minder zwart. Ander had zich in de leesstoel laten zakken. De stoel stond voor het raam, niet om naar buiten te kijken maar om te zitten lezen bij de verwarming. Ik was op de poef gaan zitten. Beiden sloegen wij een zucht van opluchting. Tot onze ogen elkaar kruisten en wij lachten opnieuw. Deze keer van opluchting. Het was voorbij. Het leek of Ander alle zekerheid die hij eerder had laten zien, had verloren. 

    Er was iets zachts in zijn gezicht. Telkens als zijn ogen op mijn gezicht rustten en ik terugkeek, wende hij snel zijn blik af. Zo zaten we in het licht dat van de lantarens, via de straat tegen het plafond de kamer binnen kwam. Er hingen wolken verstild in de lucht als een kring rond de maan, die wat extra licht de kamer binnen hielp. Het was op dat moment dat ik pas in de gaten kreeg hoe koud ik het had. Ik draaide mij naar de verwarming en legde mijn handen op het gietijzer, om ze te laten ontdooien. 
    ‘Heb je…’ zijn stem stokte. Ander kuchte en probeerde opnieuw: ‘Heb je het koud?’ ik knikte ‘ik ook,’ zei hij zich draaiend naar de verwarming. Een rilling trok door mijn lichaam die ik probeerde te onderdrukken. 

    ‘Mag ik vragen waar je vandaan komt? Ik hoor iets van een andere tongval’ vroeg ik Ander. 
    ‘Oorspronkelijk kom ik uit Denemarken. Ik ben min of meer gevlucht…’ zijn uitleg stopte en verzonken in zijn gedachten bleef er een stilte hangen tot hij die zelf opmerkte, ‘En waar kom jij vandaan? Als ik het goed hoor klinkt er iets van Nederlands door.’ Ik knikte bevestigend. 
    ‘Ja dat heb je goed gehoord’ zei ik. In mijn achterhoofd speelde iets van onzekerheid. Ondanks dat we binnen waren en de figuren niet meer konden zien, kon ik mij niet helemaal los maken van de gedachten dat wij van buiten misschien toch werden bespied.       

    ‘Je maakt je zorgen,’ observeerde Ander mijn gezicht. Ik stond op en sloot het donkerrode overgordijn en zette de lichten aan. Het gele licht deed alles warmer aanvoelen, het maakte mij rustiger. 

    ‘Ik denk dat ik nog steeds het gevoel heb dat er iemand mee kan kijken.’ Legde ik uit. Ander glimlachte terwijl onze blikken elkaar even vasthielden in begrip over de situatie. Ongemakkelijk keken wij beide weg. Daarna, beurtelings weer naar elkaar. Observaties in ogenblikken, een studie in momenten van onoplettendheid.    

    ‘Wil je dat ik ga?’ Hij vroeg het alsof het hem pijn deed die woorden uit te spreken.

    ‘Liever niet,’ het was uit mijn mond voor ik er helemaal goed over nagedacht had. Ik voelde mijn gezicht kleuren. Opeens was ik warm, zweette ik. 

    ‘Ik wilde ook liever blijven.’ Ander’s ogen ruste op mij alsof hij probeerde meer te zien. Mijn hand, nog steeds op het lichtknopje. ‘Ik ben blij dat ik de moed had om naar je toe te stappen vanavond.’ Het was zijn beurt om te blozen. 


    Ben zo terug – Bart

  • Leven in een kistje IX (De eerste keer 4)

    Leven in een kistje IX (De eerste keer 4)

    Het was koud buiten. De ijzigheid die we binnen voelde was als een koude natte grot, bedompt. Hier buiten was de kou fris. De stroom van mensen vulde de donkere straat. Hier was geen dreiging die ieder moment kon omslaan in geweld. Veilig was het ook niet. We waren allemaal gewend geraakt aan de onderstroom die bezit had genomen van de stad. Voor we aan de hoek van de straat kwamen hoorde we geschreeuw vanuit de open deuren van de club. Er vielen twee mannen naar buiten, rollend over de grond. Scheldend en tierend in de nacht. Opnieuw maakte men zich uit de voeten. Het leek alsof zij door deze dreiging werden achtervolgd, er geen ontkomen aan was.


    De rest van de groep en de uniformen waren ook naar buiten gekomen moedigde aan en in sommige gevallen namen zij deel aan de afranseling die gaande was. De mensen die al buiten stonden werden met harde hand uit de weg geduwd. Zonder tegenspraak onderging het merendeel deze behandeling. Vanuit verschillende mensen werd hun ongenoegen geuit. Vooral als zij op afstand waren. Maar het ongenoegen keerde zich langzaam tegen de mensen die de club uit waren gekomen. Als een groep jagers waaierde zij zich in alle richtingen uit. We sloegen de hoek om. Langs het grote warenhuis waar de verlichte ruiten hun waren tot diep in de nacht tentoonstelde. Zij gaven iets van rust. Tot de hoek waar wij de straat overstaken. Ander kalmeerde mij op de een of andere manier. De straatlantarens beschenen afgebakende cirkels op het trottoir. Als statige supposten die bijschijnen in een donkere theaterzaal. 

    Achter ons klonken nonchalante voetstappen, te ver weg om duidelijk te onderscheiden of het om één of meerdere paren ging. ‘Rustig door blijven lopen,’ zei Ander langzaam en zacht. Dat was voor het eerst dat ik zijn accent hoorde. Ik kon alleen niet onderscheiden waar hij vandaan kwam. Ander keek schichtig over zijn schouder. ‘Ze steken over,’ voegde hij toe. Het voelde alsof hij mij daarmee gerust wilde stellen. Ook ik keek even over mijn schouder. De twee mannen waren al aan de andere kant van de straat en liepen een steeg in. 
    ‘Waar moet je naartoe?’ vroeg Ander zonder op te kijken.  Voetstappen klonken wederom, wij keken beide op. Een echtpaar kwam ons arm in arm tegemoet. Ik hield nog steeds Ander zijn arm vast. De vrouw haar blik bleef op ons hangen, zelfs toen zij ons voorbij was, keek zij nog een aantal keer achterom. 


    ‘De volgende straat moeten we links, die lopen we helemaal uit en rechts om de hoek is mijn kamer,’ vertelde ik Ander. Hij knikte. Opnieuw klonken voetstappen, deze keer achter ons. Maar bij het achterom kijken zag ik niemand. ‘Verbeeld ik mij voetstappen te horen?’ vroeg ik Ander. Hij schudde zijn hoofd, maar zei niets. Ik keek opzij maar zag daar ook niemand. Nogmaals achter ons. Even meende ik een schaduw te zien bewegen… niets! We sloegen zwijgend links af. In de halfschaduw van een steegje stond iemand. De gloed van de smeulende sigaret die zo nu en dan sterker oplichtte, verraadt de figuur. Toen we dichterbij kwamen liet deze zich door het duister verhullen. Alleen het rookwolkje van de sigaret op de grond, gaven nog bewijs van de persoon. Naast het steegje aangekomen was er niemand meer. 


    Ben zo terug – Bart