Lees het vorige deel hier, of lees vanaf het begin!
“Toen wij na een paar uur op de wagen hadden gereden, kwamen we aan bij de stad. Bij het binnenrijden was het druk. Iedereen die langsliep moest ergens zijn. De koopmannen riepen hun waren om. De karrewielen ratelden over de straten die grijs zagen van het vuil, dat zich had afgezet tussen de stenen. De grote kathedraal die gebouwd was met het witte marmer, was grauw geworden van de schoorsteenrook. De Witte Heiligen hadden daar hun thuis gemaakt. Het stadsplein werd door de algemene bevolking als leefplaats gebruikt. Een dronken man hing tegen de waterpomp en twee jongetjes rende achter elkaar aan. Mijn vader tilde mij van de wagen. De stenen van het plein waren glad gesleten. ‘Blijf dicht bij mij,’ zei mijn vader, ‘als je niet weet waar je bent loop dan terug naar de waterpomp, ik kom daar ook naartoe’. De drukte van de stad was voor mijn plattelandsogen hectisch en zonder enig doel.
Nog voor vader mijn hand kon pakken was er onenigheid aan de andere kant van het plein. De menigte die zich gevormd had bestond voornamelijk uit arme mensen, die in een cirkel rond een groep mensen in witte habijten stond. De groep waaierde over het plein. De onenigheid was ontstaan door twee mannen die beiden beweerde dat zij als eerste aan de beurt waren. De rest van de menigte waren mensen die in hun nieuwsgierigheid op de drukte afgekomen waren. De massa groeide snel dat veel geduw en getrek tot gevolg had. De witte gewaden kwamen rechtstreeks op ons aflopen. Een arm duwde mij aan de kant, een schroeiende pijn nam elke waarneming weg. Rode vlekken verhinderde mij het zicht. Opeens was ik weg. Een donkere straat ingedrukt door de mensen. Ergens hoorde ik mijn naam. ‘Ik ben hier!’ riep ik, maar ik kwam niet boven het geluid uit.
Uit de schaduw van de witte kathedraal kwam een vrouw met lange grijze haren. Zij kreunde terwijl ze naar voren stapte. ‘Jonge man,’ zei ze met een krakende stem, ‘ben je hier alleen?’. Het was koel in de schaduw en rustiger na de hectiek van het drukke plein. ‘Mijn vader…’ probeerde ik haar uit te leggen. ‘kom maar naar binnen, dat is veiliger’. Zij wees naar de kleine houten zijdeur. ‘Ik moet naar de waterpomp… vader wacht daar op mij’, probeerde ik haar uitnodiging weg te wuiven. ‘Je wordt platgedrukt door de mensen, binnen kun je wachten tot het rustiger wordt’. Zij stond al half in de deuropening. Voorzichtig stapte ik naar binnen. Haar hand greep mijn schouder beet.
De dame voegde zich bij de andere zusters. De oudste van de drie dames stapte naar voren. ‘Wat wilde je vragen?’, zei ze zonder enige emotie. Haar woorden bleven hangen in de lucht. Overdondert door de onverwachte vraag bleef ik sprakeloos staan. De met wierook gevulde ruimte, maakte mijn hoofd wollig. Ik kon geen vraag bedenken. ‘Mijn vader wacht bij de waterpomp’, zei ik hopeloos. De binnenkant van de kathedraal was donker, geen witte heilige maar grijze dames in grijze gewaden. Het was koud na de warme buitenlucht. ‘Je bent hier alleen?’ vroeg de andere dame. ‘Mijn vader is buiten en…’
‘Je bent alleen gelaten.’ De dame trok haar wenkbrauwen omhoog. ‘Nu moet je het zonder doen. Alleen op de wereld.’ Ik probeerde er tussen door te komen maar telkens als ik het probeerde, begon de dame weer te praten. ‘Je vader heeft je verlaten’.
‘Niet! Mijn vader wacht op mij. De menigte heeft ons uit elkaar gedreven. Ik moet hem zoeken!’. De dames keken mij met grote lege ogen aan. ‘Kind’, zei de jongste van de drie. ‘Je weet niet waar je het over hebt. Wees maar blij dat wij je hebben gevonden anders had je op straat moeten leven.’
Het grijs werd steeds donkerder rondom mij. Met veel kabaal sloeg de deur open. ‘Helops!’, mijn vader kwam naar binnen gestormd. ‘Ah, u bent de vader?’, zei de oudste dame. ‘Mijn zoon! Waarom heeft u hem meegenomen? Ik heb hem gezegd bij de waterpomp op mij te wachten’, vader keek kwaad. ‘U heeft hem alleen gelaten’ zei de oudste dame. De woede was van mijn vaders gezicht af te lezen. ‘Een vader die zijn jonge zoon alleen laat… dames, wat vinden wij daarvan?’. Een zweem van een glimlach speelde rond de mond van de oudste. ‘Ja, ja’, zei de derde dame die tot nu haar mond had dicht gehouden. ‘Het ouderschap laten vallen. Misschien moeten wij die taak maar overnemen. Meneer ontzetten uit zijn functie’. ‘U bent niet geschikt als ouder’, zei de jongste. ‘Ja, ja’ zei de middelste dame weer. ‘Wij hebben hier de zorgtaak’, zei de oudste dame ‘en als u zich niet geroepen voelt om daar aan te voldoen, moeten wij dat overnemen’. ‘Helops!, hier!’, commandeerde mijn vader mij. Ik had hem nog nooit zo tegen mij horen spreken. Ik rukte mijn schouder los waar de oudste dame mij nog steeds vast had. Pas toen ik los was voelde ik mijn lichaam weer warm worden. Alsof alle gevoel voor warmte opeens weer onderdeel van mijzelf was geworden. Half achter mijn vaders been verscholen keek ik de dames uitdagend aan. Vader raspte onbegrijpelijke woorden. Blaffend naar de dames. Zíj doken in één en stapte alle drie tegelijkertijd naar achteren. Zij waren bang. Maar voor wát?
Op de weg terug naar huis werd er niet gesproken. Alleen zei vader; ‘niets tegen je moeder zeggen! Die zou alleen maar ongerust worden’. Zo ontdaan van het hele voorval durfde ik niet te vragen wat hij in de kathedraal tegen de drie dames had gezegd. Misschien moet ik het vader later eens vragen.”
Lees hier verder.
Ben zo terug – Bart