Tag: nederlands

  • Een leven in een kistje

    Een leven in een kistje


    6 januari 2000

    Na mijn werk kreeg ik een telefoontje met de vraag of ik voor de Historische Vereniging iets zou willen ophalen. Meestal krijg ik spullen aangeleverd, dus dit was wat onverwachts. Ik kon er makkelijk langs rijden, het was maar een klein stukje om, dus dat was geen probleem. Bij aankomst stond er een statige dame op mij te wachten. Ze vertelde dat zij geen familie was, maar dat zij hier eten langs kwam brengen voor de twee oudere heren. Ze hadden haar gevraagd om dit te regelen. In het midden van een ronde tafel stond een kistje. “Dit is het!” had ze gezegd. Er zou een sleutel moeten zijn maar die kon ze niet vinden. Mocht ze die nog tegenkomen zou zij die alsnog aan mij komen brengen. Toen ik vroeg of zij wist wat erin zat, welde er tranen op in haar ogen. “Een leven…” zei ze stil, maar kon niet precies uitleggen hoe of wat. Wel gaf ze me nog een envelop met twee krantenknipsels van de overlijdensadvertenties.


    Het kistje staat nu voor mij. Ik heb het gevoel dat het zelfgemaakt is. Het lukt mij niet om het slot open te krijgen en ik wil het niet kapot maken. Misschien vertelt het wel veel meer een verhaal dan het lijkt. Heb gevraagd of Mart de sleutelmaker een kijkje wil nemen. Dus de inhoud moet nog een dagje wachten.  Morgenavond komt hij langs om het te proberen met zijn ‘oude sleutelbos’. 


    Ben zo terug – Bart

  • Witte verf 3/3

    Witte verf 3/3

    Lees hier vanaf het begin.

    Het water uit de doek die hij uitwrong was nog warm. Hij droogde zijn handen met de doek en probeerde zonder alles onder de latex te smeren, de verf op te vegen. Dat lukte hem niet in één keer. Voor de zekerheid vouwden hij de schone kant naar buiten. Haalde het nogmaals langs de vloer en stond op. Bij het weglopen, gleed zijn voet weg tegen de ladder. ‘Shit!’ zei hij bij zichzelf.

    hands with white paint on brown paper
    Photo by Nataliya Vaitkevich on Pexels.com

    De bak die hij had aangevuld met verf verschoof, gelukkig bleef deze staan en kon hij zichzelf in evenwicht houden. De adrenaline schoot door zijn lichaam. Een stroomstoot warmte trok in minder dan een seconde door hem heen. Met een boogje wierp hij de doek in de emmer sop en zocht de handdoek die hij eerder had gebruikt. Die hing over de reling. Hij greep de handdoek en droogde op zijn knieën de natte plek. 

    In de gauwigheid met opstaan, stootte hij zijn hoofd tegen de stijl en drukt de ladder daarmee uit evenwicht. Hij greep naar de trap om hem overeind te houden. Maar de adrenaline maakte zijn beweging iets te snel en liet de ladder de andere kant op kantelen. De verfbak verschoof. De roller bleef achter één van de stijlen haken terwijl de verfbak van het platform van de trap gleed. Hij gooide de handdoek naar achter, stabiliseerde de trap en probeerde de verfbak tegen te houden. 

    Zijn hand raakte de bak maar kon niets aan de gladde onderkant vastgrijpen, met als gevolg dat deze in zijn geheel met latex en al naar beneden viel. Als een soort laken van witte verf, een paraplu. Net toen hij zijn ogen gesloten had spatte de koude verf over zijn gezicht. De verfbak raakte zijn voorhoofd, draaide over zijn hoofd en gleed langs zijn rug naar beneden. 

    Toen hij zijn ogen had vrij geveegd kwam de roller alsnóg naar beneden en lande midden in zijn gezicht. Het wilde nog even laten merken… ‘Dat krijg je er nou van!’

    En toen ging de bel!

    Ben Zo Terug – Bart

  • Witte verf 2/3

    Witte verf 2/3

    leest hier deel 1

    Hij verzette de trap naar links en inspecteerde zijn werk. De eerste helft was sneller gegaan dan hij had gedacht; ondanks de dwarsbalken die het schuine dak onderverdeelde in drieën. Zo-even had hij het gevoel nog gehad dat het hem nog een uur gaan kosten… maar het viel mee. “Nog het laatste stuk,” zei hij tegen zichzelf. Hij nam een slok uit het blikje cola dat hij boven op de kachel terugzette. 

    person painting the wall with a roller
    Photo by Blue Bird on Pexels.com

    “I Want to break free,” zong hij met Freddie Mercury mee. Met het oppakken van de roller, viel een dikke klodder witte latex naast de trap op de grond. Al zingend zette hij de roller tegen de schuine wand en haalde deze langs het grauwe wit. Haalde een pluisje van de verf en rolde tot aan de nok en weer terug, er opnieuw langs. De verfbak was leeg. Een grote emmer stond beneden op de grond. Hij legde de roller op het geribbelde schuine deel en stapte naar beneden. Daar pakte hij het roerhoutje dat op de deksel van de emmer lag, opende deze en roerde de verf om. 

    Hij was op de onderste trede van de trap gaan staan om de bak te pakken. Met zijn andere hand hield hij zich vast. Met het van de trap afstappen raakte hij de verfbak tegen een van de treden. Het was genoeg, om de roller die topzwaar was te laten verschuiven, om over de rand te vallen. Hij liet de trap los en probeerde hem op te vangen in zijn vrijgekomen hand. Maar… hij was te laat. En voelde hem tegen zijn dij aan komen. Alsof het instinct was sloeg hij de dijen tegen elkaar en kon de wit geworden vacht nog net tussen zijn knieën klemmen. 

    ‘Alsof ik in de verf geknield ben,’ dacht hij bij zichzelf toen hij de roller tussen zijn benen vandaan had gehaald. Hij zette de blauwe bak naast de emmer op de grond en vulde de verfbak. Met het roerhoutje schraapte hij de rand van de emmer schoon en drukte met zijn volle gewicht de deksel weer dicht. Terwijl hij de spullen weer bovenop de trap zette viel hem de klodder verf die eerder was gevallen, op. ‘Voor ik uitglij en alles wit is. Laat ik dát maar even weghalen.’

    Lees hier verder

    Ben Zo Terug – Bart

  • Witte verf 1/3

    Witte verf 1/3

    Op de achtergrond klonk Queen vanuit de kleine boxjes van zijn telefoon. Onder de schuine wanden van het dak, dat hij met witte verf aan het beschilderen was. Het leek alsof de verf wilde bewijzen hoe verkleurd de wanden waren. Na de installatie van de nieuwe kachel had het hem een goed idee geleken om alles weer een nieuwe laag helder wit te geven. Het gaf aan hoeveel tijd er verstreken was na de vorige keer. Alsof hij het had laten verslonzen, vervallen.

    De roller was volledig doordrenkt en liet een dunne laag achter, die met elke beweging een meer voldaan gevoel gaf. Tegen het hoogste punt was het een overeenkomst tussen balans en houvast. De trap stond stevig, de hoogte bracht wat onzekerheid met zich mee. De mengeling van het vasthouden van de roller, de trap en de bak waar de verf in zat. Om het hoogste punt te bereiken moest hij zich volledig uitrekken. Tot hij op zijn tenen stond. 

    Met een kleine beweging bracht hij zichzelf even uit balans en drukte zijn hand tegen het pas geschilderde oppervlakte om zichzelf staande te houden. Tijdens het neerzetten van de verf en roller had hij ongemerkt zijn andere hand en een paar vingers in de verf gedrukt. Hij smeerde het wit aan zijn broek. Haalde zijn andere hand langs zijn voorhoofd en liet daarmee een witte veeg achter. 

    Weer zeker geworden kon hij zijn handafdruk opnieuw wegwerken alsof het nooit gebeurd was. Onopgemerkt de geschiedenis in verdwenen.

    Lees hier deel 2

    Ben Zo Terug – Bart

  • Perspectief

    Er is een hoop te zien. Het vreemde is dat iedereen leeft. Het vrouwtje dat voor mij zorgt is in de zeventig en zit stil naast mij. Wij staan buiten het leven, iedereen negeert ons. Een jongetje steekt zijn hand naar mij uit. Ik strek mijn nek uit, ruik zijn geur en lik zijn vinger. De moeder trekt hem bij mij weg. Even was er contact met de buitenwereld. De trein stopt en leegt zichzelf, dan word hij opnieuw bevolkt. Nieuwe geurtjes en mensen om mee te communiceren. De wanden blijven staan en zij zit nog steeds stil naast mij.

     Ben zo terug – Bart

  • Nieuws

    De houten vloer kraakte toen ik de eerste stap in de donkere gang zette. Een heldere stem kwam vanuit de slaap kamer ‘bent u daar?’. De gordijnen in de woonkamer waren nog gesloten. ‘Sorry dat ik zo laat ben’ ik zei het zonder er verder bij na te denken. Ik drukte het licht aan in de gang en opende de slaapkamer deur. ‘Goede morgen, heeft u lekker geslapen?’. Haar wenkbrauwen fronste naar mij; ‘sorry hoef je niet te zeggen.’ zei ze bits. De glimlach brak door haar gespeelde verontwaardiging. ‘Jullie hebben het al zo druk’. Een grande dame zat half rechtop in bed. De grijze haren hingen los langs haar gezicht en de wit-roze nachtjapon was zo’n twee maten te groot. ‘Maar ik heb goed geslapen hoor. Een wilde nacht, dat zie je wel’ zei ze wijzend op naar haar hoofd. ‘Ik heb er nog iets van proberen te maken…’ mompelend voegde zij er aan toe ‘vandaag en jonge broeder op bezoek’.

    Ik had haar naar de rand van het bed geholpen, waar ze nu zat met haar benen bungelend boven de vloer. ‘Douchen’ zei ze vanuit het niets en greep naar de bediening van het bed om deze te laten zakken. ‘wilt een stoel?’ ik vroeg het sarcastisch. ‘Ik ben geen tachtig!’ zei ze beledigt terwijl ze haar neus op trok. ‘Nee dat is waar, u bent in de negentig’. Ze pakte mijn arm en trok zich omhoog terwijl ze zei, ‘ik ben een dame’. ‘Daar heb ik zo mijn twijfels over…’ haar lach galmde door de gang. ‘loop eens een beetje door!’ zei ze ‘wie is hier wie nou aan het helpen?’ voegde ze er nog aan toe.

    Terug in de kamer na het douchen zat ze op een keukenstoel recht voor de televisie. Ik had de taak gekregen haar haren te kamen en op te steken. Ze zette de tv aan op het nieuws. Haar kleine kamer was aan één kant een want vol met boeken. Op het tafeltje bij haar luie stoel lag het laatste boek van Arthur Japin open op een stapeltje met Per Olov Enquist en Ingrid Jonker. Het nieuws opende met een aanslag in Amerika. Achtenvijftig doden en meer dan tweehonderd gewonden. De monotone toon van de nieuwslezer verraadde op de één of andere manier meer van zijn emoties dan de bedoeling was. Nog voor het nieuws verder ging zette zij het af. Haar schouders hangend en haar hoofd gebogen.

    Een traan rolde over haar wang toen zij haar hoofd hief. ‘Ik ben vaak bang weet u?!’ het klonk bijna kinderlijk. Opeens was ik de volwassene, moest ik de vragen beantwoorden. ‘Hoe moet het verder?’ vroeg ze. ‘Ik denk dat we worden opgehitst door mensen die nog banger zijn dan wij…’ mijn stem stopte, teveel gedachtes zonder enig antwoord. ‘Aan het eind van de tweede wereldoorlog werd er op een zelfde manier door de Duitsers op mensen geschoten op de Dam. Dat was aan het einde van een oorlog. Een spasme, een nawee. De oorlog moet nu nog beginnen’.

    Ben zo terug – Bart

     

  • Gevangenis van woorden.

    Als het laatste woord getypt is begint pas de onzekerheid. Een beeld gevangen in woorden. Niet de vorm of kleur, maar het idee. Met de beschrijving begint de onzekerheid te vloeien. Met elke zin, elk idee. Het over lezen en opnieuw proberen. Tot uiteindelijk een lege pagina.

    Ben zo terug – Bart

  • Mag ik u vragen…

    ‘… laat ik anders beginnen’ zei de oude man serieus. ‘Toen de zon op kwam, het leven ontwaakte en de eerste haan kraaide… was het leeg. Niet leeg maar er was geen gedoe. Althans er was wel gedoe, maar alleen van wat er was achtergelaten. De voordeuren van huizen stonden open, de beslapen bedden lagen onopgemaakt, er fladderde een merel langs de verstilde auto’s en een nieuwsgierige kauw stak zijn zwarte snavel door een open deur om naar binnen te kijken. Vanuit een van de huizen klonk een wekker. Het apparaat was overbodig geworden in deze afwezigheid van mensen. Een kat lag uitgestrekt in een portaal van de zon te genieten. Het was geen “verandering” geweest de wereld werd niet bewoont door kakkerlakken zo groot als mensen.
    Naarmate de uren verstreken en de zon hoger aan de hemel kwam kwamen er steeds meer dieren uit hun schuilplaats. Het duurde niet veel langer voordat diezelfde dieren de woningen binnen gingen. Tegen de zonsondergang verzamelde de dieren zich in de woonkamers. Zij sliepen op de banken, stoelen en zelfs in de lege bedden. Maar de meeste zochten hun eigen plekken op, gewoon in de natuur zoals zij dat gewent waren.’
    De oude man keek zijn kleinzoon met grote ogen aan.
    ‘Opa?’ vroeg de jongen onzeker, ‘wat heeft dit met de politiek te maken?’ Hij ging met zijn knieën op de stoel zitten en leunde, richting zijn opa, op de grote keukentafel die tussen hen in stond.
    ‘Nou…’ zei de oude man nadenkend terwijl hij zijn bril op zijn neus omhoog schoof. ‘Je weet toch dat mensen dieren zijn?’ De jonge knikte. ‘En dieren hebben instincten. Zij doen wat ze moeten doen om te overleven. Dat is niet altijd aardig of lief. Sommige dieren eten elkaar op. Mensen hebben ook instincten, die zijn ook niet altijd lief of aardig. Mensen zijn net als de aapachtige, sociale dieren. Dat betekend dat zij elkaar helpen en dat zij voor elkaar zorgen zodat iedereen veilig is of uit eigenbelang. Als die veiligheid in het geding komt, door bijvoorbeeld een slechte economie of omdat er oorlog is en het niet veilig is, dan vallen mensen terug in gewoontes om te overleven. Een van de manieren waarop mensen terug vallen in dat soort situaties is door een verschil te zoeken tussen henzelf en de ander. Als het slechter uitpakt voor mensen in een langere periode dan zoeken zij naar een oorzaak. Wanneer die oorzaak nou eens heel gemakkelijk op een andere groep mensen kan worden afgeschoven; Dat is namelijk een ander instinct om te overleven, het zoeken van een gezamenlijke vijand. Want samen ben je sterker.’ De grote ogen hadden plaats gemaakt voor een sombere blik.
    ‘En daarom…’ doorbrak de oude man zijn stilte ‘is het belangrijk dat je weet wat er zich in de geschiedenis heeft afgespeeld. Zodat je je bewust bent van welke fouten er te maken zijn, en wat ons dat oplevert.’ Hij keek naar de frons op het voorhoofd van de jongen. ‘Heb ik zo je vraag beantwoord?’ vroeg hij met een kleine glimlach om zijn mond.
    ‘Ik denk het… ik denk dat ik begrijp wat u bedoelt.’

    Ben zo terug – Bart

  • Mist

    Terwijl ik zucht komt mijn adem vrij als een wolk stoom uit een locomotief. De rijp heeft zich aan de uiteinde van de takken vast gezet. Het gras is groen en geel en op sommige plaatsen lichtbruin. De bruine bladeren knisperen onder mijn voeten. De lichte vorst had een laagje ijs gecreëerd over de plassen aan de rand van de weg. De bomen en bosjes omarmen de weg die door de weilanden loopt. Een schaap blaat vanuit een groep die om warmte te creëren dicht bij elkaar is gaan staan. Alles is aangeraakt door de vorst. Terwijl ik verder loop door de laan, richting de dijk, lijkt de lucht te veranderen. Een koude lichte motregen kwam op samen met een lichte mist die de tempratuur deed verlagen. Met iedere stap die ik zette leek de mist dichter te worden, het geluid verder van mij verwijderd, de wereld minder werelds.

    De omgeving was er niet meer. De punten van herkenning waren verdwenen. Meer dan een meter zicht kan er niet geweest zijn. Alsof mijn wandeling verplaatst was van de laan door de weilanden naar een wandeling in de wolken.

    Het werd zwaarder om vooruit te komen alsof ik omhoog liep. Uiteindelijk kwam ik boven de mist uit. Tot mijn verbazing was er niets! Ik weet niet waarom maar ik had verwacht tenminste de haan van de kerktoren boven het wit uit te zien komen. Maar er was niets. Het was werkelijk alsof ik boven de wolken was gekomen. Een oude man zat verderop met een lam op zijn schoot. Hij zat voor zich uit te staren, een tevreden glimlach om zijn mond. Toen ik hem benaderde en vroeg wie hij was, keek hij achter zich.

    hij keek mij met een meewarige blik aan; ‘Ik ben hier om de verdwaalde de weg terug te wijzen.’ Daarna leek hij door mij heen te kijken. Ik draaide mijn hoofd, om te zien waar hij naar keek, toen ik terug draaide was hij verdwenen. Zonder ook maar te zijn omgedraaid vond ik mijzelf in de dichte mist aan de rand van het dorp. De kerktoren nog nét zichtbaar.

    Ben zo terug – Bart

  • In de stoel

     

    ‘Ik was een jaar of zeven toen ik opeens iemand moest zijn. “Wat wil je later worden?”, was de vraag; niet dat deze nog nooit eerder gesteld was. De urgentie was anders. Als een hert dat zich blind staart in de koplampen van een naderende vrachtwagen. Er hing iets vanaf.’ Ik viel stil. mijn brein vulde zich met herinneringen.
    ‘In eerste instantie gaat het over een beroep. Ik denk dat ik niet eerder had nagedacht over wie ik was. Nu moest ik opeens een toekomst kiezen. Niet officieel, dat kwam later.’ Een merel staarde naar binnen, alsof het televisie aan het kijken was. Hij vloot zacht, of hij wilde zeggen “Stil nou, ik wil weten waar het over gaat”.
    ‘Het enige wat ik kon bedenken was iets dat mijn interesse had. Theater en cabaret. Dus werd ik een cabaretier. Misschien was het nog wel meer de taal. Ik schreef volledige liedteksten uit. Veelal luisterend naar cd of lp. Nu begrijp ik die fascinatie beter, het heeft veel meer te maken met wat iemand zegt en wat het betekend.’ De thee die naast mij stond was van het soort dat een laagje schuim op zich draagt, omdat het uit een automaat komt die het water niet kookt maar warm maakt.
    ‘Wist je wie je was?’ vroeg ze mij toen ik een tijdje stil was.
    ‘Nee, dat denk ik niet.’, zei ik na lang twijfelen. ‘Nu denk ik vaak had ik maar beter nagedacht, mijn tijd beter besteedt, meer zelfonderzoek gedaan naar wat ik wilde. In de jaren die volgde waren er genoeg mensen die wel een idee hadden. Alsof je tweedehands aan je beroep kunt komen. Ik heb het in ieder geval op die manier geprobeerd. Ik heb in winkels gewerkt, in de zorg, in een restaurant en nu weer… ’ mijn stem daalde af tot er niets overbleef, ‘verschillende opleidingen gedaan en dingen geprobeerd. Ik weet in ieder geval dat ik niet gemaakt ben om voor de klas te staan. Ik heb ethische en morele problemen met het testen van mensen.’
    ‘Weet je wie je nu bent, of wat je wil worden?’ sneed haar stem door mijn meanderende geklets.
    ‘Ik weet nooit wat ik met mijn kennis moet. Ik weet van alles, maar waar ik het voor zou kunnen gebruiken, ontgaat mij totaal.

    O, what can ail thee, knight-at-arms,
    Alone and palely loitering?
    The sedge has wither’d from the lake,
    And no birds sing.
    (La Belle Dame sans Merci – John Keats)

    Daar is nog nooit iemand op aangenomen. Of:

     

    Daar zie ik ook mezelf. Alleen
    mijn hoofd deint boven het watervlak,
    beweegt de mond als sprak
    het, een verbaasde zeemeermin.
    (Afsluitdijk – M. Vasalis)

    Of nog beter:

    Our history books refer to it
    In cryptic little notes,
    It’s quite a common topic on
    The transatlantic boats;
    I’ve found the subject mentioned in
    Accounts of suicides,
    And even seen it scribbled on
    The backs of railway-guides.

    Dat is van W. H. Auden het gedicht heet; O, Tell Me the Truth About Love. Ik heb het in een boekje met een Nederlandse vertaling van Willem Wilmink. Maar wat heb je er aan? Dat is de echte vraag. Het is niet dat ik het twintig keer gelezen heb en het daardoor zo kan oplepelen. De gedichten die ik echt mooi vind, heb ik nooit in mijn hoofd kunnen stampen. Ik kan refereren aan filosofen en hun filosofie en aan mensen die ik interessant vind. Stephen Fry, Dan Savage of Christopher Hitchens. Maar ik heb er niets aan, ben er nooit beter van geworden en het heeft mij nooit tot een daadwerkelijk doel geholpen. Laat staan een beroep. Dus nee, ik heb eigenlijk nog steeds geen enkel idee.’
    Haar ogen gleden naar haar pols. Het horloge, de wijzers, de aangegeven tijd. Ik sloeg mijn armen over elkaar en ging achterover in de stoel zitten.

    Ben zo terug – Bart