Tag: Mensen

  • Verwachting

    Het moet een uur of tien zijn geweest toen ik mijn lange jas aandeed de sjaal om mijn hals hing en de hoed op zette om samen met Thé richting het ziekenhuis te gaan. Door de koude lucht leek mijn warme adem, als grote stoomwolken uit een locomotief, door mijn neus naar buiten te komen. De afspraak was met een vrouwenarts. We waren al een poos bezig om na onze huwelijkse gelofte een gezin te stichten, zonder enig resultaat.
    Een kennis had ons gewezen op een arts die mensen, waarbij het verwekken van een kind maar niet wilde lukken, op weg hielp. Thé zat al in de auto, toen ik naast haar plaats nam zei ze met een zachte stem,
    ‘ik hoop dat het goed komt’. Haar donkerblonde krullen schitterde in de nog laag hangende zon. De zenuwen waren van haar gezicht af te lezen.
    ‘Ik denk niet dat wij ons zorgen hoeven te maken’, probeerde ik haar te overtuigen terwijl de zorgen die ik zelf had wegschoof. Het was een uur rijden, we spraken tijdens de rit naar het ziekenhuis nauwelijks. Haar handen omklemde de hengsels van haar handtas alsof het de laatste zekerheid was die ze nog had. De lederen handschoenen tegen de kou lagen op haar schoot, onder haar tas en de bruine wollen jas die zij half had open geknoopt. De heldere vrieskou gaf een eerste gevoel van de lente. Alles was door de dauw wit gekleurd en de wegen waren, op een enkele auto na, verlaten. Zeker een minuut of twintig voor dat we aankwamen doemde het ziekenhuis boven de leegte van de met wit bedekte velden. Het gebouw was log, groots en onvriendelijk, hier zaten de artsen die mensen hielpen, de slimmeriken die mensen genazen, de knappe koppen die elke ziekte onderzochten en probeerde een medicijn te maken die het tegen zou gaan. Toen ik omkeek om te zien waar Thé bleef, zag ik haar verloren naast de auto staan. Een seconde, een diepe ademteug en ze zette een voorzichtige stap in mijn richting.
    ‘Gaat het?’ ik vroeg het zo nonchalant mogelijk.
    ‘Ja ik…’, haar stem dwaalde weg en ze keek me met een lach aan. ‘Ik moest even… ik ben klaar’ Niet heel overtuigend maar ik liet het er bij. De wachtkamer bleek stil. Niemand had blijkbaar het zelfde probleem als wij. De stem van de arts klonk en noemde onze naam. Zijn kantoor was een ode aan zijn studentenjaren, de diploma’s aan de want gaven blijk van zijn autoriteit. Verder was alles licht en groot, grote ramen, grote kasten met boeken en een groot bureau. Hij had de eerste keer gezegd; dat er waarschijnlijk niets aan de hand was. De afspraak die was gemaakt om de resultaten van de tests te bespreken was een vier tal weken na de eerste afspraak. En nu zaten wij hier. In het zelfde kantoor, met dezelfde arts, maar niet met dezelfde hautaine houding die hij bij de eerste afspraak had. Er was een soort vermoeidheid die ik niet volledig kon plaatsen. Hij keek eerst mij even aan voor hij zijn blik naar mijn vrouw keerde en toen naar de papieren voor zich op zijn bureau.

    Ben zo terug – Bart

  • Kleine fantasie III

    De beek was rustig en meanderde ver binnen zijn eigen oevers tussen droog gevallen zandbanken. De bomen aan de overkant van het water dunde uit en liepen uiteindelijk over in grasland. Voor nu waren we beschermt tussen de bomen en het riet dat langs de oever groeide.  Vanuit de verte klonk een stem echoënd tussen de bomen. Opeens was hij daar weer, de reus. Mijn hartslag versnelde. ‘Jongens jullie moeten eten. Julian’s moeder heeft al een paar keer geroepen’, zei hij. Tussen de bomen en de struiken door zochten we onze weg terug naar Julian’s achtertuin, huis en moeder’s avondeten.

    Ben zo terug – Bart

  • Kleine fantasie II

    Een kleine vogel kwam wild fladderend tussen de takken vandaan. ‘Hier’, Julian had iets te eten uit zijn rugzak gepakt. Het mos op de grond was zacht en voelde aan als een kussen. ‘Wij kunnen hier niet te lang blijven’, hij nam een hap en keek om zich heen. ‘Verderop is water, daar kan niemand ons zien’. Zijn hoofd draaide abrupt en hij zakte door zijn knieën, ‘hoorde je dat?’ siste hij. Ik keek of ik iemand zag. Takken breken niet vanzelf. Zo stil mogelijk bewogen wij ons richting het water. Verder tussen de bomen durfden wij gewoon te lopen.

    Ben zo terug – Bart

  • Kleine fantasie I

    ‘Achter de struiken!’ Julian duwde mij door een kleine opening tussen de takken. Ademloos verscholen wij ons, uit het zicht. Zware voetstappen kwamen recht op ons af. Mompelend bleef hij op het bospad staan. Het was zomer, de dagen warm en de schaduw onder de bladeren koel. Wij slopen verder tussen de takken terwijl de grote man zich om draaide en verder liep. Hij was lang, zeker over de twee meter, een reus in onze ogen. Zijn zware stem donderde tussen de bomen. Zijn blik eindeloos op de grond gericht. Achter een grote eik gingen wij op de grond zitten.

    Ben zo terug – Bart

  • Stoel

    ‘Niet daar!’ zijn stem klonk hard. De zwarte stoel was leeg. Al jaren had er niemand in gezeten. Het was een obsessie voor hem geworden. ‘Het spijt mij. Ik probeerde u niet…’, de jonge man was niet instaat zijn verontschuldiging af te maken. ‘Ga daar maar zitten’ een tengere grauwe hand wees naar de andere kant van de kamer. ‘Juist’, zei de jongeman en ging op de aangewezen stoel zitten. Hij sloeg het geheel gade vanaf een prettige afstand. De lege stoel fascineerde hem. “Wat was het verhaal van de stoel? Wie had er gezeten? Wie mag er nu zitten?”

    Ben zo terug – Bart

  • Ontmoeting

    Honderdtachtig jaar oud is hij. Niets aan zijn gezicht verraad die leeftijd of dat, wat hij moet hebben gezien. Het is stil. De glinstering in zijn ogen verraad zijn honger naar kennis van de wereld, zijn nieuwsgierigheid. Hij is aan de andere kant van de grote zaal. Hij is aanwezig, in het moment en even alert als toen hij twintig was. Het haar is wild een bos ongetemde krullen die glanzen in het licht. Als ik dichter bij kom is zijn staren intens. Hij beziet, maar velt geen oordeel.
    Portret circa 1917, schilder onbekend” vermeld het zwarte bordje naast hem.

    Ben zo terug – Bart

  • Een ander

    Zijn twee dagen stoppels schuren langs mijn schouderblad. Zijn lippen tegen mijn nek. De adem en kippenvel. Hij trekt mij tegen zich aan. ‘Ik moet morgenochtend vroeg weg…’ spreekt zijn schorre stem, meer in het algemeen. Een zoen. De haren op zijn borst kriebelen mijn rug. Langzaam komt zijn lichaam in beweging. Slaat het laken van zich af en stapt uit bed. ‘Ik ga douchen’. Alleen, bleef ik in een eindeloos bed. Straks is hij een ander. Ik snuif zijn geur, een geest. Straks is hij in pak.
    In de zomer vind ik hem leuker; langere haren een robuuster personage.

    Ben zo terug – Bart

  • De bel I

    Het kleine huisje lag verscholen in het landschap dat Hendrik Marsman in zijn “Herinnering aan Holland” beschreef. Het was de tweede poging die zij waagde om de oude man te bezoeken. Het was haar taak de man over te halen zijn oude huis te verlaten. De geweldige ruimte uit te stappen en zich te laten bemoederen in een aanleunflat. Hij wist van haar komst, toch had hij niet open gedaan. De olmen-laan waaraan zijn kleine boerderijtje lag zal snel door de grote machines worden verdrukt. Zij had zijn hoofd even voor het raam zien verschijnen tussen raampost en plant.

    Ben zo terug – Bart

  • Droom realiteit

    ‘Sluit de deur!’ klonk het vanuit de donkere ruimte. Alles aan hem was hoekig en scherp. Zijn dreunende basstem en zijn logge lichaam, zijn zwaar aangezette zwarte wenkbrauwen en zijn kolenscheppen van handen. De puntige wandelstok, die hij gebruikte om door zijn overvolle kamer te komen op weg naar het watercloset, beangstigde mij. Het leek op een mes dat de loper in de gang met kleine prikken probeerde te vermoorden. Hij was de enige die de badkamer en het closet mocht gebruiken, het was tegen over zijn kamer. Verder dan daar kwam hij niet, de kleine wereld van een negentigjarige. Ik zag hem haast nooit. Eén keer had ik hem met mijn moeder horen spreken. ‘Kinderen zijn lui en hebben geen respect’. De gang waar zijn kamer aan grensde, leek donkerder dan de rest van het huis. Heel soms kon ik hem door zijn kamer horen lopen. Het was nog zeldzamer om geluid uit zijn kamer te horen komen. Zo ver ik mij kon herinneren was het maar een handvol keren gebeurd dat ik muziek had gehoord. Een klassiek pianostuk was het enige wat ik me kon herinneren. Eén van de lichtste soorten. De toetsen nauwelijks aangeraakt, daardoor des te pijnlijker.

    ’s Nachts droomde ik van de man die ons huis onder een permanente deken van stilte legde. Ik wilde niet graag alleen in het huis zijn met de oude man. Toch gebeurde dat zo af en toe als mijn beide ouders waren uitgenodigd voor een feest. Ik bleef wakker tot ik de stemmen van mijn vader en moeder, onderaan de trap te horen waren. Toen ik jonger was lag in dat wakker blijven de uitdaging. Vaak was de slaap sterker. Ik droomde van de grote man, die stil zijn ronde door het huis maakte als niemand hem zag.

    Zijn donkere basstem klonk naast mijn oor, haast onhoorbaar. Onderaan de trap bij de voordeur klonk gestommel. Voor ik uit mijn bed kon stappen bracht hij zijn wijsvinger naar zijn getuite lippen en gebaarde mij mee te komen. In volledige stilte klom ik uit mijn bed. ‘Kom’ zei hij zacht ‘mijn kamer’. We slopen samen van de wenteltrap naar de eerste verdieping. Het gestommel beneden had zich naar de keuken verplaatst. Over de overloop richting de gang waar zijn kamer zich bevond. De voetstappen werden duidelijker. Een stem fluisterde: ‘Doe voorzichtig als je naar boven loopt’.

    De geur van rotte eieren klom voor de binnen sluipers uit. Voorzichtig sloot hij de deur. Ik had niet gedacht dat hij zo stil kon zijn met zo’n log lichaam. Ik probeerde een betere omschrijving te bedenken voor de geur die ik boven aan de trap had geroken. Zwavel of gas.

    Zijn kamer was gevuld met een goudkleurig licht, de blokken hout in de openhaard smeulde nog en gaven een oranjerode gloed. De kamer was gevuld met spullen. Twee grote werkbanken die zich door de gehele ruimte uitstrekte. Glazen flessen, vijzel en branders, oliën en potjes met poeders. De wanden waren bekleed met grote boekenkasten. Het rook er naar pepermunt en lavendel en leer. De twee kaarsen die brandde leken twee keer zoveel licht af te geven dan een normale kaars. Hij liet de kaars bij de deur aan, terwijl wij verder het vertrek in liepen. Zo ver mogelijk bij de deur vandaan. De kaars het dichtste bij ons doofde hij tussen zijn duim en wijsvinger.

    Tussen zijn vingers glom iets dat op zwart glas leek. ‘Dit is geen scheikunde’ siste hij tussen op elkaar geklemde kaken. Hij blies richting de deur en duwde mij achter zich. Er leek niets te gebeuren. Toen de deurkruk zich langzaam naar beneden bewoog liet hij het zwarte, glimmende glas vallen en trapte het met zijn hak kapot.

    De duisternis die door het felle kaarslicht verdreven was kwam terug in de kamer en door zijn zucht braken de zwarte wolken uiteen en verdeelde zich. Het zwart leek zwaarder; het licht van de kaars kon er nu maar moeilijk doorheen schijnen. ‘U bent niet welkom hier’ zijn zware stem was nog een octaaf gezakt en deed alles in de ruimte trillen. Vanachter zijn brede armen zag ik een lange slanke hand om de deur heen krullen. Een statig kort mannetje met een wandelstok kwam door de deur. Hij glimlachte. Zijn stem was hoog en ijzig. De zware geur kwam de kamer in rollen en sloeg met een slag de adem uit mijn longen. Een groene glinstering steeg langs de wanden omhoog. ‘Het is niet hier’ zei zijn zware stem, ‘er valt niets te vinden. Doorzoek alles maar’. Achter het kleine mannetje was een lijzige grijze figuur binnen gekomen. Zijn huid leek van was en licht doorzichtig. Weer blies hij. Deze keer harder. De deur die de lijzige figuur had vast gehouden sloeg uit zijn handen. ‘Ik heb liever dat u nu gaat!’ zijn toon was lichter en dwingender. Hij liet een oranje balletje vallen en trapte deze kapot. Nog voor hij iets kon doen klonk er een zware knal en viel er van alles over mij heen.

    ‘Ga maar lekker slapen’ zei zijn stem ‘morgen is het weer over’. Zijn hand streek over mijn hoofd, ‘het was maar een droom’.

    Ik voelde zijn warme hand langs mijn voorhoofd strijken toen ik mijn ogen weer wilde openen. ‘Opa’ zei ik toen ik de kracht had terug gevonden. ‘Lieverd sta je op, het ontbijt staat klaar’ mijn moeders ogen keken recht in die van mij. ‘Als je zin hebt kunnen we vanmiddag wel een wandeling maken door het bos. Misschien wil opa ook wel mee’. Het was de eerste keer dat ik mij herinnerde dat we samen iets gingen doen met opa…

     

    Ben zo terug – Bart

  • Boodschappen

    Terwijl zij de koffie in haar mandje legt kijkt ze naar de mensen om haar heen. Bij elke hoek kan zij het niet laten om toch alle kanten op te kijken. Je weet maar nooit. En steeds weer de teleurstelling. Haar handen doen de boodschappen, het is dat haar lijf mee moet, dus ook haar hoofd. Hoe dichter zij bij het einde van het pad komt, des te sneller haar handen de producten die ze nodig heeft grissen. Haar hoofd lijkt voor haar lichaam het pad uit te komen. Haar ogen vliegen van links naar rechts. Niets.

    Het volgende pad, eindeloze somberheid. Haar ogen staren naar het einde. Haar oren luisteren naar iedere stem, elk geluid. Terwijl haar handen in de rekken grijpen, wc-papier, inlegkruisjes en tampons, vanuit het niets een kinderstem. alles in haar lichaam moet zij aanspannen om niet toe te geven aan haar instinct. Zien. Aan het einde van het pad stopt haar lichaam met bewegen. Enkel haar hoofd…  van links naar rechts. Haar ogen nemen ieder detail in zich op, totdat ze het zeker weet. Dan keert de somberheid terug en sleept ze zich verder door de eindeloze paden.

     

    Ben zo terug – Bart