Tag: Mensen

  • Orion

    De nacht! De lucht kleurde van donkerblauw naar zwart. In het westen was nog het laatste beetje oranje licht aan de horizon te zien. Wolken sluierde de hemel. De onverlichte wegen, door de vlakke weilanden, maakte de enkele zichtbare sterren nog helderder. Mijn laatste stop deze avond, voor ik richting huis zou gaan. Toen ik weer naarbuiten stapte was de lucht koud. Tussen de donkere wolken was een klein stukje hemel te zien. Om precies te zijn één sterrenbeeld. De nachtelijke jager keek vanuit grote hoogte op mij neer. Zijn riem met drie vonkelende stenen bezet. Zijn zwaard geheven, een uitgestrekte arm. 

    Even bleef ik staan, het licht achter de voordeur klikte uit, ik keek naar hem. Uit het portiek gestapt liep ik over het grindpad naar de stoep. Hij leek dichterbij gekomen. Over de oneffen tegels liep ik langs het plantsoen. Dichterbij. Mijn stappen naar de sterren of de sterren richting mij? Zijn zwaard in de schede, de handen langs zijn zij. Ik keek, de kou had de mensen binnen doen blijven. Het was volledig stil. Nog dichterbij. Stak de straat over, keek nogmaals rond. Niemand in de buurt. Dichterbij. Hij had een gezicht. Niet meer de punten die een sterrenbeeld maken, een persoon. 

    Hij stak zijn hand uit. ‘Orion’, zei hij. Wat verdwaast zei ik: ‘kan ik iets voor u doen?’ Alsof ik opeens wakker werd voegde ik eraan toe, ‘ow, sorry.’ Schudde hem de hand ‘Ander.’ We stonden ongemakkelijk achter mijn auto. Het licht van een lantarenpaal flikkerde. Ik klikte de deuren van de auto van het slot en wees hem naar de deur. ‘Mijn perspectief is anders’ begon hij toen we eenmaal in de auto zaten. Ik lachte en wees hem hoe hij de autostoel naar achteren kon schuiven. Hij zat opgevouwen in het Aygotje, zijn knieën tegen het dashboard. Geen wonder een sterrenbeeld in zo’n klein autootje. Ik schatte hem over de twee meter. ‘Ik sta iets verder weg’ ging hij verder toen hij eindelijk aangenaam zat. Ik knikte en startte de auto. ‘Ik… was van plan naar huis te rijden. Kan ik je ergens afzetten?’ Hij schudde zijn hoofd ‘ik kom wel terug, rijd maar naar je huis.’ 

    ‘Sorry, u zei?’ spoorde ik hem aan verder te vertellen. ‘Ah, ja. Dat ik verder weg sta’ hervatte hij. ‘Er is veel te doen van dichtbij.’ Zijn half lange haren waren achter op het hoofd samengebonden. Er hing een lichte geur van geranium om hem heen. ‘Ik snap de onrustige verwarring wel nu mijn perspectief veranderd is.’ Doordat de wolken de hele lucht verhulde kon ik niet zien of zijn sterrenbeeld nog wel aan de hemel stond. Het viel stil en ik reed rustig verder. Bij het kruispunt ging ik links en reed de dijk op. ‘Ik denk dat het mis gaat…’ hij stopte alsof hij overwoog om niet te vertellen wat hij dacht. ‘Als er niemand waarschuwt.’ Ik reed de dijk af. Hij zat onbeweeglijk, staarde over de weg. Het licht van de oranje lantarenpalen glansde over zijn zwarte haren. ‘Empathie’ fluisterde hij. ‘De meeste mensen proberen het juiste te doen.’ Weer links het dorp in. Hij zocht naar de woorden. Met de weg mee, dan de tweede links. Zijn blik week geen moment van de voorruit. Over de brug en dan de eerste rechts. Terwijl ik de auto parkeerde zei hij: ‘De wereld draait niet alleen om onszelf, maar om veel méér andere. Er is er maar één van onszelf en miljoenen van de andere.’

    Ben zo terug – Bart 

  • Wandeling II Fotogalerie

    De stilte. De lege ruimte gevuld met de wereld. Het leven tot stilte gemaand. Het spelen, dansen, liefde en de lusten gevangen. De woede in al zijn vormen en de interventie. Eén van de foto’s grijpt alle gevoelens in één moment. Niet het toneel maar de werkelijke afspiegeling van het leven; allemaal diezelfde belevenis alleen de reacties zijn allemaal in andere staten. Een heer kijkt met een glimlach naar zijn vrouw; een alwetende blik. Zij begrijpt de situatie op het toneel. Een oudere dame heeft haar handen naar haar nek gebracht. De dame naast haar schaterlacht. Naar achteren twee dames die hun lach met elkaar delen. Een jonge jongen zit vol verwachting te kijken, een andere vol spanning naar voren gebogen. Een oudere heer lacht zijn ogen dicht, zijn hoofd naar achteren en de handen voor zijn mond. Twee jonge dames bespreken lachend wat er gebeurd.

    Als ik mij omdraai; water, spetters. Een foto waarin de verliefde, de volwassenen speelser zijn dan het jongetje dat nog net in frame is. Haar haren zwaaien speels, haar voet schopt water op. Een gespierde rug. Hij heeft haar vast rond haar middel, halverwege zijn gooi. Het water komt tot zijn billen. Het jongetje glimlacht naar iets buiten het beeld. De verdere wereld. Van verder in het water kijken de serieuze volwassenen vermakelijk toe. 

    Ben zo terug – Bart 

  • Zoeken … IV (Een Beetje fantasie)

    lees hier de eerder delen terug

    Het bleef even stil. Het beeld van de jongen, met zijn vader onderweg naar huis, hing in de stille lucht. Aiōn draaide zijn duimen en begon; ‘Van wie kom jij?’ zijn stem voorzichtig, alsof hij bang was het beeld met te veel geluid versplinteren. ‘Cheiron zoon van…’
    ‘Helops’ zei hij, voor ik verder kon vertellen van mijn vader. ‘Juist…’, hij keek uit het raam waar een merel tussen de bladeren opzoek was naar wat eten. ‘Het begin van het begin’ fluisterde hij. Op de achtergrond klonk het geluid van de radio die Aiōn zachter had gezet. ‘Mag ik niet…’ Aiōn hield zijn hand naar mij op alsof hij wilde zeggen: wacht. ‘De Witte Heiligen’ zei hij zacht, alsof hij tegen zichzelf sprak. Langzaam draaide hij zijn hoofd terug en keek mij recht in het gezicht. ‘Weet u waarom ik hier ben meneer Cheiron?’ zuchtte hij zijn vraag. De warme middagzon scheen door het hoge raam over de met stapels boeken gevulde tafel. Het zwarte leer voelde warm tussen mijn vingers. ‘Ik probeer te begrijpen wat uw vraag is’, zei ik. ‘Ik ben hier om het verloop van de tijd te observeren. Ik ben er, maar ik weet niet alles wat er in die tijd gebeurd.’ Zijn stem klonk bedroeft. ‘Het is belangrijk dat je begrijpt wat ik doe. Ik observeer de tijd. Begrijp je dat?’.
    Ik knikte.

    ‘Dingen veranderen niet zo snel als het soms lijkt. De boeken die je zoekt om te begrijpen wat er gebeurt in het schrijven van je grootvader, zijn er misschien niet meer. Het is aan jou om op zoek te gaan naar de mensen die kunnen weten wat er precies gebeurd is’.
    Opeens herinnerde ik mij de begrafenis van Helops; ‘Kan Freyer het weten?’ vroeg ik Aiōn. Hij had zo oud geleken. ‘Freyer is niet iemand die zich bezighoudt met… ons’ was het woord dat hij koos. Een glimlach gleed over zijn lippen. ‘Wie heeft je dat gegeven?’ Aiōn wees naar mijn hals. Het medaillon dat ik op de begrafenis gekregen had van de oudere dame. Ik kon haar gezicht voor mij zien. ‘Ik weet haar naam niet’ zei ik terwijl ik het oog op de achterkant bestudeerde. ‘Hoe zag zij eruit’ vroeg Aiōn.

    Lees hier het volgende deel.

    Ben zo terug – Bart

  • Twee Kanten

    Opeens was zijn blik kilometers verderop. Het kopje zakte scheef. De sterke, zwarte koffie schommelde in de mok en raakte de rand. ‘Toch Jan?’ klonk de stem. Het kopje werd recht tussen zijn vingers geschoven. Hij was weer terug in de woonkamer. ‘Ja’ klonk zijn zware stem. Hij had geen idee wat er gezegd werd. Even snel als hij terug was in de woonkamer was hij weer vertrokken. Ook de koffie zakte weer scheef. Deze keer was er niemand die hem terug riep. Een druppel waagde zich over de rand. Kleefde aan de zijkant en rolde daarna langzaam naar beneden.

    De kinderstemmen op het schoolplein roepen mij naar buiten. Langs het hertenparkje de weg over, weilanden door. Omhoog, de lucht in en  verder omhoog naar de wolken. “De geweldige ruimte,” zoals Marsman het noemde. ‘Toch Jan?’ vraagt mijn vrouw opeens. Wat, waar gaat het over? ‘Ja’ zeg ik maar. De koffiekop wordt weer recht tussen mijn vingers geduwd. De wind waait door mijn haren. Het land dat als puzzelstukjes in elkaar is gepast. Ieder zijn eigen stukje. Aan een slootkant zit een oudere heer te hengelen. Wat zou ik er voor geven om dáár nog een keer te zitten.

     

    Ben zo terug – Bart

     

  • Zomer op het dak

    ‘Dus de wereld is al veel te lang hetzelfde?’ zij keek naar de rode maan en knikte. ‘Wat gaan we daar aan doen?’ Het was nog warm van de dag. De wereld was stil geworden nadat de avond was gevallen. Nu de vogels hun plaatsen in de bomen hadden gevonden en de wind was stil gevallen, hadden de meeste mensen hun achtertuin verruild voor hun bed. De dakpannen waren nog warm van de dag tegen de blote huid van mijn benen aan, wat het ruwe van het steen iets aangenaams gaf.

    Hoe zij mijn leven binnen was gedrongen zou ik u niet kunnen vertellen. Opeens was zij er. Zoals sommige spullen ooit je leven binnen zijn gekomen en waar het lijkt of zij er altijd zijn geweest. Deze dagen leek het bijna een ijl-droom. Een ontzettende warmte die overal doorheen drong. Het was net of zij een gedeelte, een ruimte innam. Het was geen binnendringen alleen een kleine opstap die zij gebruikte om het dak op te komen. Een tweestapper die voor veel caravan-deuren staat. De laatste stap naar het dak was een grotere. Wat er op dat dak was? Een wereld om op neer te kijken, vertes om te overzien en de rest van de wereld, die de muren buiten sloten.

    ‘Ik kijk’ ze zei het achteloos alsof er niets meer was dat zij deed. Nu was het niet dichtbij maar de verdere, wijde omgeving die zij bekeek. Ze keek vol verwondering.
    ‘Waar naar?’ vroeg ik zonder mijn blik van het rondzwaaiende licht van de vuurtoren te wijzigen. ‘Ik bedoel’, begon ik toen zij geen aanstalten maakte tot een antwoord. ‘Ik vind de afstand tot de wereld hier fijn’. Mijn antwoord had haar uit haar trans gehaald.

    Beneden liep een figuur onder de lantarenpalen door, van lichtbundel tot lichtbundel. In het midden verdween hij even uit het zicht totdat hij de volgende ‘spot’ inliep.
    ‘De mens’, zij focuste haar blik, ‘alleen maar zichtbaar en te zien als hij een spot gevonden heeft…’ zij viel stil en maakte haar beschrijving zacht af ‘ altijd opzoek naar gezien worden’. Even stopte zij, alsof er een gedachte zich in haar hoofd vormde die alles omver wierp. ‘Misschien heeft het veel meer te maken met zien…’
    ‘Dat zou best wel eens kunnen’.

    Ben zo terug – Bart

  • De Zoeker II (Een beetje fantasie)

     Toen Freyr zich losmaakte van zijn gesprek mijn vader had zich weer tussen de mensen begeven. Ik had mij niet van hem los kunnen maken. Pas toen hij zich omdraaide keek ik beschaamd van hem weg. ‘Cheiron zoon van Atréus’, zei hij. Zijn voetstappen waren nauwelijks hoorbaar. ‘De waanen?’, ik probeerde het met zekerheid te zeggen maar ik begreep de strekking er eigenlijk zelf ook niet van. ‘Dat komt later wel’ zei Freyr serieus. ‘Het boek van Helops is in jouw bezit?’, hij keek mij indringend aan. ‘Het is belangrijk dat je het leest. Heb je de toevoegingen van je grootvader gezien?’ ik had de aantekeningen gezien maar ik wilde eerst de originele tekst lezen. ‘Ik heb nog niet alles gelezen’. Freyr knikte. Zijn ogen doorboorde mij. ‘Luister goed’. Nog voor hij verder kon spreken vroeg ik hem; ‘Welk lijstje vroeg u naar? Muziek, kunst, leren en lezen’ voegde ik toe aan de vraag. ‘Het zit in jouw naam’ hij glimlachte ‘Griekse Mythologie’.  ‘Wat is een zoeker?’, ik had nog honderden vragen voor hem. ‘Dit heeft Helops mij in bewaring gegeven totdat hij er niet meer zou zijn. Mijn taak was het aan jou over te dragen’. Hij haalde een klein boekje tevoorschijn en gaf het aan mij. ‘Je bent meer dan een zoeker, maar dít is belangrijk voor nu’ en hij tikte met zijn vinger op de kaft. ‘Als je het gelezen hebt zal je het beter begrijpen’.  Zonder verder iets te zeggen liep hij weg. De deur uit, alsof hij er nooit was geweest. Ik was al begonnen was met lopen en keek nog naar de deur. Richting mijn vader en moeder die van de laatste mensen afscheid aan het nemen waren.

    Toen ik tegen haar opbotste en ik mijn gezicht van de deur afwendde, was haar neus een halve centimeter van de mijne. Ik had de oude dame helemaal nog niet gezien. Haar huid was groenbruin, haar ogen scherp van kleur, de linker blauw en de rechter groen beiden met gouden vlokken. Zij rook naar salie en wierook. ‘Sorry, mevrouw’ zei ik snel. Haar glimlach was breed. Ze schudde haar grijze haren. ‘Hier mijn jongen dit is voor jou. Het zal je helpen’. Zij hing een kettinkje om mijn nek met een klein medaillon. Het ovaalvormige zilver bevatte een abstracte vogelkop en op de rand twee slangen die in elkaar gekruld waren en elkaar in de staart beten. Op de achterkant was een oog gegrafeerd, zoals de ogen van Egyptische standbeeld. Ik keek op van het oog. ‘Draag het altijd!’, haar uitdrukking werd streng ‘Het is de hemelgod. Hij overziet… en beschermt je grootvader en jou’. Haar gezicht ontspande zich weer en de brede glimlach was weer terug. ‘Wij zullen elkaar weer zien. In de tussentijd, lees! Alles!’ Nog voor het in mij opkwam om haar naam te vragen liep zij de deur uit.  Zo verdween ook zij. De zaal was, op de oude buurvrouw na leeg, toen ik bij vader en moeder aankwam. Zij reed met ons mee naar het huis van Helops.

    Het leek ouder het huis. Alsof het al jaren leeg stond. Alles wat er nog was leek in versneld tempo te vergaan. Het had zo vol leven geleken de laatste keer.  Alsof er iets was doorbroken, alsof de werkelijkheid weer was ingetreden.

    Lees hier verder!

    Ben zo terug – Bart

     

     

  • De Zoeker I (Een beetje fantasie)

    Wat Helops bedoelde met zijn uitspraak ontdekte ik een week later. Ik had de hele middag in het hoge gras liggen lezen en het boek al dichtgeslagen. Terwijl ik op mijn buik lag was ik de tekst aan het overdenken, toen schoot het klavertje mij te binnen. Het zwarte leer voelde warm aan door de zon. De klaver! Weg! Geen spoor. Niet onder het boek, of er naast. In mijn haast het te vinden miste ik het hele symbolische moment. Niet het klavertje maar een kleintje, nog groeiend net naast mijn hand. Pas toen ik het op zou pakken merkte ik dat het nog groeide. Voorzichtig plukte ik het van zijn steeltje dat nog in de aarde vast zat. De vervangende klaver plaatste ik weer op dezelfde manier tussen de pagina’s.

    Helops overleed vrij snel nadat hij mij het boek had gegeven. De paar boeken die hij bezat kwamen bij mijn vader. De begrafenis was klein en van de paar mensen die er waren kende ik alleen mijn vader, moeder en een oude buurvrouw. Het weer was stemmig met de gebeurtenissen van de dag. De ceremonie werd geleid door mijn vader. De eerste die naar ons toekwam was een oude man. ‘Atréus zoon van Helops.’ Zijn stem was zwaar. ‘Kvasir heeft veel voor mij en mijn familie betekend. Ik moest hier wel aanwezig zijn.’ Hij schudde mijn vader de hand en keek naar mij, verwonderd, alsof hij probeerde meer te zien. ‘Dit is mijn zoon Cheiron’, zei mijn vader tegen de man. Naarmate de man langer naar mij keek, leek het of zijn ogen meer kleur kregen. ‘Freyr’, zei hij toen hij mij de hand schudde. ‘Geinteresseerd in muziek?’ vroeg hij mijn vader ‘Lezen, leren, kunst?’ ratelde hij een mij onbekend lijstje af. ‘Belangrijk voor een ziener’, zei hij in het algemeen. ‘Du sir’, zei hij en knikte naar mij voor hij verderop plaats nam tussen de andere. ‘Du sir?’ vroeg ik aan mijn vader. ‘U meneer of gewoon meneer’, het is Noors. Ik knikte. Er kwamen nog wat andere handen schudden en condoleren. Toen mocht ik vrij rondlopen. De motregen weerhield mij ervan naar buiten te gaan. Door de ongemakkelijkheid van de locatie, kon ik mijn plaats binnen niet vinden. Ik bleef op een afstand staan kijken naar Freyr die in gesprek was met twee andere mensen. Pas, nu er wat afstand was en mijn ongemak over hem wat wegzakte, kon ik hem goed bekijken. Hij was oud, misschien nog wel ouder dan Helops. Zó oud dat zijn lichaam bezig was geest te worden. Er was iets doorzichtigs aan hem. ‘Eén van de Waanen’ zei mijn vader toen hij mij zag kijken. Hij bleef naast mij staan en legde zijn hand op mijn hoofd. Hij voelde zwaar alsof hij steun zocht voor zijn verdriet. Ik had mijn interesse. Niet dat ik het niet verdrietig vond dat mijn opa helops er niet meer was, maar… oude mensen gaan nu eenmaal dood.

    Verder lezen

    Ben zo terug – Bart

  • Zeus

    Er rommelt geluid vanuit de hemel. De stroom is uitgevallen en ik ben mij meer bewust van het einde van de dag dan ik normaal gesproken ben. Een lichtflits splijt tussen de wolken door. Even is het zwerk verlicht. Opnieuw het rommelende geluid. Ineens begrijp ik het onbegrip én de uitleg. Ik stel mij voor een weg van kinderkopjes. Het ratelen van het ijzerbeslag rond een houten wiel over de stenen. Zeus, in zijn strijdwagen, donderend over de wolken. De bliksemschicht in zijn hand, om in zijn razernij de wolken te laten wenen. De aandacht trekkend van het volk dat verkeerd heeft gedaan.
    De zwarte straat is verlicht, de storing gevonden. Zeus is weer vertrokken. Er is weer een klinisch, wetenschappelijke uitleg voor de bliksem en de donder.

    Ben zo terug – Bart

  • Tegenovergestelde

    ‘Ik ben vrouw en zwart. Wat ben jij?!’
    Wat onthutst kijk ik op van mijn boek. Ik weet niet precies wat er van mij wordt verwacht. ‘Mijn naam is Stephan?’ probeer ik. De trein is nagenoeg leeg. Een oudere dame zit verderop uit het raam te kijken, maar luistert naar ons gesprek.
    ‘Nee, ik bedoel identificeer jezelf’
    ‘Bent u van de politie?’, zeg ik met een glimlach. Haar gezicht blijft ongemakkelijk, zonder uitdrukking. ‘Ik lees een boek en maak aantekening in de marges?’ Ik houd mijn vulpotlood onhandig omhoog. Haar ogen richten zich op de pagina die opengeslagen voor mij op schoot ligt.
    ‘Wat lees je?’, een autoritaire ondertoon klonk door in haar stem. Er was niets grappigs hier. Ik hield het dicht geslagen boek omhoog.
    ‘The Human Stain van Philip Roth’

     Een donkere hand rijkt mij het boek aan. ‘Philip Roth hé? wat vind je er van?’ Het vulpotlood hangt nog tussen mijn verslapte vingers.
    ‘Dank u wel’ zeg ik zo verontschuldigend mogelijk, ‘het is een interessant boek’.
    ‘Lezer?’ vraagt ze.
    ‘Vanmorgen niet echt…’ ik glimlach. Zij glimlacht terug en trekt haar schouders op.
    ‘Het is vroeg en het geluid van de trein monotoon. Dat heb je wel eens.’ Er klinkt een gedempt geroesemoes. ‘Heb je de andere twee delen ook gelezen? American Pastorale en ik geloof dat die ander I Married a Communist heet’. Ik schud mijn hoofd en schrijf de titels op het schutblad.
    ‘Daar ga ik achteraan. Dank u. Wat bent u aan het lezen?’
    ‘Heb je wel eens James Baldwin gelezen?’, wederom moet ik ontkennen. ‘Ik zal je eerlijk vertellen ik lees veel maar ik had mijzelf er nooit de tijd voor gegund. Hier is nog een tip lees deze een keer.’ Zij houdt haar boek naar mij omhoog. Een geel/groene kaft met witte letters James Baldwin Go Tell It on the Mountain. Ik noteer de titel.
    ‘Verplichte literatuur!’
    ‘Vanmiddag even langs American Book Center’
    ‘Doe dat maar’ zegt zij lachend.

     Ben zo terug – Bart

     

  • De man op de foto

    ‘Amerika… New York’, begon zij. ‘Ja, toen ik later nog eens terug kwam in de stad, was hij verdwenen, niet Peter maar de stad.’ Peter was dat zijn naam? Ik had nog nooit van hem gehoord. In het verhaal van mijn oma was er geen naam, hij was “de man”, nooit een naam. ‘De stad die ik zo goed kende was volledig verdwenen. Niets deed mij meer herinneren aan de periode die ik daar had door gebracht. De eens zo majestueuze gebouwen en dansgelegenheden waren vervallen en de sfeer, de sfeer die wij toen maakten met elkaar. De adem die liet zien dat je met weinig, een heel eind kan komen. Hoewel de werkeloosheid hoogtij vierde werd er gedanst gezongen en het leven gevierd.’ Ik kon mijzelf niet bedwingen en stelde meteen nog een vraag. ‘Peter, was dat zijn naam?’ Haar hand roerde nogmaals met het lepeltje door haar kopje, zij tikte het twee keer tegen de rand en legde het op het schoteltje. Voorzichtig bracht zij het kopje naar haar mond en nam een slokje. ‘Ja…’ zei ze met het kopje nog in haar hand, ‘Peter, Peter Wellis.’ Haar stem verstomde langzaam en liet een leegte achter, die niet gevuld zou worden.

    Peter Wellis, ik liet de naam een aantal keer door mijn brein gaan. Het klonk bekent maar ik kon het niet grijpen. Als iets dat je zeker weet, maar ergens diep in een lade in je achterhoofd zoek is geraakt. Op de foto was een jonge man afgebeeld, de glans van zijn golvend haar dat achterover gekamd was verraadde iets van olie of Brylcreem. De hoge bandplooibroek en blouse, waren iets te ruim en de achteloze sigaret tussen zijn vingers, zorgt voor sierlijke rookkringels. Alles aan zijn uiterlijk schreeuwde lief, aandoenlijk bijna, alsof de foto geheel geplant is. Van de kleding en de halve sigaret tot zijn lachende gezicht. In zijn andere hand heeft hij een hoed, waarschijnlijk geënsceneerd, er is niets dat er op wijst dat hij deze ook daadwerkelijk gedragen heeft.

    ‘Ik had hem al zien binnen komen’ haar stem haalt mij uit mijn gedacht ‘hij was zo iemand die zichzelf onderdeel van de menigte kon maken. Maar ik had hem wel gezien.’ Haar ogen verraden een kinderlijke blijheid, alsof deze hun vader terug zien. ‘Hij was met een groep vrienden die duidelijk meer op hun gemak waren dan hij.’ Haar blik richtte zich naar de deur alsof hij elk moment binnen kon stappen.

     

    Ben zo terug – Bart