• De geschiedenis houdt me wakker s ’nachts. De tijd, gedrevenheid en woede trekt mij aan. Wat ik weet en nog moet leren, wat er zich tegen mij kan keren. Het zijn de distopische verbeeldingen van een wereld die mij bekend is en totaal vreemd. Het verlangen naar het lichaam, naar de intimiteit en tegelijkertijd. De eenzaamheid en de ontkenning van het bestaan. Het bestaan! Welk bestaan is er nog als je wordt ontkent? Gevangen wederom; in een tijdsbeeld, dat wat de wereld niets scheelt. Waar te beginnen, als het einde zo snel nadert?

    HIER!

    Untitled (One Day This Kid…) David Wojnarowicz

    lees hier over David Wojnarowicz en zie meer van zijn werk.

    Ben zo terug – Bart 

  • Alles was van hout. De deuren, van hout. De trap, de plafonds, de kasten van hout. De tafel en het tv-meubel van hout. De keuken van hout. De bedden en linnenkasten van hout. De vensterbanken van hout. Het dakraam, van hout. De vloer, van pvc maar met een hout printje. Water was er, regen. Dat gutste langs de ramen. Het houten dakraam kraakte. Hoe langer het water erop drukte hoe meer het hout verzadigde. Het leek alsof het hele huis onderwater was. Het planfond begon te golven. De aftimmering was verzadigd. Onnatuurlijke kieren en verschuivingen vonden plaats. De ruimte bewoog door de hoeveelheid water. 

    En alsof ik de tijd kon terugspoelen, toen ik mijn ogen opende was alles weer in orde. Alleen het hout, dat was nog overal. Met mijn ogen op het witte van de wolken denk ik terug. Waar komt dit vandaan; ik had alleen maar natte sokken. 

    Ben zo terug – Bart 

  • Wandeling II Fotogalerie

    De stilte. De lege ruimte gevuld met de wereld. Het leven tot stilte gemaand. Het spelen, dansen, liefde en de lusten gevangen. De woede in al zijn vormen en de interventie. Eén van de foto’s grijpt alle gevoelens in één moment. Niet het toneel maar de werkelijke afspiegeling van het leven; allemaal diezelfde belevenis alleen de reacties zijn allemaal in andere staten. Een heer kijkt met een glimlach naar zijn vrouw; een alwetende blik. Zij begrijpt de situatie op het toneel. Een oudere dame heeft haar handen naar haar nek gebracht. De dame naast haar schaterlacht. Naar achteren twee dames die hun lach met elkaar delen. Een jonge jongen zit vol verwachting te kijken, een andere vol spanning naar voren gebogen. Een oudere heer lacht zijn ogen dicht, zijn hoofd naar achteren en de handen voor zijn mond. Twee jonge dames bespreken lachend wat er gebeurd.

    Als ik mij omdraai; water, spetters. Een foto waarin de verliefde, de volwassenen speelser zijn dan het jongetje dat nog net in frame is. Haar haren zwaaien speels, haar voet schopt water op. Een gespierde rug. Hij heeft haar vast rond haar middel, halverwege zijn gooi. Het water komt tot zijn billen. Het jongetje glimlacht naar iets buiten het beeld. De verdere wereld. Van verder in het water kijken de serieuze volwassenen vermakelijk toe. 

    Ben zo terug – Bart 

  • Wandeling I

    Het is zeven graden. De zachte regen heeft alles doorweekt. Sommige verdorde bladeren zijn krom getrokken en liggen als kommetjes, vol regenwater, op het pad. Water zijpelt langs de rotsen. De met mos begroeide stammen zijn het enige heldere groen. In de verte staan wat donkere dennen. Tussen de gele, nog aan de bomen hangende, bladeren steken de rode van een andere af. Het pad is verworden tot een stroompje, naast het pad is een stroompje verworden tot een razende witte massa. Het geluid van het water en het druppen van de bladeren overstemt het zachte getwiet, gefluit en gekraai. Het is alsof het water het bos nog stiller heeft gemaakt. Alleen de stappen. Het geritsel van onze voeten tussen de bladeren. Maakt nog een ander geluid.

    Ben zo terug – Bart

  • Lees hier eerdere delen.

    Luid geklop galmde door de gang. Aiōn’s blik verschoof zich van mijn gezicht naar de keukendeur. ‘Ja,’ antwoorde ik zijn vraag. Aiōn siste mij tot stilte. Nog voor hij iets kon doen klikte de voordeur uit het slot, opende zich en een voet stapte over de drempel. Met twee grote stappen was Aiōn de keuken door. Het verbaasde mij opnieuw hoeveel jeugd er in deze oude man zat. Hij stak zijn hoofd om de hoek van de keukendeur. ‘Verdomme Syn! Had je niet iets kunnen zeggen!’ bulderde hij boos door de gang. ‘Ik kan naar binnen’ zei een heldere hoge vrouwenstem. ‘Jíj kan overal naar binnen. Bij Nix en Chaos, ik schrik van je!’ Aiōn’s stem veranderde van boosheid in verontrusting. ‘Wat zie jij er uit,’ voegde hij aan het ganggesprek toe en stapte achteruit de keuken in. ‘Ik moest wat dingen regelen,’ zei ze nonchalant. ‘Het liep niet helemaal zoals ik het gepland had’. Ze bleef op de drempel staan. Schommelde met haar voeten van voor naar achter als een kind dat niet stil kan blijven staan. Ze bekeek mij. Ik zat nog steeds verbaast, van alles wat er gebeurd was, omgedraaid in mijn stoel haar te bekijken. ‘Is dit hem?’ zij vroeg het met een toon van ongenoegen. ‘Gedraag je!’ zei Aiōn met een frons. Ze stak haar hand op: ‘Syn’ zei ze. Zij stapte de keuken in zonder te wachten op mijn antwoord. Ze pakte een glas, vulde het met water en leunde tegen de koelkast. 

    Terwijl ze naar Aiōn zijn rug keek zei ze ‘Tages was lastig’. Aiōn zat te bladeren in een van zijn boeken. Syn nam een slok, spoelde het water door haar mond en slikte het door. ‘Mijn naam is Cheiron,’ zei ik ongemakkelijk tegen haar. Met een plagerige blik keek ze naar mij. Een glimlach vormde zich om haar mond. ‘Heb je al een vriendje? Je bent zeventien toch? Nog geen leuke man gevonden?’ Mijn hart bonsde in mijn borst. ‘Ik…’ begon ik. ‘Uhm…’. Haar glimlach groeide met elk gestameld woord. ‘Nou…’ probeerde ik. Aiōn keek mij vanonder zijn wenkbrauwen aan. ‘Syn’ zei hij, het was een waarschuwing. Haar glimlach verdween van haar gezicht. Alsof de waarschuwing iets in haar gedachte opnieuw naar de voorgrond bracht, kwam er paniek in haar ogen. ‘Oh!’ zei ze serieus. Ze zette haar glas neer en terwijl ze naar de deur van de keuken liep zei ze ‘wij moeten hier weg!’ Aiōn was alweer verdiept in het boek. Met een klap trok Syn de keukendeur dicht. Weer werd er geklopt op de voordeur. Een zware mannenstem klonk door de hal “doe open!’ Gebeuk, het huis trilde, het hout van de deur kraakte. ‘Aiōn! Doe open!’ het hout splinterde, voetstappen zetten zich in de gang. ‘Sága,’ zei Aōn vanuit het niets. ‘Oké’ zei Syn en reageerde door haar wijs en middelvinger langs de deur te strijken. Inplaats van naar de gang, opende de deur naar buiten. Warme lucht stroomde de keuken in. Syn stapte naar buiten, Aiōn greep mijn arm en trok mij door de deur. Ik hoorde nog het bonken op de deur vanuit de keuken. Toen sloeg Syn de deur met een klap dicht. 

    De schaduw van het huis waar wij in stonden, hielp op geen enkele manier tegen de verzengende hitte van de plaats waar wij waren. ‘Waar… is dit?’ vroeg ik. ‘Niet geheel wat ik in gedachte had’ zei Aiōn tegen Syn. ‘Ik moest snel zijn,’ zei Syn. Ze liet haar armen langs haar zijde vallen. ‘Het is de achterdeur, maar wij zijn weg’ probeerde zij te vergoelijken. ‘Juist’ Aiōn stapte zonder verder iets te zeggen uit de schaduw om de hoek. ‘Dit is Lesbos’ ook Syn stapte uit de schaduw en verdween om de hoek. ‘Kom je nog?’ riep ze naar mij. ‘Maar…’ stamelde ik opnieuw ‘Hoe?’  Syn kwam terug om de hoek en trok mij aan mijn arm mee. 

    Ben zo terug – Bart 

  • De Droom

    De lucht was grauw en koud, de wind leek vanuit het niets te komen. Elk moment kon de stroming wijzigen. Van alles tot het niets. Volledig bol geblazen zeilen, een hoeslaken aan een lijn. Vol van avontuur vertrokken, in onverschrokken laarzen aan boord geklauterd. Nu op zee! Steeds meer zeilen, de rotsen breken het schuimende water, vijandig, op. En dan…. is er stilte. Een opening tussen de wolken. De ademloze oceaan, rusteloze drang en nieuwsgierigheid. Gaan we weer verder, opzoek naar… wat? Wij gaan weer verder.

    They told me
    not to worry
    but the boat
    sailed off the edge*

    *Tekst van Patrick Watson &Louis Nagy

    Ben zo terug – Bart

  • Aan denken!

    Zij keek wat ongelooflijk toen ik de deur binnenstapte. Haar fragiele lichaam voorovergebogen op de bank. Deze lag vol met paparassen. ‘Ik ben aan het uitzoeken!’ haar stem kraakte. Zij wees naar de papieren, de dozen naast haar waren tot de rand toe gevuld. Boekjes, blaadjes, foto’s en agenda’s. ‘Hier heeft niemand iets aan. Maar het zal toch uitgezocht moeten worden.’ Ze zuchtte en liet zich tegen de kussens van de bank aanzakken. ‘Ow’ ik zei het iets wat ontdaan van de hele rechtstreeksheid. ‘Waarom moet het weg?’

    ‘Stel dat er iets bewaard moet blijven! Als ik dood ben gooien zij het gewoon weg!’ Ik kon niet goed bedenken wat te zeggen. ‘Heeft u al iets gevonden om te bewaren?’ vroeg ik tenslotte. Ze wees met haar hand richting de salontafel. ‘Ik heb dingen die ik belangrijk vind. Wat een ander daarvan denkt weet ik niet.’ Zij keek naar mij alsof ze wilde zeggen heb jij geen antwoord. Zij sloot haar ogen. Haalde een aantal keer diep adem. Zij opende haar ogen, boog naar de stapel papieren en haalde er een klein blaadje tussenuit. 

    In diejen perelaar, daar zat van morgen vroeg een merelaar.
    ‘lijk carillon in doodstil uur, van blauwe nacht.
    Zó klankend zacht, zo blinkend puur
    en hij ving aan met zingen! En toen hij zong!!
    Het klaarde en klong en klinkte, als duuzend bellen

    ‘Dat heb ik geschreven!’ haar ogen glommen. Over de rand van haar bril keek ze mij aan. ‘Misschien kunnen anderen dit voor mij onthouden. Maar ik zou niet weten hoe ik dat voor elkaar zou kunnen krijgen’. 

    Ben zo terug – Bart

  • Inkt!

    Zittend aan zijn bureau met een lege witte pagina op het donkere hout. Toen de vulpen het papier raakte was de inkt opgedroogd. Een verwaarloosde verhalen stroom, dacht hij bij zichzelf, uitgedroogd.  Met een schone pen en nieuwe inkt ging hij zitten. Wat te schrijven, dacht hij. Wat te schrijven…?

    Ben zo terug – Bart

  • lees hier de eerder delen terug

    Het bleef even stil. Het beeld van de jongen, met zijn vader onderweg naar huis, hing in de stille lucht. Aiōn draaide zijn duimen en begon; ‘Van wie kom jij?’ zijn stem voorzichtig, alsof hij bang was het beeld met te veel geluid versplinteren. ‘Cheiron zoon van…’
    ‘Helops’ zei hij, voor ik verder kon vertellen van mijn vader. ‘Juist…’, hij keek uit het raam waar een merel tussen de bladeren opzoek was naar wat eten. ‘Het begin van het begin’ fluisterde hij. Op de achtergrond klonk het geluid van de radio die Aiōn zachter had gezet. ‘Mag ik niet…’ Aiōn hield zijn hand naar mij op alsof hij wilde zeggen: wacht. ‘De Witte Heiligen’ zei hij zacht, alsof hij tegen zichzelf sprak. Langzaam draaide hij zijn hoofd terug en keek mij recht in het gezicht. ‘Weet u waarom ik hier ben meneer Cheiron?’ zuchtte hij zijn vraag. De warme middagzon scheen door het hoge raam over de met stapels boeken gevulde tafel. Het zwarte leer voelde warm tussen mijn vingers. ‘Ik probeer te begrijpen wat uw vraag is’, zei ik. ‘Ik ben hier om het verloop van de tijd te observeren. Ik ben er, maar ik weet niet alles wat er in die tijd gebeurd.’ Zijn stem klonk bedroeft. ‘Het is belangrijk dat je begrijpt wat ik doe. Ik observeer de tijd. Begrijp je dat?’.
    Ik knikte.

    ‘Dingen veranderen niet zo snel als het soms lijkt. De boeken die je zoekt om te begrijpen wat er gebeurt in het schrijven van je grootvader, zijn er misschien niet meer. Het is aan jou om op zoek te gaan naar de mensen die kunnen weten wat er precies gebeurd is’.
    Opeens herinnerde ik mij de begrafenis van Helops; ‘Kan Freyer het weten?’ vroeg ik Aiōn. Hij had zo oud geleken. ‘Freyer is niet iemand die zich bezighoudt met… ons’ was het woord dat hij koos. Een glimlach gleed over zijn lippen. ‘Wie heeft je dat gegeven?’ Aiōn wees naar mijn hals. Het medaillon dat ik op de begrafenis gekregen had van de oudere dame. Ik kon haar gezicht voor mij zien. ‘Ik weet haar naam niet’ zei ik terwijl ik het oog op de achterkant bestudeerde. ‘Hoe zag zij eruit’ vroeg Aiōn.

    Lees hier het volgende deel.

    Ben zo terug – Bart

  • Twee Kanten

    Opeens was zijn blik kilometers verderop. Het kopje zakte scheef. De sterke, zwarte koffie schommelde in de mok en raakte de rand. ‘Toch Jan?’ klonk de stem. Het kopje werd recht tussen zijn vingers geschoven. Hij was weer terug in de woonkamer. ‘Ja’ klonk zijn zware stem. Hij had geen idee wat er gezegd werd. Even snel als hij terug was in de woonkamer was hij weer vertrokken. Ook de koffie zakte weer scheef. Deze keer was er niemand die hem terug riep. Een druppel waagde zich over de rand. Kleefde aan de zijkant en rolde daarna langzaam naar beneden.

    De kinderstemmen op het schoolplein roepen mij naar buiten. Langs het hertenparkje de weg over, weilanden door. Omhoog, de lucht in en  verder omhoog naar de wolken. “De geweldige ruimte,” zoals Marsman het noemde. ‘Toch Jan?’ vraagt mijn vrouw opeens. Wat, waar gaat het over? ‘Ja’ zeg ik maar. De koffiekop wordt weer recht tussen mijn vingers geduwd. De wind waait door mijn haren. Het land dat als puzzelstukjes in elkaar is gepast. Ieder zijn eigen stukje. Aan een slootkant zit een oudere heer te hengelen. Wat zou ik er voor geven om dáár nog een keer te zitten.

     

    Ben zo terug – Bart