Het witte marmer was door het weer grijs geworden, zo grijs als de loden delen op de daken van de kathedraal. Een jonge man klom over de leien naar boven om de waterspuwers te bereiken. Achter hem kwamen twee mannen aan. Hun vuisten geheven, bleven zij achter de balustrade staan. Het geschreeuw was, van het plein beneden, te horen. Zelfs boven het geluid van de markt uit. Er was iets onnatuurlijks aan de mannen. Het leek net of het donkerder om hen heen was. Alsof het licht door hun boosheid werd beïnvloed.
Op het plein gebeurde iets geks. De wereld leek even door niets te kunnen worden veranderd. Het geschreeuw was duidelijk hoorbaar, maar er leek niemand op te reageren. Niemand keek met verbazing naar boven wat er precies gaande was op het dak van de grote kerk. Het hele bestaan van de mannen leek onopgemerkt te blijven.
Een derde man voegde zich bij de twee. De jonge man klom steeds hoger. Toen ik mijn blik terug liet gaan van de mensen op het plein naar de mannen op het dak; keek de man die zich het laatst bij de twee had gevoegd, mij recht aan. En het was stil, opeens was hij weg. ‘Waar kijk jij naar?’ de baardharen prikkelde in m’n nek. Verschrikt keek ik naast mij en stond hij daar. Naast mij op het plein. ‘Maar…’ ik keek terug omhoog. ‘U… stond net daarboven’ probeerde ik te duiden wat er gebeurd was.
‘Waar sta je naar te kijken?’ vroeg de zware stem nogmaals. ‘Ik…’ zijn gezicht was streng belijnd. ‘ik… er klimt iemand over het dak’ maakte ik mijn zin af. De man keek omhoog en weer terug naar mij.
‘Wat wil je drinken?’
…
‘Hey! Wat wil je drinken?’ James keek mij vragend aan. Zijn handen open.
‘Ow … uhm doe maar een Colaatje’ zeg ik enigszins verward. Ik leg de bladwijzer tussen de pagina en sla het boek dicht.
Ben zo terug – Bart
Geef een reactie