Tag: Verhalen

  • Afspraak met een verhaal

    Een meeuw zweeft tegen de wind in. Als ik dichterbij kom, glijdt hij langzaam omhoog door een kleine aanpassing van zijn vleugels. Het eindeloze droog gevallen wad wordt bevolkt door steltlopers en meeuwen allemaal opzoek naar hun maaltijd. Van het kleine beetje helmgras dat tussen het basalt doorgroeit is alleen nog een zielig hoopje geelbruine sprietjes over. Door de stroming is in een bocht in de dijk een strandje ontstaan. Het ligt bezaaid met schelpen en stenen, met flessen en stukken touw die, naar ik aan neem, overboord zijn geslagen in stevige wind of storm.
    Een nummerbord tikt tegen het basalt. Het werd rechtop gehouden door een tak.
    ‘Hoe kom jij nou hier terecht?’ ik zeg het zonder er bij na te denken.
    ‘Het scheelde niet veel,’ zei hij ‘zie je die snee; een boegschroef had me bijna in tweeën gescheurd!’
    ‘Ben je daarom zo verbogen?’ vroeg ik verbaast’
    ‘Nee dat is een heel ander verhaal’.
    ‘Waar kom je vandaan?’ ik zakte door mijn knieën om hem beter te bekijken.
    ‘Mijn eerste herinnering…’ zijn stem zonk weg in de wind. Nadat hij wat had nagedacht zei hij: ‘Ik herinner mij het eindeloos rondrijden. Ik was het bord achterop een brommer. De zoette warmte van een eindeloze zomer.’ Hij zuchtte. ‘Het was een paar jaar later toen de brommer werd ingeruild. Een ongeluk had hem onbruikbaar achter gelaten. Ik verdween tussen het schroot in een wild overgroeide tuin. Het moet een jaar later zijn geweest toen de schroeven zo verroest waren dat ze afbraken en ik op de grond viel.’
    Ik ging zitten op het zwarte basalt.
    ‘Nog geen week later stak er een sterke wind op en even werd ik voorzichtig opgetild. Maar hij was niet sterk genoeg om mij ver te dragen. Nóg een windvlaag kwam en tilde mij hoog de lucht in. Zo’n tweehonderd meter. Daar bleef ik hangen, hoog boven de grond aan een dunne boomtak.’ De wind tikte het metaal tegen de stenen en de tak.
    ‘Hoe lang bleef je daar hangen?’ zei ik fluisterend.
    ‘Een dag of twee. Het was het seizoen van de stormen. Een grote windhoos trok mij los van de tak. Het liet mij eindeloos rondwarrelen. Uiteindelijk viel ik in het water, de stroming voerde mij af. Zo dreef ik dagen lang tot een golf mij opslokte en langzaam naar de bodem liet zakken. Het was er koud en gitzwart. Tot ik, door een sterke zwaai van een walvisstaart, die diep wegdook voor een aankomend schip, omhoog werd gebracht.’
    Ik verschoof mijn voeten om comfortabeler te zitten.
    ‘Een jonge zeeman viste mij uit het water. Zo kwam ik aan boord. Hij maakte mij vast aan een van de netten die de grote houten kratten op zijn plek hielden. Elke dag kwam hij even kijken of ik er nog wel was. Alsof ik iets belangrijks voor hem betekende. Het duurde even voor ik het begreep, maar hij wilde al zijn hele leven naar Amerika en ik was voor hem een representatie van dat land.’ Hij kuchte even en wees mij op de gele kluwe draden. Het stormde onderweg en het schuren van het hout langs de touwen liet er niet veel van over. Ik raakte los en de touwen hebben deze verdere reis met mij mee gemaakt.’ Even tikte de wind hem weer naar voren. Over de zwarte letters liep een diepe kras. “Dat moet door de schroef zijn gekomen” dacht ik bij mijzelf.
    ‘Eindelijk kwamen wij weer in de bewoonde wereld aan. Voor het schip de haven in mocht, werd alles door strenge mannen gecontroleerd. We moesten wachten op goedkeuring’.
    ‘Maar… hoe ben je hier gekomen?’ vroeg ik nogmaals.
    ‘O ja, ik heb het niet gered. Ik ben door één van de andere mensen, toen zij het dek aan het schoonmaken waren over boord gespoeld. Zó belande ik weer in het water.’ In zijn stem klonk verdriet door, alsof hij het land had willen verkennen.
    ‘Ik ben na maanden ronddrijven in een stroming terecht gekomen. In die tussentijd waren er genoeg zeedieren die nieuwsgierig waren en een hapje probeerde om mij daarna snel weer los te laten. Al spelende, namen de dolfijnen mij voor honderden mijlen mee. Uiteindelijk lieten zij mij en zwommen met een boot mee, een andere richting op.’ Hij verschoof zich even en vond een stevigere plaats.
    ‘Pas na een jaar kwam ik weer in de buurt van een schip. Ik was gedeukt, Lichamelijk én geestelijk, tijdens het avontuur op de boot. Maar déze aanvaring was iets dichterbij… Het was een schip dat zo groot was, dat het drie schroeven had die constant draaide. Ik werd de diepte ingezogen. Het water werd met enorme kracht naar achter geduwd. Ik raakte de schroef nauwelijks. En toch is dit het resultaat.’ Zei hij verdrietig. ‘De kracht waarmee het schip door het water ging maakte ook dat er een zuigende werking vanuit ging, die mij meevoerde op zijn reis’. Hij zuchtte en een sterke windvlaag liet hem opnieuw tegen de stenen tikken. Even verschoof de tak en leek het of hij zijn reis verder zou vervolgen voor ik het einde van zijn verhaal zou horen.
    ‘Er kwam weer land in zicht. Het was lang geleden dat ik wist wat “droog-zijn” was. De natuur wilde echter anders. Voor ik dát gevoel goed en wel kon omarmen, stak er een nieuwe storm op. De wind trok mij los van het zand en tilde mij weer op. Zó ver de lucht in dat ik dacht nooit meer beneden te komen.’ Stilte! De wind suisde langs mijn oren. Ik kon het mij haast niet voorstellen dat er zoiets kon gebeuren.
    ‘Maar goed, ik kwam wel beneden… hier. Niet aan land maar tussen dat eiland daar en dit land. Het getij trok mij mee deze kant op en liet mij hier op het zand achter. De wind liet mij verder het land oprollen en …. nu ben ik hier.’
    ‘Wil je met mij mee?’ het leek een stomme vraag. ‘Ik bedoel… Ik kan je …’
    ‘Nee, ik blijf hier’ zijn stem klonk zeker ‘Ik heb nog zoveel te zien en deze wind blaast mij verder het land op.’
    ‘Er is verderop óók water’ zei ik onzeker.
    ‘Ik ben niet bang voor een klein beetje water!’ hij tikte verontwaardigt tegen de stenen. Hij lachte. ‘Laten wij dit afspreken. Als ik je weer zie zal ik van ver naar je roepen, jou het vervolg van mijn reis vertellen. Is dat een afspraak die je met mij wil maken?’
    Ik vermoedde hem nooit meer te zien maar het vooruitzicht was interessant. ‘Afspraak!’ zei ik.
    ‘Mooi. Tot ziens dan!’
    ‘Tot ziens’ zei ik terwijl ik opstond.

    Ben zo terug – Bart

  • De wereld op papier

    Zij knipte. Haar gezicht licht gespannen als in een trance. Gelezen had ze alles al, nu was het tijd het te verzamelen. Had Tolstoj niet de oorlog van zijn land proberen te ontrafelen in zijn meesterwerk? Hoeveel boeken had Victor Hugo nodig gehad om de Franse revolutie te beschrijven? Haar doel was grootser. Met elke zin moest een gedeelte van de wereld worden ontsloten. Wat schetste de wereld duidelijker dan dagbladen en magazines. Koppen, de kleinste artikelen over gevoel en foto’s. Het was haar levenswerk, dagen lang te knippen uit díe papieren. De wereld was te groot om te vangen.

    Ben zo terug – Bart

  • Onzekere Ontmoeting #1

    Het huisje dat ik gehuurd had stond aan de rand van het park. Een kleine heg scheidde het park van de weilanden. Ik was alleen. Het was mijn bedoeling om te schrijven. Ik had mijzelf geïnstalleerd aan het raam, waar ik met pen en papier klaar zat om mijn gedachten bloot te geven aan de pagina. De bureaustoel kraakte telkens als ik ging verzitten, de houten balken van het dak zette uit door de warmte van de zon en na een halfuur werd het zó warm in het huisje dat ik besloot dat ik net zo goed buiten kon gaan zitten om daar mijn schrijven op te pakken. Toen ik eindelijk mijn pen op het papier zette en de eerste twee woorden van de eerste zin had geschreven, kraakte de scharnieren van het poortje dat toegang gaf tot het grindpad dat over het hele park liep. Een jongeman keek mij vanachter zijn donkerbruine krullen aan.
    ‘Ik ben hier geboren’ zei ik zacht ‘en jij?’ De jongen had ik niet eerder gezien, niet dat ik hier nog zoveel kwam als in mijn jeugd, ik was tenslotte gekaapt door eentje van de vaste wal. Maar als je van een eiland komt, ken je de meeste wel. ‘Nee ik kom hier niet vandaan’ Ik glimlachte. ‘Vandaar’. De houten tafel die ik naar buiten had gesleept vanuit het kleine huisje lag vol papieren en een enkele foto die ik had mee genomen ter inspiratie. Ongemakkelijk keek ik naar de tafel, waar te beginnen met de uitleg. ‘Ik schrijf,’ was het enige dat uit mijn mond kwam. ‘Althans, dat was de bedoeling…’

    Enkel lege stoelen, de verlaten bank en de open gordijnen. Buiten schemerde het en de eerste sterren waren al goed zichtbaar toen ze in beweging kwam. ‘Het is tijd’ mompelde ze tegen de lege kamer. Het glas in de deur rinkelde terwijl ze de deur opende en de treden kreunde bij haar gang naar de slaapkamer. Ze poetste in de badkamer afwezig haar tanden en stapte uit haar kleren zonder ze in de wasmand te doen. Haar man was een paar dagen op reis voor zijn werk, iets wat ze gewend was. Maar het huis was leger dan normaal. Haar hand gleed even langs zijn kussen alsof ze hem langs zijn gezicht streelde. Ze sloot haar ogen in afwachting van de slaap. De eerste twee weken dat ze alleen was had ze veel gedroomd, ondertussen wist ze wat haar te wachten stond. Met een zucht opende ze haar ogen en ging op de rand van het bed zitten. Ze pakte de telefoon van haar nachtkastje en drukte een nummer in. De kerkklok sloeg half, “half wat” ze greep naar het lichtknopje van haar bedlampje en zocht haar horloge ‘half vier’. Nog voor de telefoon voor de tweede keer over kon gaan drukte ze deze uit en legde hem weg. Ze bleef op de rand van het bed zitten. Pakte nogmaals de telefoon en drukte het nummer in en wachtte op de eerste toon van de overgaande telefoon. Haar adem schokte van het harde geluid. De toon stopte en begon weer. Na de vierde keer ging deze over naar de voicemail. De krakende opname van zijn stem maakte haar steeds onrustiger. “Wat als er iets met hem gebeurd was?” dacht ze bij zichzelf. Ze keek nogmaals op haar horloge. ‘Het is half vier wat verwacht je nu zelf’, sprak ze zichzelf streng toe. Haar handen klapten de telefoon dicht, knipte het licht uit en met een zucht ging ze op haar rug liggen. Haar ogen wijd geopend in de donkere kamer.