Tag: ongemak

  • Tussen Berlijn en Hippolytushoef

     

    Toen ik de huiskamer inliep maakt de telefoon mij alert op een binnenkomend bericht. Op het scherm alleen een naam, David (Duitsland). Zijn volgende zet in onze schaakpartij, dacht ik. Een spel tussen twee huizen en landen. Mijn gedachten gleden oncontroleerbaar af naar de zomervakantie waarin ik hem leerde kennen. Mijn moeder had mij meegenomen naar Berlijn waar zij een echtpaar kende die haar hadden uit genodigd om een paar weken bij hen te blijven. Mijn eerste vakantie als onhandige tiener die zijn vader en oudere broer had verloren bij een ongeluk. Gevuld met onzekerheid en gevoelens die mij, maar meer nog de mensen om mij heen, ongemakkelijk maakte. Verlegen stelde ik mij voor aan de mensen in de huiskamer waar wij werden binnengelaten. Het echtpaar verwelkomde ons met alle liefde die in hun huis aanwezig was. Hoewel David niet in de woonkamer was bleek uit alles dat er nog iemand bij het gezin hoorde. De moeder nam mij mee naar een gesloten deur van waarachter luide muziek hoorbaar was.
    ‘Dit is David!’ schreeuwde ze over de muziek, terwijl ze zonder kloppen naar binnen liep. In het Duits sprak ze bits een paar woorden tegen haar zoon en draaide de volumeknop van de stereo omlaag. ‘Jullie moeten zijn kamer delen ben ik bang.’ Zonder verder nog iets te zeggen liep ze de kamer uit. Een breedgeschouderde, blondharige jonge met staalgrijze ogen hing over zijn bed gedrapeerd.
    ‘Gooi je koffer maar op de grond.’ zonder mij aan te kijken wees hij naar een hoek van zijn kamer.
    ‘Mijn naam is Marc.’ zei ik onzeker. Zijn ogen schoten van de platenhoes in zijn handen naar mijn rood aanlopende gezicht.

    De zomer had elk stukje van de stad verwarmt, zodat wij ’s avonds vaak naar Tiergarten gingen om te zwemen en de schaduw van de bomen op te zoeken. Zijn groep vrienden waren steevast aanwezig en ik was de jongen die op sleeptouw werd genomen. Die laatste avond waren wij met een grote groep en speelde een spel waarbij er uitdagingen waren.
    ‘Waar zijn de toiletten David?’
    ‘Zeik maar tussen de bomen.’ zei hij zijn wenkbrauwen optrekkend. Ik hoorde de stemmen van de groep fluisteren en lachen terwijl ik weg liep. Tussen de bomen vandaan komend stond hij vlak voor mij. Hij pakte mijn hoofd vast en plantte zijn lippen op die van mij terwijl hij zijn tong naar binnen drukte. Alle warmte in de stad werd in mijn lichaam opgenomen en specifiek naar mijn hoofd geleid. Hij trok zijn gezicht weg bij het mijne en nog voor ik iets kon doen greep hij mij in mijn kruis. Met een smerige glimlach fluisterde hij ‘Jij bent er zo één, hè?’ Hij legde zijn arm over mijn schouder en zei ‘ik wist het al meteen.’

    Ik opende het bericht en las de letters en cijfers. Terwijl ik zijn schaakstuk op het bord verplaatste kreeg ik een tweede bericht, bestaande uit één enkel woord. “Schaakmat!”

    Ben zo terug -Bart

  • Wachtkamer etiquette

    Twee grote bolle ogen kijken mijn aan. Het effect wordt versterkt door de vorm van het glas, van waarachter naar mij gestaard wordt. De rest van de balie is leeg. De wachtruimte is in de vorm van een honingraad met twee kleine ramen die zijn gesluierd met lichte vitrage. De muren zijn voorzien van twee oude schoolplaten die gedetailleerd een weergave geven van twee voorkomende natuurlocaties, een sloot en een poel in de duinen, beiden met de dieren en platen die daar voorkomen. Voor de rest posters met aankondigingen voor bijeenkomsten, voor steun aan kanker patiënten en informatie over ziektes en aandoeningen. In het midden van de ruimte staat een grote ronde tafel waarop tijdschriften liggen waarvan de houdbaarheidsdatum reeds lang overschreden is. De ongemakkelijke stoelen staan rond de tafel, alsof het een verjaardag betreft.

    De vissenkom op de balie laat nu een tweede vis zien, een zwarte die zich niets aan trekt van wat er rond de kom gebeurd hij hapt naar de blaadjes van de zielige waterplant die wat onbeholpen in het water hangt. Ik vraag me af wat er voor deze dieren is in zo’n ruimte. Wat drijft mensen om twee goudvissen in een kom op de balie in een wachtruimte te zetten.

    Een overdonderend luide hoestbui versplinterd de stilte van de wachtruimte, het teken voor de andere om lost te gaan, wat een kakafonie van geluiden oplevert; Snotterende neuzen, blaffend gehoest, kreunende spieren en het schrapen van de stoelpoten over een stenen vloer. De kleine, die moeder geprobeerd heeft stil te houden, ziet dit als een teken om eens flink door de bak met bouwstenen heen te graaien. Het kleine beetje stof voor de ramen helpt niets om de galm die ontploft in de kleine wachtkamer te verminderen.

    Het lijkt of de dame achter het loket zich van niets bewust is. Haar glimlach als die van een wassenbeeld, onverstoorbaar. Ze is bezig met het vullen van de uitgeschreven medicatie voor een patiënt. Haar collega is druk bezig met het uitzoeken van de medicatie die met kratten tegelijk is binnen gebracht.

    Een klik van de intercom en een totaal onverstaanbare stem roept iets door de wachtkamer. Totale chaos in stilte. Iedereen kijkt naar elkaar om te zien of er Iemand is die het wel heeft verstaan, of er iemand opstaat. Schouders worden opgehaald, ogen zoeken door de wachtkamer. Een tergende stilte is over de mensen in de wachtruimte gevallen. Ik besluit de dame bij het loket te vragen wie de dokter graag wil zien. Zij vertelt mij dat ene meneer de Fries word verwacht door de dokter. Een voelbare opluchting komt over de mensen, het kleine jongetje begint weer met de blokken te spelen. De volwassenen zijn stil. Zoals dat hoort, schijnbaar.

    Ben zo terug – Bart

  • Herkenbaar?!

    Als ik opsta, mijn lichaam probeer in balans te krijge, komt het snot in golven uit mijn neus. Ik sleep mijzelf naar de keuken om mijn te verwarmen met een kop thee. Het koude zweet maakt me plakkerig. Ik heb al twee keer onder de douche gestaan vandaag maar niets helpt. Ik laat mij als een zak aardappelen op een stoel aan de tafel zakken. De gewrichten lijken die van een oude man, krakend en haperend en vooral pijnlijk. Terwijl het water in de waterkoker tergend langzaam tot het kookpunt stijgt, open ik met alle moed die ik bij elkaar kan rapen mijn laptop. Een verhaal? Iets? Naast de tafel een prullenbak met vol-gesnoten zakdoekjes. Wollige gedachten door de overvolle bijholten en mijn neus die een oneindige voorraad snot in zich lijkt te dragen. Een verhaal. Korte gedachte, ideetjes en plannen voor grote verhalen lijken allemaal te verdwalen in de slijmerige groene griebels. Mijn vingers stamelen zoals de gedachten in mijn hoofd. Mijn hoofd en grote duim werken op dit moment niet erg samen. Na elke zin lijken er alleen maar wat verloren woorden op het verlichte scherm te staan. De cursor knippert aanmoedigend, nogmaals probeer ik een volgende zin. Mijn keel lijkt te verkrampen, terwijl ik het gevoel krijg dat iemand met een donsveertje langs de binnenkant van mijn keelgat strijkt. Een onbedaarlijke rokershoest forceert zich door mijn luchtpijp waarbij het lijkt alsof mijn longen mee naar buiten komen. Als ik weer bedaard ben probeer ik mijn waterige ogen te focussen op wat ik geschreven heb. Volkomen ruk is het! Wie kan er nou nadenken met zoveel snot in zijn kop? De waterkoker is inmiddels klaar. Ik hijs mijzelf van de stoel en zet een wankele stap richting aanrecht. Als ik mijn thee heb ingeschonken kijk ik nog één keer naar mijn laptop, die al op slaapstand is gegaan en besluit tot hetzelfde. Met de thee in mijn hand begeef ik mij, onvast, terug naar m’n bed. Genoeg verhalen! Genoeg voor later, eerst maar eens beter worden.

     

    Ben zo terug – Bart

  • Doe mij die mening maar…. Niet!

    ‘Het is toch de bedoeling dat de kijkers een goed idee krijgen over welke problemen er nog zijn met het onderwerp dat wij bespreken?’ Zijn voorhoofd was nat van het zweet, wat de laag van make-up die voor de televisie op zijn gezicht was gesmeerd plakkerig maakte. De lichten in de studio maakte het alleen maar erger. ‘Het heeft alles te maken met het feit dat we nog niet eens weten hoe het brein precies in elkaar zit en u gaat nu beweren dat u weet wat de beste oplossing is om dit op te lossen?’ De presentator was meer naar voren gaan zitten op zijn stoel om het gesprek te volgen. Het irriteerde hem dat dit de rol was die hij moest aannemen binnen dit gesprek.

    ’s Middags had hij een telefoontje gehad of hij wilde verschijnen in een programma om een alternatieve mening te geven. Al snel had hij in de gaten gekregen dat hij en de andere gast die nu tegenover elkaar zaten nagenoeg dezelfde ideeën over het onderwerp hadden. Nu was er déze rol voor hem weg gelegd: “De andere mening”. Het ergerde hem omdat het hem altijd al vreemd was voorgekomen dat mensen in het algemeen niet een andere mening konden verdedigen zoals hen eigen mening. Hij had nooit echt een probleem gehad om in te zien dat een ander idee, een andere positie, innemen zinnig kon zijn. Vooral als het ging over onderwerpen die moeilijk waren of waar men in het algemeen onvoldoende informatie over hadden.

    Hij was voorgesteld aan de dame die met hem in debat zou gaan en zij werden samen voorbereid over hoe dit alles zou verlopen. Het zou een gesprek van een minuut of tien worden, dat met een studiopubliek werd opgenomen. Ze hadden nog wat gesproken voor dat de opnamen zouden beginnen en waren allebei naar hun eigen kleedkamer gegaan. Het “item” zou worden geïntroduceerd met een kort fragment uit een documentaire, waarna zij beiden het gesprek zouden hebben. Terwijl het publiek de studio in kwam sprak hij nog kort met een van de programmamakers.

    ‘Ik wil je vragen om in het gesprek…’ begon de man. Terwijl hij met zijn twee handen op de tafel leunde, het onderste knoopje van zijn blouse los, waardoor een irritant stukje van zijn buik bloot kwam. ‘Je begrijpt me wel. We moeten een programma maken dat interessant is om naar te kijken,’ voegde hij er aan toe terwijl hij naar voren boog en de blote behaarde buik over de tafel schoof. ‘Het is goed voor de cijfers als we iemand hebben die een mening geeft die niet populair is.’

    ‘Ik denk dat het een probleem is dat u denkt dat we de werkelijkheid aan moeten passen aan de desillusie van een patiënt.’ was het eerste standpunt dat hij wilde maken. ‘Ik geef u gelijk als u zegt dat wij deze mensen moeten helpen. Maar om nu te zeggen dat het precies dát is wat we moeten doen, gaat mij een straat te ver. Er zijn psychiatrische aandoeningen die mensen laten denken dat hun arm niet van henzelf is. De notie dat u overweegt deze mensen een arm af te zetten vind ik verwerpelijk.’ De dame keek hem met een rood aanlopend gezicht aan. De presentator stapte in om de dame aan de andere kant van de tafel de kans te geven een reactie te geven.

    ‘Ik…’ begon zij, ‘ik weet niet wat ik moet zeggen.’ Na de hapering was ze op stoom gekomen. Zij had hem aangekeken alsof hij de grootste, slechtste, meest onbeschofte hufter was die zij ooit had mee gemaakt. ‘Luister! Ik ben hier gekomen om de problemen in de maatschappij te bespreken die transgendermensen ervaren. Niet om een meneer, “ik weet het beter”, een verhaaltje gevuld met onzin te laten vertellen. Wat als er iemand zit te kijken die het zo zwaar heeft dat diegene het niet meer ziet zitten. Wat als diegene na het beluisteren van uw onzin zijn leven beëindigt.’ Met haar linker hand schuift de dame haar bril weer terug van het puntje van haar neus.

    Hij had zich voor genomen een gesprek aan te gaan en de mensen een beeld te geven van de problemen die nog niet volledig bekent waren. Pas nadat de dame had gesproken werd hem het plaatje duidelijk, toen de presentator zei dat hij daar een totaal andere mening over had. Toen begreep hij in welk spelletje hij terecht was gekomen. Hoe elk woord dat hij zou uiten, dat niet volledig het zelfde was als die van de dame, tegen hem misbruikt zou worden.

    ‘Ik heb daar totaal geen andere menig over…’ Hij merkte dat zijn eigen stem hem in de steek liet door niet stevig, sterk en duidelijk te klinken. Het klonk meer als een verontschuldiging, alsof hij met zijn hand in de snoeppot was gesnapt. ‘Ik denk er bijna hetzelfde over, ik vind het alleen belangrijk dat we duidelijk hebben wat we weten en waarvan we nog niet zo zeker zijn.’ Zijn handen werden klam en koud van het zweet. De irritante houding van de presentator ging hem steeds meer tegenstaan. Het publiek zat in volle verwachting te luisteren. ‘Ik denk…’ opeens viel een vlek op de das van de presentator hem op. De geur van de zaal maakte hem misselijk. ‘Ik denk dat het belangrijk is dat het publiek weet dat het instituut dat bijvoorbeeld de eerste operaties voor verandering van sekse uitvoerde, deze niet meer doet. Omdat er na langdurig onderzoek is gebleken dat de hoeveelheid mensen die nadat zij de operatie hebben ondergaan, de hoeveelheid zelfmoordpogingen even hoog blijven en in sommige gevallen zelfs hoger zijn. De mensen waar u over spreekt hebben niet altijd baat bij deze operatie.’ Zijn haren plakte aan zijn voorhoofd. ‘Het is toch de bedoeling dat de kijkers een goed idee krijgen…?’

    Ben zo terug – Bart

     

  • Een dagboek fragment

    19 september 1965

    Mijn beste vriend,

    Het is een poos geleden dat ik geschreven heb. Ik heb meerdere malen gepoogd mijn gedachten te vangen, om je hier van deel te kunnen laten maken. Echter is mij dit niet gelukt. Mijn vermoeden is dat dit onlosmakelijk is verbonden met de wereld waarin ik mij bevind. Die mijn brein bedwelmd. Het zijn de geuren van de stad. De zondigende bevolking, die zich verzamelt in deze buurt. De geur van schraal bier, van wiet, goedkope reukwateren. Geworpen schaduwen in rode lichten. Rijkelijk vloeit de alcohol, het bezoedeld de weldenkendheid en laat hen stappen in de val. Het zijn deze mensen die bedwelmd en onder invloed zijn. De constante geluiden. Ze zijn gebonden aan deze plaats, vast gelopen in de vrijheid die hen hier gevangen houdt. De esthetiek van de duivelse verleiding.

    Zoals dát de ene kant van de medaille beschrijft, is het aan de andere kant waar mijn wereld prijkt. Hoewel ik niet gevangen ben zoals zij, voel ik mij gevangen op een andere manier. Alles wat ik hier beschreven heb, houdt mij in zijn greep. Het fascineert mij. Hoe kan een mens blijven bestaan zonder dat zij aanwezig is. Wat bezield deze mensen, of juist niet? Ik schrijf het bestaan. De hoogmoed, een vervloekte kus. Gisternacht werd er voor mijn deur gevochten en vanmorgen lag er iemand voor mijn deur te slapen. Alles werkt op mij als een zich steeds verstikkender dwangbuis, die mij zowel onpasselijk maakt als wel intrigeert, waardoor ik zelf ook gevangen ben in deze wereld. En met de zondigen, die ik beschrijf, reis. Het is een project dat zich volledig meester van mij heeft gemaakt en er voor zorgt dat ik één met hen ben. Laat ik mij een kroniekschrijver van de zondigen noemen. Het bestaan lijkt mij alleen bestemt om te gebruiken voor mijn kunsten. Het beschrijven van een zó kleine wereld die mij de ruimte geeft voor grootse beelden.

    Het enige dat mij beangstigt is dat mijn zijn, zich zo diep in deze wereld heeft vast gezet dat het voor mij onmogelijk wordt nog afstand van deze wereld te nemen. Dat ik verslingerd ben geraakt aan het opiaat dat zo vast zit aan dat bestaan. Het is daarom dat ik steeds meer verlang naar de rust, ruimte, de mogelijkheid om mijzelf af te zonderen. Alleen te zijn met mijn gedachte. De geluiden van de natuur op te zoeken en mijzelf met deze te laten vullen. Om er voor te ervaren dat ik nog compleet ben. Geen deel van mijzelf verloren is gegaan. Het is daarom dat ik zo verlang naar het leven zoals dat buiten de dichtbevolkte stadsdelen zich afspeelt. Het is het soort verlangen dat mij haastig maakt mijn werk, waar ik nu mee bezig, ben zo spoedig mogelijk tot een einde te brengen. Opdat ik mijzelf aan dit verlangen kan geven.

    Ben zo terug – Bart

  • Gesprek Onderweg #2

    Dit het tweede deel van een eerdere blog. Hier kun je het eerste deel vinden.

    We liepen het perron af naar de uitgang. Van boven dalen we af de stad in. Thijs heeft zijn briefje alweer tevoorschijn gehaald. Onderaan de trap begint hij te zoeken naar een straatnaambordje. ‘Welke straat moeten we hebben?’ zeg ik als ik zijn schouder beetpak om zijn aandacht te trekken. Terwijl ik dit doe heeft hij al gevonden wat hij zocht en zegt tegen mij.

    ‘Die kant moeten we op. Als ik het goed heb kunnen we dan de eerste…’ hij kijk op zijn briefje en draait zijn hooft naar links dan naar rechts. ‘…misschien moeten we toch die andere kant op.’ Thijs kijkt weer op, kijkt de straat in en zegt dan uiteindelijk ‘We gaan toch eerst die kant op dat kruispunt is dichterbij dan weten we het direct.’ Bijna alles is gesloten rond dit uur dus is er niemand op straat om te vragen welke kant we op moeten. ‘Denk je dat we direct op de kamer kunnen?’ vraag ik. De zon staat recht boven ons. Eén enkele auto steekt de kruising over. Hoogstwaarschijnlijk een toerist. ‘Deze kant op, dit is de kruising die we moeten hebben. De volgende straat moeten we rechts, dan is ons hotel aan de andere kant van dat blok.’ Zijn ogen glinsteren in het licht en een lach speelt rond zijn mond. Met grote passen loopt hij verder de straat over.

    ‘Welkom, waar kan ik u mee helpen?’ zegt de mevrouw achter de balie, als ze de mensen voor ons de weg heeft gewezen naar hen kamer. Ik laat Thijs het woord doen en sta wat verloren bij het gesprek.
    ‘Er is een kamer gereserveerd op naam van Einder.’ zei Thijs. Ze kijkt naar haar scherm.
    ‘ U komt met twee personen? De heer T. E. Einder en de heer M van der Laan’
    ‘Dat klopt.’ Thijs kijkt mij met een glimlach aan en knipoogt. De mevrouw achter de balie was zo druk met haar scherm bezig dat ons spel haar totaal  ontgaan.
    ‘Ik heb even voor u gekeken naar een kamer met twee losse bedden.’ Thijs kijkt mij even verward aan en daarna weer naar de mevrouw. ‘Maar helaas hebben we op dit moment geen andere kamers beschikbaar.’ gaat ze onverstoord verder. ‘Ik kan me voorstellen dat u liever beide een eigen bed heeft.’ Ik glimlach. ‘O, dat is geen probleem hoor.’ zeg ik tegen haar. Ik geef de tassen die ik steeds heb vast gehouden aan Thijs en neem het gesprek over.
    ‘Wilt u dat we u op de hoogte houden mocht er een kamer met twee losse bedden vrij komen.’ Thijs geeft mij de papieren voor het inchecken en loopt naar de andere kant van de lobby. Ik ken dat gezicht, onweer. Ik kijk op van de papieren voor het inchecken. ‘Dat is echt niet nodig.’ zeg ik rustig.

    Als de kamer deur in het slot valt begint Thijs. ‘Ik snap niet dat jij zo…’ Hij had zich in moeten houden onderweg naar onze kamer. Zó rustig als het was op straat des te drukker is het in het hotel.
    ‘Ik snap niet waarom het voor mensen onmogelijk schijnt te zijn om na te denken!’ zegt hij. Terwijl hij zijn schoen met alle macht van zijn voet probeert te rukken. Ik trek mijn wenkbrauwen op ‘Werkelijk’ zeg ik terwijl ik met mijn armen over elkaar gevouwen in de opening naar de badkamer blijf staan. Thijs laat zijn voet met de schoen los en laat zijn armen langs zijn lichaam op het bed rusten.
    ‘Ik ga met mijn beste vriendin op vakantie en zij word mevrouw Einder genoemd, een mevrouw geeft aan dat “deze gelegenheid ook een prachtige trouw locatie is”, waarom kunnen mensen niet in eerste instantie aan nemen dat…’
    ‘Wat?’ zeg ik tegen Thijs. ‘Wat, vrienden zijn? Dat was wat deze mevrouw toch deed?! En nu ben je evengoed boos…’ ik glimlach naar hem. ‘Luister’ zeg ik terwijl ik naar hem toe loop. ‘Zij bedoelde er niets mee, zij dacht dat we vrienden waren die het misschien prettiger vonden om allebei op een eigen bed te slapen. Punt. Meer niet.’ Ik sla een arm om zijn schouder en kus zijn wang. ‘Mijn kleine prinsje…’ zeg ik zacht. Een pruillipje geeft me aan dat hij niet meer heel serieus is. ‘Zo, over’ plaag ik hem lachend, ‘dan gaan we er nu een leuke dag van maken.’

    U kunt hier verder lezen.

    Ben zo terug – Bart

  • Klem!

    Het was iets voor middernacht toen ik mijn weg naar huis, met trein, voortzette vanaf het Centraal Station. De coupé vulde zich met de nachtelijke brakers, op weg naar hun thuis.

    Toen de trein zich in beweging zette begonnen de zacht gemompelde gesprekken zich in luidere vorm voort te manifesteren. De dag was lang geweest. De resten van reizigers waren nog duidelijk zichtbaar. De uitpuilende prullenbakken, een vergeten briefje, een lege kop koffie op het tafeltje bij het raam.

    Ik zat alleen. Te staren naar een leeg vel papier. Afgesloten van de buitenwereld door de muziek in mijn oren. Het was de laatste trein richting Den Helder, ik had moeten rennen om hem te halen en was blij dat ik nog kon zitten. De eerste zinnen waren onzin maar het hielp me om te schrijven. Vrij te denken en een begin te maken met een verhaal. De volgende stop. Tegelijkertijd met de trein hielden de gesprekken stil.

    Driftig heen en weer geloop van conducteurs. Een stem over de portofoon. Nogmaals de conducteurs maar nu in de andere richting. Ernstig kijkend, toch de wens uitsprekend voor een goeden avond. Met het weg rijden hervatten de gesprekken zich opnieuw. Het donker van buiten de coupé maakte de weerspiegeling, door het helle licht van binnen, nog sterker. Een ziekelijke groene reflectie kwam tot leven in de ruiten van de wagon. Een mandarijnenschil lag vertrapt onder een van de stoelen. Vergeten en onopgemerkt.

    ‘Het volgende station is…’ Een zware mannen stem klinkt schel over de intercom door de trein. ‘… Zaandam, na deze stop zullen wij nog verder gaan in de richting van Uitgeest, Castricum, Heiloo en Alkmaar en dan verder richting Den Helder. Het volgende station is Zaandam.’ Met een klik stopt de stem. Twee dames verlieten lachend de coupé. Een nieuwe groep mensen stapte in en probeerde een plaatsje te vinden om te zitten. Het was warm binnen en ik had mijn jas los geknoopt. Mijn tas stond tussen mijn voeten, mocht het nodig zijn kon er iemand naast mij gaan zitten.

    De deur naast mij zwaaide open terwijl een meneer zich naar binnen wrong. Hij keek de wagon door een plofte zich naast mij neer. Hijgend, zijn voorhoofd bezweet. Zodat hij goed kon gaan zitten, bedacht ik mij iets meer naar het raam op te schuiven. Pas toen merkte ik dat mijn open jas half op zijn stoel moest hebben gelegen. Zodat hij daar nu op zat. De reutelende ademhaling bleef zich door mijn met muziek gevulde oren dringen. Nog voor dat de trein verder ging had de man zich uit het hengsel van zijn tas gewurmd. Met zijn tas op schoot bleef hij zitten.

    De zure geur van oud zweet en de alcohol die met elke adem meekwam. Ik voelde me opgesloten. De ruimte te klein om het op enige manier te ontwijken. De warmte maakte mij misselijk. Mijn handen koud, onbruikbaar. Zijn haren waren kort, maar lang genoeg om zich aan zijn voorhoofd vast te plakken. Na een paar minuten pakte hij zijn tas en begon te rommelen. Zijn ellenboog raakte mijn arm. Het helle licht, de woorden die mijn brein bleven vullen totdat het zou overstromen. Niet te schrijven, mijn handen wilde niet. Probeerde mijn jas terug te krijgen, zonder er iets van te zeggen. Een fles rode wijn komt uit zijn tas tevoorschijn. Het zuigende geluid van zijn longen naar de benodigde adem. Hij zette de fles aan zijn mond en met een grote slok dronk hij de klokkende wijn. Ik draaide mij steeds meer richting het raam. Probeerde mij te concentreren op de pagina, de muziek, alles behalve de geur en de man. De groene reflectie hielp mij niet. Ik leek wel zeeziek in deze ruit.

    De mannen in de groep verderop waren luidruchtiger dan eerst. Een grijze man met bruin gezicht door teveel zon, liet de gesprekken over zich heen komen alsof hij er niets mee van doen had. Toch lachte hij door de grappen die zij maakten.

    ‘Het volgende station is Uitgeest’ een klik en de stem was weg. De man naast mij pakt zijn telefoon uit zijn broekzak. Zijn dikke vingers probeerde de weg naar berichten te vinden. Drie keer moet hij het opnieuw doen. Zijn andere hand was bezig met het los ritsen van zijn windjack. Met het openen van zijn jas verdronk ik in een nieuwe walm van zweet. Ik trok mijn schouder omhoog maar werd gestopt door mijn klemzittende jas. ‘Station Uitgeest.’ klinkt het nasale geluid door de trein. Een groep mensen verlaat de trein. Lachend na een gezellige avond uit. Twee jonge meiden liepen giechelend achter hen aan, alsof Ronald Giphart ze had bedacht.

    Een mevrouw aan de andere kant van de wagon is tegen de ruit inslaap gevallen en de man naast haar sluit zo nu en dan zijn ogen. De kruimels op de grond schrapen over de vloer als ik mijn voeten voorzichtig verschuif. Twee oudere dames kwamen luid lachend binnen gelopen. De man, zijn haren waren onder tussen volledig doorweekt en de pareltjes zweet, tot stroompjes verworden. Met een grote rode zakdoek droogde hij zijn gezicht. De fles zette hij opnieuw aan zijn mond, stopte hem weer weg en begon een bericht te typen.

    Toen de dames een plek gevonden hadden en de trein zich weer in beweging had gezet, was er aan de andere kant van het gangpad een dubbele plaats over. Hij stond op en plofte languit neer op de twee onbezette plaatsen. De bevrijding!

    Ben zo terug – Bart

     

     

     

     

  • Gesprek Onderweg #1

    Thijs begint wat zenuwachtig op zijn briefje te lezen. Ik weet al wat er komen gaat, maar ik laat hem.
    ’Hier moeten we de trein uit en overstappen’ Thijs kijkt op van zijn handschrift.
    ’lichtelijk paranoïde tijdens het reizen?’ ik trek mijn wenkbrauwen op met een grijns.
    ’Ik wil gewoon zeker weten dat we de goede kant op gaan, is dat zo gek?’ Thijs pakt zijn rugtas uit het bagagerek en hijst hem op zijn rug.
    ’Hebben we nog iets vergeten, kijk even goed’ zegt hij in het algemeen tegen de coupe, als hij zijn eerste stappen zet richting de deuren van de trein.
    ’niets vergeten.’ is mijn korte antwoord als ik hem achterna loop. Het is een stoffig klein stationnetje op ongeveer één uur van onze bestemming.
    ’Ik hoop dat er een automaat staat waar we wat drinken kunnen halen ik kan wel wat gebruiken.’ Het perron stelt me niet teleur.
    ’We hebben tien minuten voor onze trein er is’ zegt Thijs zijn briefje raadplegend. Hij is alvast gaan zitten op een bankje terwijl ik voor ons wat uit de automaat haal. Ik slenter terug naar Thijs die nog steeds op zijn briefje zit te lezen, en geef hem een kus. ’ik hou van je.’ Zeg ik als ik hem zijn flesje drinken geef.
    ’Waar was dat goed voor? ‘Hij kijkt me aan.
    ’zo maar.’ Er komt een man richting ons gelopen, Thijs pak zijn rugtas van de bank en zet hem tussen zijn benen. Als in een spiegel gereflecteerd staan onze tassen, identiek zijn ze, we hebben ze voor deze reis gekregen van mijn ouders.
    ’Gaan we naar het centraal station?’ vraag ik Thijs.
    ’Nee we stappen twee stations eerder uit dan zijn we vlakbij ons hotel, kunnen we eerst even alle spullen wegbrengen.’ De man kijk op naar mij alsof hij wil zeggen ik versta jullie. ’daar is onze trein.’ Thijs pakt zijn rugtas en staat op nog voor de man iets kan zeggen.
    ’Jullie komen uit Nederland?!’ zegt de man die naast ons op het bankje zat, terwijl hij ook opstaat voor de trein. Hij zegt het eerder als vaststelling dan als vraag. Zijn accent is Italiaans maar je kan goed horen dat hij uit Nederland komt.
    ’Ja, u klinkt alsof u ook uit Nederland komt’ Zeg ik tegen de man hij loop met ons mee richting de deuren die ondertussen open zijn gegaan. Hier en daar komt een verdwaalde reiziger de trein uit gestapt.
    ’Ik ben opgegroeid in Nederland maar ik woon nu zo’n twintig jaar hier.’ Zijn zwarte lange gewaad is nagenoeg zonder kreukels.
    ’U bent pastoor?’ Vraag ik met enige twijfel in mijn stem.
    ’Laten we het zo noemen.’ Zegt de man. De trein is nagenoeg leeg en we vinden een plaats voor vier personen. Ik ga naast Thijs zitten en kijk hem wat hulpeloos aan. Het eerste wat ik denk is, wanneer gaat deze man ons proberen te redden?
    ’Het spijt me, laat ik mij voorstellen mijn naam is Thomas.’ Zegt de man en Schud ons om beurten de hand.
    ‘Aangenaam, Thijs. En ik ben Max’ Zeg ik zo zelfverzekerd mogelijk.
    ‘Zijn jullie vrienden?’ Vraagt Thomas. Nu is het mijn beurt om het antwoord te geven. ‘Laten we het zo noemen.’ Zeg ik met enig zelf genoegen voor Thijs kan reageren. Hij kijkt mij aan met een blik die me duidelijk moet maken dat wat ik nu doe echt niet kan. Thomas glimlacht.
    ‘Wij hebben een relatie.’ Verbeterd Thijs. Hij is hier veel beter in als ik, hij heeft meer ervaring. Bij mijn slaan alle alarmbellen aan in dit soort situaties. Thomas kijkt geïnteresseerd mij kant uit, alsof hij ziet wat ik denk.
    ‘Waar zijn jullie vandaan gekomen?’ Vraagt hij. Thijs neemt het voortouw
    ‘We zijn uit Viterbo gekomen het is vandaag de derde dag van onze reis.’
    ’Laat me raden’ zegt Thomas ’Jullie zijn op weg naar Rome, is het niet.’ ik knik.
    ’We willen een aantal dingen bezichtigen voor we verder reizen, het Vaticaan staat onder andere op het programma.’ ik kijk Thijs aan als hij de rest van de plaatsen op noemt die we gaan bezichtigen.
    ’Zijn jullie gelovig?’ vraagt Thomas, aan mij om me meer bij het gesprek te betrekken. Alarm, dit was precies de opening waar hij op heeft zitten wachten.
    ’Ik niet, maar Thijs is opgegroeid binnen een katholiek gezin.’ zeg ik zodat zijn aandacht weer op Thijs gevestigd is.
    ’Mijn ouders zijn katholiek, ik ben niet meer gelovig.’
    ’Niet meer?’ vraagt Thomas om verduidelijking.
    ’Ik heb niets tegen het geloof of gelovigen, ik heb alleen gekozen om alle last waar ik mee opgezadeld werd niet mee te dragen.’ Ik kijk van Thomas naar Thijs en terug, enige trots kan ik niet onder drukken.
    ’Ik kan het me voorstellen’ zegt Thomas. Die had ik even niet zien aankomen.

    Ben zo terug – Bart

    lees verder