Tag: Mensen

  • Opstaan en opnieuw beginnen

    Een stapel boeken staat naast haar stoel. Doorgespit op nieuwe woorden en zinnen. Brieven naar iedere uithoek van het land en elke functie die zij maar kon verzinnen. En toch is zij verloren. Verloren op de witte pagina’s, verloren in haar eigen vocabulaire en waar zij nú nog kan beginnen.

     Ben zo terug – Bart

  • Verhalenfabriek. III – Schets

    Het werk was er net zo saai als overal. De oude hangaar was een open werkplaats met “hang-outs” voor “meetings” een koffiebar waar groene sapjes en water werd opgegoten op koffie in filters. Er was nergens ruimte om rustig te werken aan de troosteloze cijfertjes. Alleen aan de oostkant van de hangaar waren vier kantoortjes waar alle afleiding, die een inspirerende werkplek met zich mee brengen, buitensloten. Deze morgen was ik vroeg en kon ik een van die kleine ruimtes voor mijzelf bemachtigen. Het licht van de laaghangende zon scheen oranje door het hele gebouw. Terwijl de laptop opstartte dronk ik mijn koffie. Langzaam vulde het gebouw zich met werknemers. Met ideeën en de mensen, die hen voortbrengen. Soms, achter dat glas, bekeek ik hen vanuit mijn eigen wereld alsof ik er niet helemaal bij hoorde.

     

    Ben zo terug – Bart

    Lees deel 4 hier

  • Verhalenfabriek. II – Dronken avond

    ‘Ik ben bang om los te laten, te ontspannen. Het beangstigt mij omdat ik niet weet wat dat veroorzaakt.’ Het was een lange avond die omrand werd door rode wijn. ‘Ken je dat gevoel aan het einde van de zondag, dat je had als kind? Het bewust zijn van het tijdstekort?’ Ik volgde zijn gedachtegang niet, begreep niet wat hij wilde zeggen, wat zijn beschrijving was. ‘Misschien niet’ zei hij. Er klonk treurigheid door zijn stem. Een treurigheid die altijd aanwezig is. Bij elke beslissing draaide het uiteindelijk zijn lelijke kop. Niet dat hij dat zelf zo zag. ‘Van iedere ervaring leer je iets’ zei hij vaak als ik hem weer eens met medelijden aan keek omdat hij zijn baan verloren had of iets dergelijks.

    Ik ken hem al mijn hele leven. Als peuters begonnen wij onze school. Er is altijd een spanningsveld dat in zijn lichaam zit. Het enige dat ik niet meer weet is of dat toen ook al zo was. Of dat het met de tijd zichtbaarder is geworden. Hij bewoog zich door zijn leven als een blok.

    Hij dronk zijn glas in stilte leeg. ‘Wat gebeurd er als je los laat?’ vroeg ik hem. Zijn wenkbrauwen fronste. ‘Een moeras heeft soms plaatsen waar je kan staan zonder dat je wegzakt’ het klonk als een vraag. ‘Waar de rest je langzaam opslokt, je zo voorzichtig mogelijk laat verdrinken. Ik weet mijn weg aan de rand van het moeras. Het gewone zand. Maar als ik even niet oplet sta ik midden in het moeras. Is het moeilijk te zien waar ik veilig ben. Het lijkt onmogelijk mijzelf uit die situatie te trekken. Dus probeer ik op te letten’. Ik moet hem totaal verloren hebben aangekeken. ‘Ook niet’ zei hij resoluut.

    Voor sommige mensen wil je graag dat het allemaal lukt. Hij is zo iemand. Terwijl je dat graag wilt, lijkt het wel; hoe meer ik het hem gun des te minder alles lukt. In diezelfde mislukking komt er een gelatenheid over hem heen. Alsof het een bewijst is dat het voor hem was weg gelegd.

    ‘Ik denk graag na, ben introvert en mensen nemen een heleboel energie van mij.’ Die losse flodder bleef tussen ons in hangen. ‘Wijn?’ vroeg ik hem. Hij knikte. Ik liep om de bank naar de keuken. ‘Er zijn veel redenen om kwaad te zijn, maar het voelt als verspilde energie. Ik pas mij aan.’ Welke redenen? vroeg ik nog voor ik de keuken uit kwam. ‘Gewoon… dingen. Vergeet maar wat ik heb gezegd’. Ik plofte naast hem op de bank en keek hem vragend aan. ‘Soms laat je dingen gebeuren die je totaal uit je doen brengen’. ‘Zoals wat?’ ‘Je vroeg net toch wat er gebeurd als ik los zou laten?’ Ik knikte om hem verder niet te onderbreken. ‘Los laten, los laten, los laten!’ Hij fluisterde het tegen zichzelf, een zoekende blik door de kamer. Hij pakte zijn glas en met een diepe zucht zakte hij tegen het kussen van de bank. Hij sloot zijn ogen en nam een slok. Even speelde er een glimlach over zijn gezicht. ‘Oké, doe je ogen dicht en beeld je in dat je in een kroeg staat’. Ik sloot mijn ogen en toverde uit mijn gedachte een beeld. ‘Je bent daar met een paar vrienden, verder ken je daar niemand, je vrienden komen daar regelmatig en kennen sommige van hen. Hebben we dat beeld?’ Ja, bevestig ik. ‘Een lachende jongeman komt op je af. Wacht, je moet je even voorstellen als een jongen van een jaar of achttien.’ Ik knik. ‘Eén van de jonge mannen komt lachend op jou af en dan gebeurd er dit.’ Ik voel hem naast mij verschuiven. Opeens grijpt zijn hand in mijn kruis. Ik open mijn ogen in shock. Lachend zegt hij: ‘Dit wil je toch graag?’ Even snel als zijn hand greep, is hij weer weg. ‘Zijn vrienden lachen. De onwetendheid van een ander. Dat doet mij niets. Het feit dat de mensen die je vrienden zijn, mee lachen… En dus ben je in elke situatie bezig een andere rol te spelen. Altijd in onderhandeling met je omgeving. Dat moet ontspanning zijn… sorry maar dat is het niet’. Hij staat op en loop richting de deur. ‘WC’ zegt hij kort. Nog wat beduusd, blijf ik alleen achter op de bank.

    Ben zo terug – Bart

    Lees deel 3 hier

  • Verhalenfabriek. I

    Een straal zonlicht valt in het glas water dat naast mij staat en een regenboog vormt zich op het bureau. Als ik mijn vingers er langs haal verkleuren zij in het licht. Het kleurenspel fascineert mij. Het neemt plaats in mijn brein en vult het langzaam totdat er geen andere gedachten meer zijn. Ik beweeg mij naar voren om de kleuren dichterbij te bekijken. Door het glas gezien is de wereld verbogen en vervormd net zoals het verbogen licht vervormt is. Ver achter in het glas is een wereld bezig. Ik focus mijn aandacht weer op het lege vel papier. Er komt weer ruimte in mijn hoofd en de kleuren die het gevuld hadden blijven in een hoekje spelen.
    Het is vergaan, het moment. De regenboog is weg. Alleen zonlicht in een rechte lijn over het bureau. Mijn vingers schrijven de woorden en een zin ontstaat. De eerste aanzet van een verhaal. Vanuit mijn ooghoek komt er beweging in het licht. Een schaduwfiguur word steeds groter. Voorzichtig kijk ik op van mijn werk. Niemand. Het licht is weer zichzelf, zonder de schaduw. Ik heb mijzelf vergist!
    “Het is vergaan, het moment. De regenboog is weg.” Lees ik mijn openingszin “Alleen zonlicht in een rechte lijn over het bureau.”. Ik schrijf verder: “de kleuren zijn verloren een enkele witte lijn blijft achter. Het is een schaduw die mijn aandacht trekt. Het speelt door het glas.” Opnieuw een schaduw. Ik blijf zo stil mogelijk zitten en probeer vanuit mijn ooghoek de maker van de schaduw te ontdekken. En opnieuw… niemand. In het glas zie ik niets, ik beweeg mijn hoofd opzij en kijk opnieuw. Een persoon, zijn schouders naar beneden hangend, verslagen. Er is niets te zien. Een zwart profiel tegen het witte licht. Ik laat mijn ogen door de ruimte dwalen. Er is hier écht niemand.
    Een schok zet mijn lichaam weer overeind, alsof ik knikkebollend op de stoel had gezeten. Woorden vloeien uit mijn pen…

     

    Ben zo terug – Bart

    Lees deel 2 hier

  • Perspectief

    Er is een hoop te zien. Het vreemde is dat iedereen leeft. Het vrouwtje dat voor mij zorgt is in de zeventig en zit stil naast mij. Wij staan buiten het leven, iedereen negeert ons. Een jongetje steekt zijn hand naar mij uit. Ik strek mijn nek uit, ruik zijn geur en lik zijn vinger. De moeder trekt hem bij mij weg. Even was er contact met de buitenwereld. De trein stopt en leegt zichzelf, dan word hij opnieuw bevolkt. Nieuwe geurtjes en mensen om mee te communiceren. De wanden blijven staan en zij zit nog steeds stil naast mij.

     Ben zo terug – Bart

  • Concert II (En 100 woorden terug.)

    Langzaam loopt de zaal leeg. Een laatste biertje voor de wandeling naar het station. Mijn oren ruizen na in de afwezigheid van al het geluid. Een snel afscheid en wij reizen terug naar ons eigen leven. De betekenis van sommige liedjes is veranderd door het licht en de omgeving, andere door de gesproken intermezzo’s. Nog andere hebben licht geworpen op teksten van eerdere albums. Mijn brein zindert, na een avond vol muziek uit de ziel. Het bevestigt dat de mensheid eeuwig zoekt naar een beschrijving van zijn leven. De trein is nagenoeg leeg. Dé plaats om het leven te beschrijven.

    Ben zo terug – Bart

  • Concert I (100 woorden heen…)

    Een lichte spanning neemt bezit van mijn lichaam. “Een uur of twee op centraal?” vraagt een berichtje mijn aandacht. Het is een afspraak die we telkens weer maken. De lift tussen perron twee en drie, daar zullen wij elkaar ontmoeten. Ik heb de hele rit om nogmaals het album door te nemen. Mijn handen zijn klam, een tinteling speelt door mijn brein, in afwachting van het live-optreden. Anderhalf uur luisteren naar de observaties van een ander leven. De muziek sluit mij af voor de wereld om mij heen. Wat wil ik vanavond graag horen? vraag ik mijzelf af.

    Ben zo terug – Bart

  • Exorcisme

    Er was een soort hopeloosheid in haar blik. Ze staarde voor zich uit naar het zwarte scherm van de televisie. Ze zat verstild tussen de schoonmaakspullen die door de hele kamer verspreid lagen. Midden in de kamer stond de stofzuiger, op de eettafel een emmer, het doekje had ze nog in haar handen. Koud en nat. Haar vingers waren door het water rimpelig geworden, als die van een oude vrouw.

    Vol goede moed was ze ’s morgens begonnen. Zij had haar mouwen opgestroopt en de ramen open gezet. Het was zonnig buiten, de frisse ochtendlucht maakte haar wakkerder dan de kop zwarte koffie die ze naar binnen had geslurpt. Het had haar verhemelte verbrandt. De blaar was bijna onmiddellijk opengesprongen en nu zat daar een draadje van het verbrande vlees, waar ze steeds met haar tong langs schuurde.

    De keuken was haar eerste uitdaging van de dag. Een play-list draaide op de pc die ze via draadloze boxen door het hele huis kon horen. In haar manie had ze alle kastjes één voor één leeg gehaald, uitgesopt en alles gerangschikt weer terug geplaatst. Toen ze klaar was met de kasjes waren de koelkast en de vriezer aan de beurt. Tijdens het ontdooien van de vriezer had zij de vloer gedaan.

    Toen ze de stofzuiger in de kamer zette kwam een besnorde dame haar gedachte binnen wandelen. De twee enorme roze oorbellen komen onder de donkere haren vandaan. Een roze topje over een leren rokje en daaronder de in panty’s gestoken benen. Het is pas als haar gehoor de tekst registreert; “I Want to break free” dat op haar serieuze gezicht een glimlach doorbreekt. Freddie Mercury!

    De ramen in de kamer waren het volgende project. Het witte licht schitterde in het water. De zeem piepte langs het schilderwerk terwijl Yann Tiersen een zwart-witte wereld met een Frans accent bezong. Gedachteloos haalde zij de stofzuiger langs de bank. De piano vulde haar hoofd, geen van de woorden vulde het plaatje aan. Haar handen vielen stil. Haar gedachte werd blank. Een bewustwording van haar situatie zette zich vast in haar hoofd, het verlamde haar. Ze plofte neer op de bank, met een lege blik keek ze de ruimte rond.

    ‘Dit is het voor nu.’ was het enige dat zij kon denken. ‘Nu ben ik hier, schoonmaken en opruimen dat is het … wat moet ik nu. ’ De verlamming van wat er nieuw zou komen, van wat dat betekende, had bezit genomen van haar brein. Na een halfuur kon ze de cirkel van haar gedachte doorbreken. Ze keek de kamer rond. Een rauwe damesstem galmde door de kamer. “Nobody told me there’d be days like these” en “It’s the salt that stings” Ze gooide het doekje van een afstand in de emmer en met vernieuwde overtuiging zette zij het werk voort. Zich van de viezigheid ontdoen.

    Ben zo terug – Bart

  • Afspraak met een verhaal

    Een meeuw zweeft tegen de wind in. Als ik dichterbij kom, glijdt hij langzaam omhoog door een kleine aanpassing van zijn vleugels. Het eindeloze droog gevallen wad wordt bevolkt door steltlopers en meeuwen allemaal opzoek naar hun maaltijd. Van het kleine beetje helmgras dat tussen het basalt doorgroeit is alleen nog een zielig hoopje geelbruine sprietjes over. Door de stroming is in een bocht in de dijk een strandje ontstaan. Het ligt bezaaid met schelpen en stenen, met flessen en stukken touw die, naar ik aan neem, overboord zijn geslagen in stevige wind of storm.
    Een nummerbord tikt tegen het basalt. Het werd rechtop gehouden door een tak.
    ‘Hoe kom jij nou hier terecht?’ ik zeg het zonder er bij na te denken.
    ‘Het scheelde niet veel,’ zei hij ‘zie je die snee; een boegschroef had me bijna in tweeën gescheurd!’
    ‘Ben je daarom zo verbogen?’ vroeg ik verbaast’
    ‘Nee dat is een heel ander verhaal’.
    ‘Waar kom je vandaan?’ ik zakte door mijn knieën om hem beter te bekijken.
    ‘Mijn eerste herinnering…’ zijn stem zonk weg in de wind. Nadat hij wat had nagedacht zei hij: ‘Ik herinner mij het eindeloos rondrijden. Ik was het bord achterop een brommer. De zoette warmte van een eindeloze zomer.’ Hij zuchtte. ‘Het was een paar jaar later toen de brommer werd ingeruild. Een ongeluk had hem onbruikbaar achter gelaten. Ik verdween tussen het schroot in een wild overgroeide tuin. Het moet een jaar later zijn geweest toen de schroeven zo verroest waren dat ze afbraken en ik op de grond viel.’
    Ik ging zitten op het zwarte basalt.
    ‘Nog geen week later stak er een sterke wind op en even werd ik voorzichtig opgetild. Maar hij was niet sterk genoeg om mij ver te dragen. Nóg een windvlaag kwam en tilde mij hoog de lucht in. Zo’n tweehonderd meter. Daar bleef ik hangen, hoog boven de grond aan een dunne boomtak.’ De wind tikte het metaal tegen de stenen en de tak.
    ‘Hoe lang bleef je daar hangen?’ zei ik fluisterend.
    ‘Een dag of twee. Het was het seizoen van de stormen. Een grote windhoos trok mij los van de tak. Het liet mij eindeloos rondwarrelen. Uiteindelijk viel ik in het water, de stroming voerde mij af. Zo dreef ik dagen lang tot een golf mij opslokte en langzaam naar de bodem liet zakken. Het was er koud en gitzwart. Tot ik, door een sterke zwaai van een walvisstaart, die diep wegdook voor een aankomend schip, omhoog werd gebracht.’
    Ik verschoof mijn voeten om comfortabeler te zitten.
    ‘Een jonge zeeman viste mij uit het water. Zo kwam ik aan boord. Hij maakte mij vast aan een van de netten die de grote houten kratten op zijn plek hielden. Elke dag kwam hij even kijken of ik er nog wel was. Alsof ik iets belangrijks voor hem betekende. Het duurde even voor ik het begreep, maar hij wilde al zijn hele leven naar Amerika en ik was voor hem een representatie van dat land.’ Hij kuchte even en wees mij op de gele kluwe draden. Het stormde onderweg en het schuren van het hout langs de touwen liet er niet veel van over. Ik raakte los en de touwen hebben deze verdere reis met mij mee gemaakt.’ Even tikte de wind hem weer naar voren. Over de zwarte letters liep een diepe kras. “Dat moet door de schroef zijn gekomen” dacht ik bij mijzelf.
    ‘Eindelijk kwamen wij weer in de bewoonde wereld aan. Voor het schip de haven in mocht, werd alles door strenge mannen gecontroleerd. We moesten wachten op goedkeuring’.
    ‘Maar… hoe ben je hier gekomen?’ vroeg ik nogmaals.
    ‘O ja, ik heb het niet gered. Ik ben door één van de andere mensen, toen zij het dek aan het schoonmaken waren over boord gespoeld. Zó belande ik weer in het water.’ In zijn stem klonk verdriet door, alsof hij het land had willen verkennen.
    ‘Ik ben na maanden ronddrijven in een stroming terecht gekomen. In die tussentijd waren er genoeg zeedieren die nieuwsgierig waren en een hapje probeerde om mij daarna snel weer los te laten. Al spelende, namen de dolfijnen mij voor honderden mijlen mee. Uiteindelijk lieten zij mij en zwommen met een boot mee, een andere richting op.’ Hij verschoof zich even en vond een stevigere plaats.
    ‘Pas na een jaar kwam ik weer in de buurt van een schip. Ik was gedeukt, Lichamelijk én geestelijk, tijdens het avontuur op de boot. Maar déze aanvaring was iets dichterbij… Het was een schip dat zo groot was, dat het drie schroeven had die constant draaide. Ik werd de diepte ingezogen. Het water werd met enorme kracht naar achter geduwd. Ik raakte de schroef nauwelijks. En toch is dit het resultaat.’ Zei hij verdrietig. ‘De kracht waarmee het schip door het water ging maakte ook dat er een zuigende werking vanuit ging, die mij meevoerde op zijn reis’. Hij zuchtte en een sterke windvlaag liet hem opnieuw tegen de stenen tikken. Even verschoof de tak en leek het of hij zijn reis verder zou vervolgen voor ik het einde van zijn verhaal zou horen.
    ‘Er kwam weer land in zicht. Het was lang geleden dat ik wist wat “droog-zijn” was. De natuur wilde echter anders. Voor ik dát gevoel goed en wel kon omarmen, stak er een nieuwe storm op. De wind trok mij los van het zand en tilde mij weer op. Zó ver de lucht in dat ik dacht nooit meer beneden te komen.’ Stilte! De wind suisde langs mijn oren. Ik kon het mij haast niet voorstellen dat er zoiets kon gebeuren.
    ‘Maar goed, ik kwam wel beneden… hier. Niet aan land maar tussen dat eiland daar en dit land. Het getij trok mij mee deze kant op en liet mij hier op het zand achter. De wind liet mij verder het land oprollen en …. nu ben ik hier.’
    ‘Wil je met mij mee?’ het leek een stomme vraag. ‘Ik bedoel… Ik kan je …’
    ‘Nee, ik blijf hier’ zijn stem klonk zeker ‘Ik heb nog zoveel te zien en deze wind blaast mij verder het land op.’
    ‘Er is verderop óók water’ zei ik onzeker.
    ‘Ik ben niet bang voor een klein beetje water!’ hij tikte verontwaardigt tegen de stenen. Hij lachte. ‘Laten wij dit afspreken. Als ik je weer zie zal ik van ver naar je roepen, jou het vervolg van mijn reis vertellen. Is dat een afspraak die je met mij wil maken?’
    Ik vermoedde hem nooit meer te zien maar het vooruitzicht was interessant. ‘Afspraak!’ zei ik.
    ‘Mooi. Tot ziens dan!’
    ‘Tot ziens’ zei ik terwijl ik opstond.

    Ben zo terug – Bart

  • Nieuws

    De houten vloer kraakte toen ik de eerste stap in de donkere gang zette. Een heldere stem kwam vanuit de slaap kamer ‘bent u daar?’. De gordijnen in de woonkamer waren nog gesloten. ‘Sorry dat ik zo laat ben’ ik zei het zonder er verder bij na te denken. Ik drukte het licht aan in de gang en opende de slaapkamer deur. ‘Goede morgen, heeft u lekker geslapen?’. Haar wenkbrauwen fronste naar mij; ‘sorry hoef je niet te zeggen.’ zei ze bits. De glimlach brak door haar gespeelde verontwaardiging. ‘Jullie hebben het al zo druk’. Een grande dame zat half rechtop in bed. De grijze haren hingen los langs haar gezicht en de wit-roze nachtjapon was zo’n twee maten te groot. ‘Maar ik heb goed geslapen hoor. Een wilde nacht, dat zie je wel’ zei ze wijzend op naar haar hoofd. ‘Ik heb er nog iets van proberen te maken…’ mompelend voegde zij er aan toe ‘vandaag en jonge broeder op bezoek’.

    Ik had haar naar de rand van het bed geholpen, waar ze nu zat met haar benen bungelend boven de vloer. ‘Douchen’ zei ze vanuit het niets en greep naar de bediening van het bed om deze te laten zakken. ‘wilt een stoel?’ ik vroeg het sarcastisch. ‘Ik ben geen tachtig!’ zei ze beledigt terwijl ze haar neus op trok. ‘Nee dat is waar, u bent in de negentig’. Ze pakte mijn arm en trok zich omhoog terwijl ze zei, ‘ik ben een dame’. ‘Daar heb ik zo mijn twijfels over…’ haar lach galmde door de gang. ‘loop eens een beetje door!’ zei ze ‘wie is hier wie nou aan het helpen?’ voegde ze er nog aan toe.

    Terug in de kamer na het douchen zat ze op een keukenstoel recht voor de televisie. Ik had de taak gekregen haar haren te kamen en op te steken. Ze zette de tv aan op het nieuws. Haar kleine kamer was aan één kant een want vol met boeken. Op het tafeltje bij haar luie stoel lag het laatste boek van Arthur Japin open op een stapeltje met Per Olov Enquist en Ingrid Jonker. Het nieuws opende met een aanslag in Amerika. Achtenvijftig doden en meer dan tweehonderd gewonden. De monotone toon van de nieuwslezer verraadde op de één of andere manier meer van zijn emoties dan de bedoeling was. Nog voor het nieuws verder ging zette zij het af. Haar schouders hangend en haar hoofd gebogen.

    Een traan rolde over haar wang toen zij haar hoofd hief. ‘Ik ben vaak bang weet u?!’ het klonk bijna kinderlijk. Opeens was ik de volwassene, moest ik de vragen beantwoorden. ‘Hoe moet het verder?’ vroeg ze. ‘Ik denk dat we worden opgehitst door mensen die nog banger zijn dan wij…’ mijn stem stopte, teveel gedachtes zonder enig antwoord. ‘Aan het eind van de tweede wereldoorlog werd er op een zelfde manier door de Duitsers op mensen geschoten op de Dam. Dat was aan het einde van een oorlog. Een spasme, een nawee. De oorlog moet nu nog beginnen’.

    Ben zo terug – Bart