Tag: fantasie

  • Overdenking daarboven

    Overdenking daarboven

    “De verleiding was groot hier boven op de berg te blijven. De koude aangename lucht, de mooie uitzichten en de grootsheid maakte alles in het dal onaangenaam. Warm, uitzichtloos en vooral klein. Maar er zat niet anders op dan weer naar beneden terug te keren. De warmte op te zoeken en de grootsheid achter te laten; op de plaats waar zij past. Tussen de rotsen door over het groene met kleine bloemen gevulde gras, daar op de rand waar gras weer over gaat in struiken en bomen. Fladderde een kleine vergeet-mij-niet-blauwe vlinder langs.”

    Dacht ik bij mijzelf, onderweg naar beneden.


    Ben zo terug – Bart

  • Naar boven

    Naar boven

    Als we dichterbij de zon komen voelt het kouder. We zijn hoog boven het landschap uitgestegen. Zover dat er niets meer groeien wil.  Na de boomgrens was het gras en wat verdwaalde struiken. Die zijn hier opgehouden te bestaan. Het is enkel steen en rots. En daar zo verdwaald tussen al dat zwaars en hards, staat een klein gebouwtje. Het hout, door het zonlicht en de tijd, grijs gebleekt. Daar zit in de deuropening een oude wijze man. Ik vroeg hem om wijsheid.

    Hij zei:

    “Vaak verliest men veel tijd omdat men een windstoot wil nalopen of een schaduw grijpen.”


    Ben zo terug – Bart

  • Roest 

    Roest 

    ‘Opa jij hebt sproeten’ zijn vinger trekt de omtrek van de sproeten op opa’s arm. 

    ‘Ja roest. Dat krijg je als je ouder word dan begin je te roesten.’ Zegt opa, een glinstering in zijn ogen. 

    ‘Neeeee, dat is niet zo. Toch?’

    ‘Mama opa zegt dat hij roestig is… door de sproeten.’ Zijn moeder steekt haar hoofd uit de keukendeur naar buiten en schud haar hoofd. Zogenaamd boos naar opa kijkend, alsof zij zeggen wil: “geen wilde verhalen ophangen tegen mijn zoon”  

    ‘Jij hebt toch ook sproetjes?’ Vraag opa wijsend op de arm van zijn kleinzoon. ‘Komt door de zon’


    Ben zo terug Bart

  • Het niet weten/het weten 1v2

    Het niet weten/het weten 1v2

    Als ik ga zitten in de galerij van het museum, op een van de ongemakkelijke houten bankjes in het midden van de ruimte, overvalt de stilte mij pas. Aan het einde van de lange gang, staat een oudere heer leunend op zijn wandelstok. Zijn gezicht een paar centimeter van een van de schilderijen. Alsof hij een inspectie aan het uitvoeren is. Verder is er niemand, is het stil. De eerste keer dat ik hier kwam, dacht ik niet zoveel over het schilderij. Het is niet groot, geschilderd door een beroemde kunstenaar of indrukwekkend of opzichtig. Eigenlijk is het bankje te ver bij het schilderij vandaan om het goed te bestuderen. Hoewel het onderwerp groot genoeg is, zijn het de subtiliteiten die het werk nog beter maken. Er is iets Jheronimus Bosch’s aan de details, iets Monet’s aan de figuur. Behalve haar gezicht; sommige onderdelen van haar gezicht. Haar grijze haren in wilde, onvolledige kwast-streken. Het is opgestoken, met een losgevallen lok, die als een grijze pluim rook langs haar gezicht kringelt. Licht, doorzichtig, maar net genoeg aanwezig om te laten opvallen, met hoeveel precisie het is vastgelegd. Iets anders dat mij pas opviel toen ik langer bleef kijken. 

    AI is te makkelijk

    De onbelangrijke details worden simpelweg door een veeg verf aangegeven. De bloemen op de stof van haar jurk, de knopen. Maar buiten lijkt het alsof het beeld extra scherp word weergegeven. Zo scherp dat je de fantasie kan grijpen, er meer te zien is dan de werkelijkheid. Daarom moet je van dichtbij kijken. De jongentjes met een rode vlieger. Zijn die er wel? In haar ogen staat het buiten afgebeeld zonder de kinderen, of de baby op de arm van de dame die nog net het schilderij binnen komt wandelen. Een van de mannen die aan het werk zijn, is er ook niet. 

    “Vrouw bij het raam” valt er te lezen op het bordje naast het schilderij. 

    Maar wie is zij? Waarom is er met zoveel zorg een portret van haar geschilderd? Wat is er verloren gegaan met de tijd?

    Lees hier verder

    Ben zo terug – Bart

  • Een leven in een kistje II

    Een leven in een kistje II

    7 januari 2000

    Wij hebben de hele avond nog berichtjes uitgewisseld over wat er misschien in het kistje kan zitten. Allemaal wilde verhalen. De mogelijkheden met een heel hoop fantasie.

    sleutel mart begon:  

    Mart:

    Misschien is het wel een schat met allerlei verschillende gouden/zilveren sieraden. 



    Mart:

    Ow… Ik dacht het zouden ook nog goudstaven of zilver kunnen zijn. Maar dat gaat dus niet door.




    Mart:

    liefdesbrieven! Een verbodenliefde is ook een schat! Vooral als het van een hele tijd geleden is?!







    Mart:

    Net wat ik zeg. Als het oud genoeg is wordt het vanzelf interessant.




    Mart:

    Ja is helemaal goed. Zie ik je morgen rond 18:00 uur




    Ik:

    Of het zijn allemaal aandelen in grote bedrijven. Het gewicht is niet al te hoog. Geen sieraden denk ik. 






    Ik:

    Of het zijn allemaal foto’s. 





    Ik:

    Twee jonge mannen die verliefd zijn geworden? Is een intrigerend idee. De vraag is dan, waarom willen zij dat het bij de Historische Vereniging terecht komt?




    Ik:

    We zullen het morgen zien. Kom je eten, zorg ik wel dat er wat extra is?!




    Ik:

    👍

    Als twee kleine kinderen die hun enthousiasme niet in bedwang konden houden zaten we aan tafel te eten. Wie als eerste zijn bord leeg had! Eerste probeerde Mart verschillende sleutels maar het bleek niet zo gemakkelijk. Hij had gelukkig andere spullen mee die hem in mijn ogen een inbreker maakte. Het kleine leren tasje zat vol met allerlei platte metalen staafjes in verschillende vormen. Het was veel sneller gedaan dan ik had verwacht. ‘Aan u de eer’ zij hij toen het slot open klikte. 

    Toen ik het deksel opende moet je op allebei onze gezichten iets van teleurstelling hebben kunnen zien. Het waren papieren, notitieboekjes een agenda. ‘Geen goud’ mompelde ik. Heel voorzichtig pakte ik een stapel uit het kistje en lag het voor ons op tafel. Mart pakte de agenda van 1933. Ik las een brief, althans dat probeerde ik. Het was in een andere taal. Ik meende wat woorden te herkennen maar kon andere niet plaatsen. 

    ‘Lubbe’ herhaalde Mart ‘van der Lubbe’ meer voor zichzelf ‘Ik herken die naam. Maar ik kom niet op waarvan…’ Ergens in mijn hoofd was ook bij mij iets van herkenning maar kon het in de mist van mijn herinneringen niet aan iets linken. ‘Mag ik je computer even gebruiken?’ vroeg Mart. 

    ‘Ga je gang’ zij ik. Onder tussen was ik verder tussen de papieren aan het kijken. Ik probeerde op de envelop van een brief te ontcijferen waar het vandaan kwam. 

    ‘De rijksdagbrand! Marinus van der Lubbe zou de rijksdag in brand gestoken hebben.’  



    Ben zo terug – Bart

  • Eeuwige regen 2/4

    Lees hier deel 1

    Even viel hij stil. Nam een slok van de donkerbruine drank, smakte, likte zijn lippen en zuchtte een diepe zucht. ‘Zolang als ik mij kan herinneren’ begon Turing, ‘zijn er al verhalen over Neamna’. Turing keek door de vlammen van de haard, recht door de muur, in een soort eindeloosheid. Hij snoof diep, zocht in zijn brein waar hij het verhaal moest beginnen. ‘Dit is het verhaal dat mijn opa mij vertelde toen ik als kleine jongen bij hem op schoot zat. 

    Kelmnar Berin was de koning van het vlakke land dat eindigde bij de Leeuwenkopsberg en de Tellerrug. Aan de andere kant was het open water. Om zichzelf en zijn onderdanen te beschermen tegen de landrovers en andere koningen die de vruchtbare grond wilde veroveren, bouwde Koning Kelmnar, Neamna in de luwte van de twee bergruggen. De stad was in tweeën gedeeld door een kleine rivier die uit de grond tussen de twee bergen ontsprong. De ene helft van de stad was gebouwd van de lichte stenen van de Leeuwenkopsberg en de andere helft was gebouwd van de donkere stenen van de Tellerrug. De stroom die tussen de twee delen van de stad stroomde, noemde zij Levenwater.  

    Het kleine koninkrijk was veilig en de gronden rond de stad waren overvloedig. Het was voor de mensen een plaats waar zij een thuis vonden in een wereld die werd beheerst door onzekerheden en argwaan. De vruchtbare grond en de stad Neamna kregen al snel bekendheid door de overvloeden die het land voortbrachten. Ook de twee bergruggen waarbij de stad was gelegen, gaven het koninkrijk rijkdommen. De grote robijnen en smaragden die gevonden werden in de grottenwaren geliefd tot ver buiten het rijk van koning Kelmnar. Deze werden verwerkt in prachtige sieraden. Als twee onbegaanbare bewakers staan de bergruggen achter de stad die hen veiligheid garanderde. Dit zorgde ervoor dat Neamna met alleen bewakers aan de kant van het vlakke land zichzelf veilig kon houden. En zo was het dat de stad, zichzelf voor vele jaren in stand kon houden. Hoewel Koning Kelmnar en de stad veilig waren zorgde de koning ervoor dat met elke uitbreiding, ook de verdediging niet vergeten werd. Een overmoedige koning of landrover zou zomaar op kunnen doemen en alles over kunnen nemen of verwoesten. 

    Op de dag dat koning Kelmnar vijfentwintig jaar op de troon zat werd er een groots feest gevierd. De koningen van de omliggende landen werden uitgenodigd om zijn jubileum met hem te vieren. In de grootste zaal van de stad werd een groots diner georganiseerd. Overal in de stad waren tafels op straat gezet en mensen aten en dronken samen om de koning zijn jubileum te vieren. Er klonk muziek door de hele stad.

    Ben zo terug – Bart

  • Eeuwige regen 1/4

    Zij zaten bij het vuur. De herberg was vol gelopen met mensen uit de buurt. De drukte van gepraat, de glazen op de tafels. Buiten was het grijs geworden, de donkere luchten samengetrokken en de zon was helemaal verdwenen. Het was zowat twee uur eerder donker geworden dan normaal was voor de tijd van het jaar. Aan de kleine tafel aan de rand van de haard, waren de twee vreemden stil bij elkaar gaan zitten. De broeken met modder besmeurd, waren zij zo dicht mogelijk bij de warmte van de haard gekropen om te drogen. ‘Kan ik iets voor jullie betekenen?’ de warme donkere stem, kwam van een grote ronde, bebaarde man. Zijn zwarte haar was naar achter gestreken maar zijn krullen waren niet van plan zich te laten temmen. Een snelle glimlach schoot langs zijn lippen en zijn ogen glinsterde. 

    ‘Heeft u voor ons iets warms te eten en een kamer voor de nacht?’ had Thennas de man gevraagd. Zijn gezicht, in tegenstelling tot die van de uitbater was scherp en puntig, maar zijn lichte bruinen ogen keken vriendelijk de wereld in. ‘Maar natuurlijk’ had de man gezegd ‘er is nog een kleine kamer met twee bedden. Ik zal zorgen voor wat eten. Willen de heren ook nog iets te drinken?’ Nadat zij beide instemmend geantwoord hadden, waggelde de herbergier naar de bar. Binnen een paar minuten was hij terug met twee kroezen bier en twee borden eten. De stoofpot rook naar kruiden en verse groente en zachtgekookt vlees. 

    Thennas blies de stoom van zijn gevulde lepel, Orgean stak het zonder te denken in zijn mond en brandde zijn verhemelte en tong. Hij dronk een paar grote slokken van zijn bier. Nadat zij hun eten op hadden waren beide onderuitgezakt. ‘Hebben de heren genoeg gehad?’ vroeg de herbergier. Orgean zette de borden op elkaar, gaf deze aan en vroeg nog twee kroezen te vullen. Herbergier nam de borden aan en vulde de kroezen. Schuim kwam tot boven de rand uit. ‘Zo’, zei hij toen hij ze voor Thennas en Orgean had neergezet. Langzaam dronken de mannen hun kroezen leeg terwijl zij de bevolking in zich opnamen. De mensen waren hier gewoon, dat is te zeggen er was eigenlijk niets bijzonders aan de mensen. De smid en zijn knecht zaten aan de bar. Er was een plagende toon in zijn stem toen hij aan de herbergier uitlegde wat de jongen verkeerd gedaan had. ‘… weet je Turing, dat jong werkt al een jaar in de smederij en nog weet hij zijn klauwen te branden aan het aambeeld, terwijl hijzelf het ijzer erop gesmeed heeft!’ De smid schaterlachte, zijn knecht had het rood op zijn wangen staan. De vrouwen van een paar boeren waren bij elkaar gaan zitten en spraken over de kinderen en het herstel aan de kleding van de zoons. Aan de andere kant van de tafel waren de boeren in gesprek over het weer en hoe de natte grond de rest van de oogst zou beïnvloeden. Nadat de meeste van de mensen uit het dorp gegeten hadden en hun kroezen leeg, gingen zij terug naar huis. Een enkeling bleef nog. Het gezellige geroezemoes van eerst, verstilde wat.  

    ‘Mag ik vragen waar de reis naartoe gaat’ vroeg Turing. De herbergier stak zijn hand uit naar Orgean, ‘Turing’ zei hij en schudde ook de hand van Thennas. Toen zei zichzelf voorgesteld hadden nam Orgean het woord. ‘Wij zijn op weg naar Neamna aan de voet van de Leeuwenkopsberg.’ Turing keek de mannen verwonderd aan. ‘Dan hebben de heren nog een lange reis te gaan’ zei hij. De haren aan zijn slapen waren grijzend. Het vrolijke ronde gezicht vertrok en de lijnen rond zijn ogen werden dieper. ‘Door de eindeloze regen?’ voegde hij eraan toe. Orgean zag de kleine verschuiving in het gezicht van Turing. ‘Wat is de eindeloze regen?’ Thennas keek verbaasd. ‘Een legende!’ zei hij nors. De smid en de knecht waren opgestaan en groette Turing en verlieten de herberg. ‘Laat me nog iets voor jullie inschenken’ zei Turing. Hij vulde de kroezen en schonk een klein glas vol met een donkerbruine drank en zette deze op de tafel. Vóór Turing ging zitten legde hij nog een paar blokken hout in het vuur. Bij het licht van de lampen was er een gouden waas in het kleine glas van de herbergier zichtbaar. ‘Laat me je het vertellen’ zei hij terwijl hij ging zitten aan de tafel.

    Lees hier verder

    Ben zo terug – Bart

  • Verzoek II (Een beetje fantasie)

    Lees hier vanaf het begin, en hier het vorige deel.

    De warmte deed de lucht naar droge aarde ruiken. ‘Maar…’, probeerde ik Syn te ondervragen, ‘wat is er net gebeurd?’. Syn trok mij mee langs de terracotta muur, naar de voorkant van het huis. Aiōn was al naar voren gelopen ‘Aditi’, zijn stem klonk jeugdiger dan hiervoor. De zon brandde alsof het door mijn huid heen ging. Syn en ik volgde de stem van Aiōn. ‘Wat een eeuwigheid geleden!’. We bleven een klein stukje achter hem staan. ‘Kom binnen het is veel te warm’, zei de vrouw die voor Aiōn stond. ‘Waarom hier?’ vroeg Aiōn over zijn schouder terwijl hij de schaduw van het huis inliep. ‘Wie is dat?’ vroeg ik Syn zacht. ‘Aditi’, antwoorde Syn mij. ‘Ik kon niet zo snel iets anders bedenken, Aiōn’. Terwijl we het huis binnenstapte voegde zij er wat onzeker eraan toe: ‘Het is ver weg’. 

    Mijn ogen moesten even wennen aan de schemering waarin ik terecht was gekomen. Het was een groot vertrek met een verhoging waar Aditi op een grote stoel zat. Op de grond lagen kussens en er stonden twee lange, lage tafels. Nu mijn ogen gewend waren kon ik haar beter bekijken. Ze was mooi. Haar huid was brons alsof het gekust was door de zon, haar lange donkerbruine haren waren opgestoken en achter haar linkeroor zat een rode bloem. Ze zat statig, zonder dat zij een standbeeld leek. ‘Dat is inderdaad een tijd geleden’ zij ze toen wij op de kussens zaten. ‘Syn’, knikte Aditi. Er was iets kouds aan haar begroeting. Ze keek naar mij en knikte. Maar haar kijken bleef op mij hangen, zelfs na de knik. Alsof ik iets was wat zij nog niet eerder gezien had. ‘De jongen wil iets weten over de Witte Heiligen’ zei Aiōn zonder op haar vraag te wachten. Aditi knikte nogmaals naar mij, voor zij Aiōn opnieuw aankeek. ‘Je bent er zelf bij geweest’, zei ze. ‘Jij bent veel dichterbij geweest’, zei Aiōn. Ze sloeg haar ogen naar de grond alsof er schaamte in haar speelde. ‘Wat…?’ vroeg zij na een korte stilte. 

    Aiōn vertelde het verhaal van Helops en de kerk. Hoe hij zijn vader kwijt was geraakt en was meegenomen naar binnen. Van de raspende worden die zijn vader de dames had toegeblaft. ‘Het breken van het brood’, zei Aditi knikkend. Ze haalde diep adem, ‘misschien is het wel handig om iets te vertellen over hoe het zo is ontstaan’.  

    Ben zo terug – Bart

  • Verzoek I (Een beetje fantasie)

    Lees hier eerdere delen.

    Luid geklop galmde door de gang. Aiōn’s blik verschoof zich van mijn gezicht naar de keukendeur. ‘Ja,’ antwoorde ik zijn vraag. Aiōn siste mij tot stilte. Nog voor hij iets kon doen klikte de voordeur uit het slot, opende zich en een voet stapte over de drempel. Met twee grote stappen was Aiōn de keuken door. Het verbaasde mij opnieuw hoeveel jeugd er in deze oude man zat. Hij stak zijn hoofd om de hoek van de keukendeur. ‘Verdomme Syn! Had je niet iets kunnen zeggen!’ bulderde hij boos door de gang. ‘Ik kan naar binnen’ zei een heldere hoge vrouwenstem. ‘Jíj kan overal naar binnen. Bij Nix en Chaos, ik schrik van je!’ Aiōn’s stem veranderde van boosheid in verontrusting. ‘Wat zie jij er uit,’ voegde hij aan het ganggesprek toe en stapte achteruit de keuken in. ‘Ik moest wat dingen regelen,’ zei ze nonchalant. ‘Het liep niet helemaal zoals ik het gepland had’. Ze bleef op de drempel staan. Schommelde met haar voeten van voor naar achter als een kind dat niet stil kan blijven staan. Ze bekeek mij. Ik zat nog steeds verbaast, van alles wat er gebeurd was, omgedraaid in mijn stoel haar te bekijken. ‘Is dit hem?’ zij vroeg het met een toon van ongenoegen. ‘Gedraag je!’ zei Aiōn met een frons. Ze stak haar hand op: ‘Syn’ zei ze. Zij stapte de keuken in zonder te wachten op mijn antwoord. Ze pakte een glas, vulde het met water en leunde tegen de koelkast. 

    Terwijl ze naar Aiōn zijn rug keek zei ze ‘Tages was lastig’. Aiōn zat te bladeren in een van zijn boeken. Syn nam een slok, spoelde het water door haar mond en slikte het door. ‘Mijn naam is Cheiron,’ zei ik ongemakkelijk tegen haar. Met een plagerige blik keek ze naar mij. Een glimlach vormde zich om haar mond. ‘Heb je al een vriendje? Je bent zeventien toch? Nog geen leuke man gevonden?’ Mijn hart bonsde in mijn borst. ‘Ik…’ begon ik. ‘Uhm…’. Haar glimlach groeide met elk gestameld woord. ‘Nou…’ probeerde ik. Aiōn keek mij vanonder zijn wenkbrauwen aan. ‘Syn’ zei hij, het was een waarschuwing. Haar glimlach verdween van haar gezicht. Alsof de waarschuwing iets in haar gedachte opnieuw naar de voorgrond bracht, kwam er paniek in haar ogen. ‘Oh!’ zei ze serieus. Ze zette haar glas neer en terwijl ze naar de deur van de keuken liep zei ze ‘wij moeten hier weg!’ Aiōn was alweer verdiept in het boek. Met een klap trok Syn de keukendeur dicht. Weer werd er geklopt op de voordeur. Een zware mannenstem klonk door de hal “doe open!’ Gebeuk, het huis trilde, het hout van de deur kraakte. ‘Aiōn! Doe open!’ het hout splinterde, voetstappen zetten zich in de gang. ‘Sága,’ zei Aōn vanuit het niets. ‘Oké’ zei Syn en reageerde door haar wijs en middelvinger langs de deur te strijken. Inplaats van naar de gang, opende de deur naar buiten. Warme lucht stroomde de keuken in. Syn stapte naar buiten, Aiōn greep mijn arm en trok mij door de deur. Ik hoorde nog het bonken op de deur vanuit de keuken. Toen sloeg Syn de deur met een klap dicht. 

    De schaduw van het huis waar wij in stonden, hielp op geen enkele manier tegen de verzengende hitte van de plaats waar wij waren. ‘Waar… is dit?’ vroeg ik. ‘Niet geheel wat ik in gedachte had’ zei Aiōn tegen Syn. ‘Ik moest snel zijn,’ zei Syn. Ze liet haar armen langs haar zijde vallen. ‘Het is de achterdeur, maar wij zijn weg’ probeerde zij te vergoelijken. ‘Juist’ Aiōn stapte zonder verder iets te zeggen uit de schaduw om de hoek. ‘Dit is Lesbos’ ook Syn stapte uit de schaduw en verdween om de hoek. ‘Kom je nog?’ riep ze naar mij. ‘Maar…’ stamelde ik opnieuw ‘Hoe?’  Syn kwam terug om de hoek en trok mij aan mijn arm mee. 

    Ben zo terug – Bart 

  • Zoeken … IV (Een Beetje fantasie)

    lees hier de eerder delen terug

    Het bleef even stil. Het beeld van de jongen, met zijn vader onderweg naar huis, hing in de stille lucht. Aiōn draaide zijn duimen en begon; ‘Van wie kom jij?’ zijn stem voorzichtig, alsof hij bang was het beeld met te veel geluid versplinteren. ‘Cheiron zoon van…’
    ‘Helops’ zei hij, voor ik verder kon vertellen van mijn vader. ‘Juist…’, hij keek uit het raam waar een merel tussen de bladeren opzoek was naar wat eten. ‘Het begin van het begin’ fluisterde hij. Op de achtergrond klonk het geluid van de radio die Aiōn zachter had gezet. ‘Mag ik niet…’ Aiōn hield zijn hand naar mij op alsof hij wilde zeggen: wacht. ‘De Witte Heiligen’ zei hij zacht, alsof hij tegen zichzelf sprak. Langzaam draaide hij zijn hoofd terug en keek mij recht in het gezicht. ‘Weet u waarom ik hier ben meneer Cheiron?’ zuchtte hij zijn vraag. De warme middagzon scheen door het hoge raam over de met stapels boeken gevulde tafel. Het zwarte leer voelde warm tussen mijn vingers. ‘Ik probeer te begrijpen wat uw vraag is’, zei ik. ‘Ik ben hier om het verloop van de tijd te observeren. Ik ben er, maar ik weet niet alles wat er in die tijd gebeurd.’ Zijn stem klonk bedroeft. ‘Het is belangrijk dat je begrijpt wat ik doe. Ik observeer de tijd. Begrijp je dat?’.
    Ik knikte.

    ‘Dingen veranderen niet zo snel als het soms lijkt. De boeken die je zoekt om te begrijpen wat er gebeurt in het schrijven van je grootvader, zijn er misschien niet meer. Het is aan jou om op zoek te gaan naar de mensen die kunnen weten wat er precies gebeurd is’.
    Opeens herinnerde ik mij de begrafenis van Helops; ‘Kan Freyer het weten?’ vroeg ik Aiōn. Hij had zo oud geleken. ‘Freyer is niet iemand die zich bezighoudt met… ons’ was het woord dat hij koos. Een glimlach gleed over zijn lippen. ‘Wie heeft je dat gegeven?’ Aiōn wees naar mijn hals. Het medaillon dat ik op de begrafenis gekregen had van de oudere dame. Ik kon haar gezicht voor mij zien. ‘Ik weet haar naam niet’ zei ik terwijl ik het oog op de achterkant bestudeerde. ‘Hoe zag zij eruit’ vroeg Aiōn.

    Lees hier het volgende deel.

    Ben zo terug – Bart