We staken de straat over om aan het einde links af te slaan. Het was nog maar een paar honderd meter tot de voordeur. De twee figuren bleven achter ons aanlopen. Wij stopte voor de deur. Terwijl ze langs ons liepen hielden zij hun pas in. Zo vlug als ik kon, draaide ik de deur open. Wij stapte naar binnen in een gloed van warm licht, weg van de donkere straat. In mijn paniek had ik de deur met volle kracht dicht gesmeten. Bang, dat zij zich met gemak naar binnen zouden dringen. Ik ontspande mij en wij lachten beide ongemakkelijk terwijl ik Ander zijn arm los liet en wij ons naar de trap draaide.

‘Wat gebeurt er allemaal!’ klonk er van boven uit het trappenhuis. Ik herkende de stem van mijn onderbuurvrouw.
‘Niets aan de hand!’ stelde ik haar gerust bij het beklimmen van de eerste treden. Nu zag ik Ander pas goed. Er glom iets van rood door in zijn haar, dat naast die glans meer bruin was. Onze voetstappen klonken nauwelijks op de stenen treden die naar de eerste verdieping leidde. De vloer ging over in parket met een loper in het midden van de overloop. Daarna waren het houten treden die ons krakend naar de derde verdieping hielpen. Ander bleef naast mij lopen, met dezelfde houding, die hij had toen we elkaar in de club ontmoette.
‘Hier is mijn kamer,’ wees ik naar de deur. Ik stapte naar voren en opende de deur. Ander stond met zijn handen achter zijn rug te wachten.
Ben zo terug – Bart
