Tag: schrijver

  • Genesis van een eind III

    De lichten van de lantarenpalen waren aan gegaan toen hij zijn derde sigaret aanstak. De kleverige walm van teer en nicotine zette zich vast in zijn longen maar het maakte hem rustig. De rustige gitaarmuziek die hij had aangezet in plaats van de televisie speelde zacht op de achtergrond. Aan de linkerkant van de computer stond een glas rode wijn. Het was negen uur geworden en zonder dat hij er erg in had gehad sloeg de kerkklok tien slagen. Het vlotten van het verhaal was gestagneerd en de karakters wilde maar niet tot leven komen. Om te zien waar het schrijven vastliep had hij de twee pagina’s uitgeprint en zat ouderwets, als een docent, met een vulpen zijn eigen werk te verbeteren. Na de derde hijs kwam zijn pen tot stilstand om een idee in zijn brein omhoog te laten borrelen, wat zich al snel tot een plot vormde. Zijn verhaal had een stevigere basis nodig om hem…

    Nog voor Gerhart het gestommel bij zijn voordeur in zich op had genomen en zijn papieren met het verhaal kon opbergen klonk het kraken van de houten deur en met een smak klapte zijn voordeur tegen de wand. Zware voetstappen stampte zich door de gang, alsof de houten vloer straf kreeg. Twee mannen in camouflagekleding, met zwarte kisten die onafhankelijk van elkaar een ton leken te wegen, kwamen met getrokken geweren de kamer binnen stormen. Achter hen kwamen twee zwarte pakken binnen met mannen in hen.
    ‘Meneer Schultze?!’ zei een van de mannen in het zwart. Het klonk meer als een gebod dan een vraag. Gerhart keek verwilderd op van de la die hij in paniek open getrokken had. Hij knikte en liet zijn blik van de mans gezicht zakken naar zijn handen waarmee hij de papieren bijeen had geraapt; Met een blik van een kind dat betrapt was met zijn hand in de snoeppot.
    ‘Dat ben ik’ zei hij met een zekere uitdaging in zijn stem, waarmee hij wilde laten blijken dat hij niet onder de indruk was van het vertoon van dit gezag. De situatie waarin hij gevonden was maakte het nagenoeg onmogelijke voor Gerhart om niet verdacht te lijken.
    ‘Meneer Schultze u moet met ons mee komen.’ De twee mannen met de geweren stapte in zijn richting. De één pakte zijn papieren en legde ze op het bureau en de andere greep zijn arm. Zonder veel strijd volgde hij hen.

    Het politiebusje dat schuin op het trottoir voor zijn deur stond alsof het met grote urgentie was verlaten. “Hoe kun je nu vluchten als je niet weet dat er mensen aan komen om je mee te nemen?” dacht Gerhart bij zichzelf. Het was alsof er een grote crimineel was ontsnapt die een groot gevaar voor de gemeenschap vormde. Hij begreep niets van de hele situatie. Om te zorgen dat er zo min mogelijk problemen zouden ontstaat werkte hij zo goed mogelijk mee: stelde geen vragen, volgde de aanwijzingen zo goed en zo kwaad als het ging op.

    Lees hier verder.

    Ben zo terug – Bart

  • Genesis van een einde II

    Gerhart tikte de laatste letter van het woord en begon de paragraaf te lezen. Hij was een jonge journalist die wat naamsbekendheid had verworven met een stuk dat hij schreef over de verschuiving in het politieke landschap. Het stuk handelde over het sluiten van de NSB voor Joden door Mussert en werd niet door iedereen positief ontvangen. Het had hem een buitenstaander gemaakt. Ook schreef hij, met veel kritiek, over de opening van het concentratie kamp Neuengamme. De definitieve oplossing voor het jodenprobleem was een vraagstuk dat niet iedereen met open ogen wilde ontvangen maar het werd zeker in bepaalde kringen besproken. Door zijn kundigheid en volharding kreeg Gerhart het voor elkaar iets van deze gesprekken mee te krijgen en daar een snijdend stuk over te publiceren. Het was de eerste keer geweest dat hij zich bedreigt voelde binnen zijn baan. Na het laatste opiniestuk was hij er helemaal mee gestopt. De bevolking wilde niet haar ogen openen voor de misstanden van de regerende partijen en het werd steeds lastiger om nog vrij te schrijven voor een dagblad. Zó, was hij verhalen gaan schrijven. Al lezend streek hij met de vingers van zijn linkerhand langs zijn lippen. Bij de laatste zin zette hij zijn vingers weer op de toetsen.

    De computer was zijn grootste probleem. Het was in het jaar voor dit verhaal dat een jonge soldaat naar buiten was getreden met documenten die aantoonde dat de Veiligheidsdiensten niet alleen bezig waren met het registreren van de handelingen van verdachte personages; Dat iedere wereldburger die verbonden was met het web tot het meest clichématige detail werd opgenomen in de databank. Een bibliotheek van personen en niet zo één die je, zoals in ’33 de nazi’s dat deden, kunt verbranden. De onvrede van mensen was voelbaar in elk gesprek, praatprogramma’s draaide op volle toeren om te verenigen door een gezamenlijke vijand te vinden. Wat het er niet beter op maakte. Het nieuws was overgegaan in een parade van meningen en overtuigingen die op te splitsen waren in twee groepen die onoverkomelijk van mening waren dat de andere het verkeerd had. Vanachter zijn computer zette hij de televisie uit. Een onverwachte stilte zette zich vast in het appartement. Hij overzag de zee aan letters voor zich en begon te lezen.

    Gerhart zat alweer te schrijven toen de bel ging. Met zijn ene hand opende hij de lade van zijn bureau en met zijn andere griste hij het blad uit zijn typemachine legde het boven op de stapel die hij samen in de la propte. “Je wist maar nooit wie er aan de deur stond”. Hij liep de gang in en opende het luikje in de voordeur dat hij had laten plaatsen na de bedreigingen over zijn stukken in de krant. Er was niemand te zien. Voorzichtig opende hij de deur die nog vast zat met een haak en keek door de spleet die was ontstaan naar buiten. Niemand! Nog net voor hij de deur weer wilde sluiten zag hij een verfomfaaide witte enveloppe op de mat liggen. Hij pakte deze op bekeek het aandachtig en sloot de deur. De brief was ligt, niet meer dan een vel en er stond niets op om aan te geven wie de geadresseerde was. Gerhart opende de enveloppe en las de haastig gekrabbelde woorden. “Ik hoop dat u blijft schrijven er zijn mensen die uw stukken en uw journalistieke integriteit waarderen. Was getekend, Een liefhebber.” De zwarte inkt was wat gevlekt, waarschijnlijk door de hand die het zo haastig geschreven had. Geen naam, iemand die wist wat het betekende als je onder een brief je naam schreef, iedereen kan je dan terug vinden. Hij zette het kaartje tegen het raam bij zijn schrijftafel en haalde de papieren weer tevoorschijn, draaide het halfvolle blad weer er in en begon weer te schrijven.

    Vaak maakte hij zich druk om de manier waarop hij zijn meningen in de verhalen liet doorschijnen. Iedereen kon het nog terug vinden. Nu was hij nog vrij om dat op deze manier te doen, maar als dat ooit eens veranderde dan was het onmogelijk dat terug te draaien. Hij wreef zich over het gezicht schudde zijn handen en probeerde aan iets anders te denken.

    Het eerste deel kunt u hier lezen
    Lees hier verder.

    Ben zo terug – Bart

     

  • Genesis van een einde I

    3 mei 1939 de broeierige dag was aan zijn einde gekomen. De blauwwitte flitsen lichten de hemel zo nu en dan op. Het rommelde al een tijdje voor dat Gerhardt vanuit de ramen van het appartement de regen zag aankomen. De onrust die hij in zijn borst voelde manifesteerde zich als een spiegelbeeld in het lucht. Grote hoeveelheden druppels maakte dat het nagenoeg onmogelijk was om de overkant van de straat te zien. De donkere wolken kleurde het weinige licht, grijs met een zweem van groen. Gerhardt stond op om het vastgelopen lint van de Underwood typemachine los te peuteren tussen de letters en het papier vandaan. Hij had het gevoel dat het verhaal dat hij aan het schrijven was maar niet wilde vlotten. Na twee en een half uur was het halve papier gevuld met tekst, en toch stond er nog niets anders dan een beschrijving van de dag waarop zijn verhaal begon:

    De lome dinsdag waarop dit verhaal begint was bijna verstreken. De onrust binnen de gemeenschap waarin hij zich bevond belastte hem zwaar en het hield zijn inspiratie tegen om te schrijven. Begin mei, het was vroeg in de avond. De zon was nog niet op zijn sterkst maar de zware warmte maakte dat met iedere beweging zijn lichaam in zweet uitbarstte. Hij had zijn eten gegeten en achteloos de televisie aan gezet om geluid op de achtergrond te hebben. De zachte dames-stem van het nieuws had hem uit zijn concentratie gehaald. “Nieuws over de drie boten vol vluchtelingen die waarschijnlijk zijn omgekomen bij de vlucht uit Syrië. Er zijn wrakstukken aangespoeld aan de kust van Turkije en Griekenland.” De stem viel weg en een mannenstem nam het over in een reportage.

    Toen Gerhardt de letters en het lint weer uit de knoop had gekregen ging hij met een zucht zitten en las zijn laatst getypte zinnen hardop en veegde hij de inkt van zijn vingers aan een doek die hij altijd bij de hand had. De typemachine was van zijn grootvader geweest. Hij had zijn eerste teksten er op uitgewerkt en toen hij daadwerkelijk schrijven ging, had hij het cadeau gekregen. Nu was het een onderdeel van het schrijven en het maken van verhalen. het sociale klimaat was net zo broeierig als het weer, het schuurde en scheurde tussen de verschillende bevolkingsgroepen buiten op straat. Het was daarom dat hij, zonder enig resultaat, zich al een aantal dagen ophield in zijn schrijfkamer. Zijn blik bleef op de ruit hangen daar waar de grote druppels aan bleven kleven en zich een weg naar beneden baande. Toen bedacht hij zich…!

    De cursor knipperde op het blanke scherm. Hij had drie zinnen geschreven en drukte de backspacetoets in om alles weer te verwijderen. Deze handeling herhaalde zich een aantal keer. Maar steeds met een blanco scherm als einde tot een nieuw idee ontstond en de eerste zwarte letters zich weer vastzetten tegen het helle wit. Tot dat hij zijn openingszin had gevonden en zijn verhaal kon beginnen: 3 mei 1939 de broeierige dag was aan zijn einde gekomen. De blauwwitte flitsen lichten de hemel zo nu en dan op.

    Lees verder. 

    Ben zo terug -Bart

  • laatste dag

    De donkere klanken vlijde zich van boven uit de kerktoren over de huizen terwijl de eerste zonnestralen de grijze regenwolken paars, rood en oranje kleurden. Met elke wenteling van de trappers knarste het tandwiel van zijn fiets, wat tegen de wind in bijna niet meer te horen was. Aan de slapen waren de grijze haren onder zijn hoofddeksel zichtbaar, alleen op de kin en wang was zijn donkere baard lichter geworden. Zijn blauw grijze ogen leken jong naast de gerimpelde huid van het constante knijpen. Hij was koppig vooral als het ging om de aftakeling van zijn eigen lichaam. Zijn handen trokken aan het stuur terwijl hij met volle kracht zijn linker been naar beneden drukte om tegen de wind in te komen. Ondanks de kou waren er door de inspanning druppeltjes zweet op zijn voorhoofd ontstaan. Zijn jas werd strak om zijn lichaam geblazen door de onzichtbare muur die de onophoudelijke wind opwierp. Zoals hij tegen de wind streed zo vocht de wind tegen de wolken en de regen. Een onvermijdelijke strijd tussen de meesters van het luchtruim. De ketting strak gespannen door de druk die hij op de trappers uitoefende om maar vooruit te komen. Gekleed in donker blauwe overall die vol met lijm en verf vlekken zat was hij op weg naar zijn werkplaats. Door het smalle laantje waar hij elke dag van zijn werkzame leven langs fietste, dan langs de dijk waar de schapen hem met hun ogen volgde tot hij niet meer interessant was. Als kleine jonge ging hij met zijn opa langs de sloot kant zitten vissen. Toen hij ouder was werd opa ingeruild voor vriendjes die in de oude eendenkooi hutten bouwde en op lome zomerdagen langs dezelfde slootkant zaten te vissen en als het heel warm was kon je zwemmen op quarantaine. De oversteek van het lege landschap met de schapen en koeien naar de eerste huizen van het volgende dorpje. Door de glooiing van het landschap was er van het plaatsje nog niets te zien maar de lantarenpalen gaven aan dat het er aan stond te komen. De eerste motor van een auto klonk en een meeuw schreeuwde tegen de wind in en sloeg zich met wilde vleugelslagen naar voren. Nog voor de auto hem voorbij was viel een kleine sneeuw vlok op zijn zwarte werk-jas. Het ijs kristal was zes puntig met aan iedere spijl drie andere uitstulpingen die allemaal naar buiten gericht leken. Maar voor hij zijn blik weer terug kon brengen van de auto naar het sneeuwvlokje was het weggesmolten. Het grind van het pad naar de werkplaats knarste onder de banden van zijn fiets terwijl hij afstapte en een zwarte kat weg sloop tussen een kier in de schutting. Toen de tl lichten een paar keer knipperde, snoof hij de lucht van het onbehandelde hout op dat in grote krullen naast zijn werkbank lagen. Het was altijd dezelfde geur geweest, toen hij de eerste keer hier kwam was het zo, toen hij als jonge man hier kwam werken en nu het zijn werkplaats was. Eigenlijk was er nooit iets veranderd, op wat modernere apparatuur na dan. Maar alles was nog steeds handwerk, zoals dat al generaties lang was geweest. De kachel stookte hij op het afval hout wat hij overhield en was het eerste van het gehele ochtend ritueel dat hij afwerkte voor hij daadwerkelijk aan de slag ging. Eerst het licht en de kachel daarna de koffie die hij ’s morgens en ’s middags zette en het hout dat hij nodig had zoeken om zo aan het werk te kunnen. Hij ergerde zich aan de houtkrullen die op de grond lagen, de dag ervoor hij was zonder verder op te ruimen naar huis gegaan. De gewoonte doorbroken. Met een bezem veegde hij ze bij elkaar en gebruikte ze om het vuur mee aan te maken. De stapels hout die normaal altijd tegen de achterwand van de werkplaats lagen waren er niet meer. Met zijn kop koffie ging hij op zijn houten kruk voor het vuur zitten en nipte kleine slokjes. Hij hoefde hier niet meer te zijn, al zijn werk was voltooid en afgeleverd. Opgeheven door de tijd zoals een typemachine dat was. Nog één keer wilde hij de geur van het hout ruiken, nog een keer de machines aanraken en nog één keer met de buurman kletsen zoals dat gewoonte was geworden in de afgelopen jaren. Om daarna maar weer naar huis te gaan.

    Ben zo terug – Bart

  • Gesprek onderweg #4

     

    Lees hier de eerdere verhalen in deze serie

    ‘Waar wil je eerst naar toe?’ Thijs zat op het bed een route uit te stippelen, omringd door boekjes over Rome met op zijn schoot een kaart van de stad. Met opgetrokken wenkbrauwen keek hij op van de kaart. ‘We zijn het dichtst bij Musei Capitolini’. Terwijl hij één van de boekjes van het bed pak, het uitgevouwen papier op zijn been balanceert, begint hij te lezen: “De Musei Capitolini vormen een museum in Rome voor archeologie en kunst uit de Oudheid en de Renaissance, waarvan de collecties zijn ondergebracht in het Palazzo dei Conservatori en het Palazzo Nuovo op het Capitool en in de Centrale Montemartini…”
    ‘Dan gaan we daar eerst naartoe.’ zeg ik zonder er veel woorden aan vuil te maken.
    ‘We kunnen ook eerst naar de Sixtijnse Kapel gaan.’ zegt hij zijn gezicht onzeker. Ik loop naar het bed pak de rugtas en begin de spullen die we meenemen in te pakken.
    ‘We kunnen ook naar het Louvre gaan’ zeg ik een wenkbrauw optrekkend. ‘Zeg het maar, ik vind het allemaal goed. We hebben de hele dag en tijd genoeg om alles op ons gemak te bekijken.’ Ik pak zijn hand en het boekje waarin hij zit te lezen. ‘We weten waar we naar toe willen toch? Het komt wel goed. We beginnen bij Capitolini en kijken wel waar we eindigen.’ Met enige tegenzin vouwt hij de kaart dicht en neemt de rugtas van mijn schouder.
    Rustig slenteren we naar het eerste museum. De regen heeft de ergste warmte van de vorige dag weg gespoeld. De blauwe hemel wordt op gesierd door een paar witte wolken die een koele lichte wind uit de hemel probeert te blazen. Als wij bij de tweede straat de hoek omslaan pakt Thijs de kaart uit zijn broekzak en leest het naambordje dat ver boven de straat aan een huis geplakt is. Het fascineert mij dat het scheef hangt.
    ‘Ik dacht dat je de route wel uit je hoofd wist.’ zeg ik met een glimlach ‘je hebt de kaart al twintig keer bestudeerd.’ Zijn blik laat me weten dat het niet op prijs gesteld wordt als ik verder ga met pesten. Ik geef een duwtje tegen zijn schouder en knipoog, ‘het was maar een grapje.’ Er komt niet meer dan een ‘hmf’ als we verder lopen. We steken het plein over, wat toegang biedt aan de drie panden die het museum vormen. Een kleine rij is aan het ontstaan waar wij netjes bij aansluiten. ‘Blote mannen,’ zeg ik in mijn handen wrijvend. Een schichtige blik van links en een overduidelijk nee schudden. Alleen het allerkleinste begin van een glimlach spreekt zijn reactie tegen. Binnen is een andere wereld. Elk ruimte heeft een andere stijl en wij bewegen ons slenterend langs de sculpturen. Als een grote groep in tegen gestelde richting onze zaal binnen loopt, houden we ons op tussen de beelden in het midden van de hal. In snel Italiaans wordt er door een gids verteld over wat er te zien is in deze ruimte. ‘Zo te zien hebben ze haast’ zeg ik terwijl ik Thijs zijn ogen opzoek. Ik herken iets aan de stem van de gids. Wanneer hij door de groep heen komt en probeert de groep op sleeptouw te nemen weet ik waarom ik de stem herken. Ik kijk Thijs aan om hem het duidelijk te maken, maar hij tikt mij op hetzelfde moment aan. “De trein!” denk ik… wat was ook alweer zijn naam? Voor één van ons twee ook maar iets kan zeggen herkent de man ons.
    ‘Ah!’ zegt hij, en wijst de groep naar het volgende vertrek. ‘Jullie hebben een zaal vol met mannelijk schoon gevonden.’ Een glimlach breekt door op zijn gezicht dat met een zekere ernst had verteld over de kunst in de ruimte. ‘Genieten jullie van je tijd hier?’ Zijn Italiaanse accent klinkt sterker als in de wagon. Net als in de trein neemt Thijs het voortouw in het gesprek.
    ‘Ja we hebben gister eigenlijk niet heel veel meer gezien, we hebben wat rond gelopen.’ Ik knik instemmend en glimlach vriendelijk. ‘De warmte is wel even wennen.’ Thijs kijkt naar mij.
    ‘Ik ben het volledig met hem eens.’ Het klinkt veel afstandelijker dan ik bedoel.
    ‘Luister, ik wil niet vervelend zijn maar er is vandaag een grote groep kinderen van een school uit de buurt.’ Opeens herinner ik me zijn naam weer, Thomas! Zijn blik wordt sober. ‘En met de kinderen, zijn er een groep ouders en leraren mee die er nogal ouderwetse ideeën op na houden.’ Ik kijk Thijs aan en zucht als ik mijn hoofd wegdraai van Thomas om mijn uitdrukking niet te laten zien. Thijs bedankt vriendelijk met een glimlach voor de waarschuwing. Als Thomas uit de ruimte verdwenen is zeg ik,
    ‘een glimlach? Hoe kun je nu glimlachen als iemand je dat zegt?’ Als een verontwaardigt zesjarig kind, frons ik mijn voorhoofd. Thijs lacht ‘we zijn hier voor onszelf. Het was een … een. Hij probeerde alleen maar te zeggen dat er mensen zijn die een reactie kunnen geven. Alsof we dat nog nooit hebben mee gemaakt?!’ Zoals je een kusje op een ‘au’ geeft bij een zesjarige, krijg ik een kusje op mijn voorhoofd. ‘Blote mannen’ fluistert Thijs in mijn oor voor we verder gaan. Lachend loop ik achter hem aan.

    Ben zo terug – Bart

  • Wandelaar

    De eerste krakende stappen in de witte wereld. Ontmaagding van de sneeuw. Ze had zo lang door de dorren bladeren gelopen dat ze ervan overtuigd was dat de winter overgeslagen zou worden. Als klein kind wilde ze altijd al vroeg uit bed, zodat de wereld om haar heen nog niet tot leven was gekomen. De stilte van een landschap zonder mensen. Zonder de geluiden van het leven. Alleen de wind, het ruizen van de bladeren een opschrikkende vogel die met zijn vleugels slaat. Alleen vers gevallen of vallende sneeuw kon de wereld stiller maken. Dof, als een wollen deken die over geluid heen is gevallen, de wereld iets van zijn hardheid liet verliezen. Ze liep door de nog donkere straten het kleine dorpje uit. De takken van de singel, die in het wit leek te eindigen, kreunend onder de zware witte lading. Op haar zwartte wollen jas vielen de laatste kleine vlokken. Even bleven ze liggen om vervolgens te smelten en een piepkleine waterdruppel achter te laten. Een bevroren ster, zo klein dat ze de mouw van haar jas naar zich toe moest bewegen om het te kunnen zien. Haar adem rilde van de kou en liet een grote wolk uit haar mond ontsnappen. Tussen de bomen waren struiken die zorgde voor een kleine schuilplaats waar een hoog sjilpend vogeltje uit vandaan geschoten kwam. Ze trok haar kraag op en liep de witte weg verder af. Toe ze nog maar net zichtbaar was stak een grote haas over om zich aan de overkant weer te verschuilen tussen de struiken.

    Ben zo terug – Bart

  • Stukjes onzin

    Lichaam

    Als mijn tweede voet de regen verlaat en zich bij zijn gelijken voegt, het droge portiek in, zoeken mijn ogen als waren zij één, vertroebeld door bespatte brillenglazen, het bellenbord af. Mijn wijsvinger strekt zich zonder twijfel tot mijn hoofd zich probeert te herinneren welke bel de juiste was. Beweegt mijn vinger zich langs de verschillende bellen tot mijn hoofd zich weer herinnerd.

     

    Gesprekje

    – Ik wil je kennen.
    – Wat wil je weten?
    – Hoe kan ik dat weten als ik je niet ken?

     

    Bij binnen komst

    Ik ben verlegen als ik binnen kom, ben enkel nog bezig met mijzelf zo onzichtbaar mogelijk te maken. Op te gaan in de groep mensen, niet meer het individu zijn. Een waar is Wally figuur.

     

    Visite

    ‘… Weet je wie er dood is? Ouwe Siemen. Ja zomaar opeens. Nee dat is de andere broer. Hij had drie broers toch. Je weet wel hij woonde naast Alie. Hoe heet zij ook alweer Witteman?’
    ‘Witteveen.‘
    ‘Witteveen inderdaad. Toen woonde zij nog aan de Hoge Elft. Zij is later naar ’t Zand verhuist. Weet je nog wel. Haar man is toen voor de trein gesprongen.’

     

    Verbroken stilte 

    In diep gesprek met haar telefoon stapt ze binnen, zonder pardon perst zij zich in de enige lege plaats in de stilte coupé.

     

    Gedachten verstoord

    Groot en breed en Zweeds en… een rand van Björn Borg ondergoed boven de rand van zijn broek.

     

    En dan?

    Het licht dat de lantarenpaal neer laat vallen verdrinkt, nog voor het de grond kan raken, in de schreeuwende reclame. Letters in neon, lopende led verlichting en dan…?

     

    Op gevoel zoekend naar licht

    Langzaam sloot hij de deur achter zich. Te snel. In de nacht, die met het dicht gaan van de deur ontstond, voelde hij rond de deurpost op zoek naar licht.

     

    Ben zo terug – Bart

  • Vaste gasten

    ‘Goede morgen meneer’ zei de portier terwijl hij de deur van het hotel opende. ‘Weer aan het werk vandaag?’ Het hoofd iets voorover gebogen, de kraag van zijn jas iets opgezet tegen de motregen. Met een glimlach keek de man op naar de portier die een paar treden hoger bij de deur stond.
    ‘Dank u’ zei hij nog voor hij antwoord gaf op de vraag. ‘Ja, we gaan eens kijken wat er vandaag weer gaat gebeuren.’ Even bleef hij in de hal staan en vroeg de portier nog voor hij de deur sloot, ‘Ben je er de hele dag?’
    ‘Ik ben tot twaalf uur vanavond aan het werk.’
    ‘Dan zie ik je straks weer als ik klaar ben voor vandaag.’ Met een knik van zijn hoofd draaide hij zich om en verdween uit het zicht. Wat is het toch een aardige man, dacht hij bij zichzelf. De man was schrijver en werkte in het hotel zodat hij geen afleidingen had. Zolang hij hier werkte kwam de man hier al.

    De ochtend was rustig, het druiligere weer had de meeste mensen binnen gehouden. Cornelis was al vijf jaar bode. Hij was de eerste die de gasten begroette, hielp mensen uit de auto en opende de deur voor hen. Er was maar weinig aandacht voor de mensen die binnen het hotel werkte, vooral mensen zoals hij. Er werd van hem verwacht dat zijn houding nooit veranderde en zijn voorkomen ten alle tijden volmaakt was. De winters waren het moeilijkst. In één van de koudste winters had hij al vanaf ’s morgens vroeg bij de deuren gestaan. Het was midden december en de sneeuw kwam met grote vlokken naar beneden vallen. Om zichzelf warm te houden hadden de portiers met elkaar een systeem afgesproken. Om beurten hadden zij even de mogelijkheid om in de kleine ruimte tussen de buiten deuren en de deuren naar de hal, te blijven staan.

    De vrouw van zijn baas was een dame die er altijd verzorgt uitzag. Onder het personeel werd wel eens gegrapt dat zij van “de zittende cavalerie” was. Ze werkte nooit, zat aan de bar in het hotel mooi te zijn. Het was een dame die, door haar wat vergane glorie, leek te zijn blijven hangen in de dertig jaren. Haar rode lippen, avond jurk en frisuur waren altijd verzorgt. Hoewel zij niets in het hotel deed, was zij er elke avond om de gasten te vermaken. De glorie die het hotel eens gekend had was allang vergaan. En toch bleef de eigenaar op de zelfde manier zijn beleid voeren.

    Eens per maand kwam er een grote zwarte limousine voor de deur rijden waar een kort, rond pedant mannetje uit kwam stappen. Hij heette Hector, maar iedereen noemde hem Tor. Tor was een zakenman die voor zijn overspeligheid in het hotel verbleef. Aan de bar kon je hem altijd luid horen praten. Over de hoeveelheid geld dat hij deze maand weer had verdiend, met welke belangrijke mensen hij zaken had gedaan. In zijn jaren als portier had Cornelis hem steeds ronder en grijzer zien worden. Zijn grote snor, die zijn hazenlip moest verbergen, was van gitzwart naar wit verkleurd en de sigaren die hij rookte leken met elk bezoek wel groter te worden. Hoewel bijna iedereen die in het hotel werkte een hekel aan Tor leek te hebben was er niemand die één woord over Tor repte als hij aanwezig was. Zijn fooien waren aanzienlijk en iedereen liet Tor voor wat hij was, ondanks zijn constante denigrerende opmerken tegen de werknemers.

    De vrouw van de baas was ingenomen met Tor en bleef zo veel mogelijk bij hem in zijn buurt. Eén keer had Tor zijn vrouw meegenomen naar het hotel. Haar naam was Sylvia. Een statige vrouw die alleen maar met Tor was getrouwd voor zijn geld en het leven dat daar bij hoorde. Simon Vaarsch was ook één van die vaste mensen die regelmatig in het hotel kwam. Hij omringde zich met jonge mannen die, als de rest van het gezelschap aan de bar zich volgoot met champagne en cocktails, op een zo slinks mogelijke manier mee naar zijn kamer probeerde te nemen. Zijn kleding was uitbundig en koste een vermogen, omdat deze speciaal voor hem gemaakt werd met stoffen uit allerlei exotische landen. En de schrijver, de man die elke dag als hij aan een roman werkte, een kamer voor een maand huurde zodat hij onverstoord kon werken.

    De schrijver was, net voordat Cornelis pauze had voor zijn avond eten, altijd rond half 6 klaar. Hij wachtte altijd op zijn komst vanuit het hotel. En met een kleine blik naar binnen zag hij dat het lichtje, wat aangaf waar de lift zich bevond, omhoog bewoog en uiteindelijk, stopte bij de zesde verdieping. Zijn blik bewoog zich weer terug naar de straat om te zien of er misschien gasten waren die aankwamen. Niets de straat was nog steeds leeg. Hij kon zich nog goed herinneren hoe het eerste gesprek met de schrijver was gegaan:

    Hij hoorde achter zich het geluid van de lift als deze aankwam op de begane grond. Toen hij door de ruit van de deur naar binnen keek zag hij de liftdeur openen en de schrijver naar buiten stappen. Nog voor deze de deur aan kon raken trok Cornelis de deur met een wijds gebaar open om de schrijver er door te laten.
    ‘Heeft u goed geschreven vandaag?’ vroeg hij de schrijver terwijl deze door de deur naar buiten stapte en hem een sigaret aan bood die hij vriendelijk weigerde.
    ‘ Ja’ zei hij toen hij zijn sigaret had aangestoken. ‘ ja, het is een productieve dag geweest.’ En inhaleerde diep , blies uit en knikte nogmaals bevestigend. Tevreden.
    ‘Hoeveel hoofdstukken heeft u geschreven’ vroeg hij optimistisch. De schrijver keek hem verwonderd aan.
    ‘Hoofdstukken?’ vroeg hij met opgetrokken wenkbrauwen.
    ‘Ow nou ja, bladzijden dan’ Het was meer een vraag die door zijn onzekerheid was ontstaan. De verwondering in de schrijvers blik was nog steeds aanwezig. ‘Bladzijden?’ en hij bleef Cornelis aan kijken.
    ‘Woorden?’ probeerde Cornelis voorzichtig. Hij zag het gezicht van de schrijver veranderen in een amusante glimlach.
    ‘Mijn beste man. Nee, de woorden had ik gister al. Vandaag heb ik ze op de juiste plaats gezet.’ Een beetje beschaamt was hij achter gebleven. Het was een ongemakkelijke gesprek.

    ‘Goeden avond’ zei Cornelis ‘Bent u klaar voor vandaag?’ Terwijl hij de deur opende voor de schrijver.
    De schrijver knikte ‘Jazeker, dit was het voor vanavond. Ik heb weer tijd nodig om mijn gedachte te vullen.’ Hij lachte. ‘Nog steeds geen sigaret, neem ik aan?’
    ‘Nee dank u’ Cornelis veegde langs zijn oog die door een sterke windvlaag traande. ‘Is het schrijven goed gegaan?’ vroeg hij de schrijver die een eerste haal van zijn sigaret nam. Deze schudde zijn hoofd en keek naar de marmeren stenen treden van de trap naar de straat.
    ‘Het is wel eens vlotter gegaan met het schrijven, maar als ik doorschrijf moet het goed komen.’ Hij blies zijn rook uit en begon de treden af te dalen toen hij zei ‘Ik wens je een fijne avond en eet smakelijk. Wij zien elkaar morgen, tot ziens’ Cornelis stak zijn hand op en zag de schrijver langzaam in de donkere straat verdwijnen.

    Ben zo terug – Bart

  • Regeltjes, regeltjes.

    ‘Dit is wat de regels zijn.’ Een bebrilde mevrouw kijk hem aan na het uitspreken van deze toch zo normaal lijkende zin.
    ‘de regels?’ de wenkbrauwen opgetrokken tot een boog. Zijn naam, Frans. Leraar maatschappijleer, begin 40, zijn bos zwarte krullen met hier en daar een grijze haar doen hem ouder lijken.
    ‘Ja, dat zijn de regels’ zegt de mevrouw achter de balie, bijna met een toon van excuses in haar stem. Het valt haar zelf ook op en omdat te compenseren voegt ze er bits aan toe ‘ik doe ook alleen maar wat mij gezegd word!’ Dat was nou juist de verkeerde toevoeging.
    ‘In ieder maatschappij zijn er mensen die onnodig werk doen simpelweg omdat hen dat word opgedragen. Denkt u dat de wetenschappers die bij het bedrijf Bayer in de tweede wereldoorlog de nagels van joodse mensen uit hun handen en voeten trokken dat deden omdat zij dachten dat de wetenschap daar iets mee opschoot?’ De mevrouw probeert iets van een antwoord. ‘Hier is misschien wel een betere vraag’ snijd zijn vervolg door de mevrouw haar stamelend begin van de zin heen ‘als u alleen maar doet wat u gezegd word lijkt het mij dat u, Eén)of weet wat daarvan de bedoeling is, of twee) dat het u echt geen reet kan schelen wat de bedoeling is zolang u maar uw geld krijgt. Laat ik er van uitgaan dat u onder de categorie mensen valt van de eerste categorie, u weet wat hiervan de bedoeling is. Hier is nog een gok, de bedoeling van dit hele infantiele pasjes systeem is om er voor te zorgen dat er geen Columbine achtige situaties kunnen ontstaan, niet dat dit het verzekerd omdat als er wel iemand met die ideeën deze school binnen stapt u de eerste bent die omver geschoten word. Iemand met een geweer kan uw hele pasjes-systeem werkelijk gestolen worden.
    ‘Genoeg!’ zegt de vrouw, de zwarte bril maakt haar gezicht streng, dictatoriaal bijna of beter nog een karikatuur. Niet een “de vrouw van” vrouw, maar haar man die het label “de man van” mag dragen. Een diepe zucht die door haar neus gaten de papieren op haar bureau laat bewegen ‘U kunt zich zonder pas niet aanmelden en mag dus ook niet naar binnen.’
    ‘Heeft u niet gehoord dat ik al binnen ben geweest? Mijn pasje ligt op mijn bureau. Ik ben dus al ingelogd.’ Frans draait zich om met de woorden ‘geeft u wel eens iemand anders gelijk?’ pakt zijn mobiel en belt naar zijn collega boven. Als hij zich weer omdraait in afwachting van zijn collega zegt hij tegen de vrouw ‘ik had gehoopt dat we dit in een discussie konden oplossen.’
    ‘Ja’ zegt de mevrouw achter de balie. ‘Ik weet het, ik ken u.’

    Ben zo terug – Bart

  • Een dagboek fragment

    19 september 1965

    Mijn beste vriend,

    Het is een poos geleden dat ik geschreven heb. Ik heb meerdere malen gepoogd mijn gedachten te vangen, om je hier van deel te kunnen laten maken. Echter is mij dit niet gelukt. Mijn vermoeden is dat dit onlosmakelijk is verbonden met de wereld waarin ik mij bevind. Die mijn brein bedwelmd. Het zijn de geuren van de stad. De zondigende bevolking, die zich verzamelt in deze buurt. De geur van schraal bier, van wiet, goedkope reukwateren. Geworpen schaduwen in rode lichten. Rijkelijk vloeit de alcohol, het bezoedeld de weldenkendheid en laat hen stappen in de val. Het zijn deze mensen die bedwelmd en onder invloed zijn. De constante geluiden. Ze zijn gebonden aan deze plaats, vast gelopen in de vrijheid die hen hier gevangen houdt. De esthetiek van de duivelse verleiding.

    Zoals dát de ene kant van de medaille beschrijft, is het aan de andere kant waar mijn wereld prijkt. Hoewel ik niet gevangen ben zoals zij, voel ik mij gevangen op een andere manier. Alles wat ik hier beschreven heb, houdt mij in zijn greep. Het fascineert mij. Hoe kan een mens blijven bestaan zonder dat zij aanwezig is. Wat bezield deze mensen, of juist niet? Ik schrijf het bestaan. De hoogmoed, een vervloekte kus. Gisternacht werd er voor mijn deur gevochten en vanmorgen lag er iemand voor mijn deur te slapen. Alles werkt op mij als een zich steeds verstikkender dwangbuis, die mij zowel onpasselijk maakt als wel intrigeert, waardoor ik zelf ook gevangen ben in deze wereld. En met de zondigen, die ik beschrijf, reis. Het is een project dat zich volledig meester van mij heeft gemaakt en er voor zorgt dat ik één met hen ben. Laat ik mij een kroniekschrijver van de zondigen noemen. Het bestaan lijkt mij alleen bestemt om te gebruiken voor mijn kunsten. Het beschrijven van een zó kleine wereld die mij de ruimte geeft voor grootse beelden.

    Het enige dat mij beangstigt is dat mijn zijn, zich zo diep in deze wereld heeft vast gezet dat het voor mij onmogelijk wordt nog afstand van deze wereld te nemen. Dat ik verslingerd ben geraakt aan het opiaat dat zo vast zit aan dat bestaan. Het is daarom dat ik steeds meer verlang naar de rust, ruimte, de mogelijkheid om mijzelf af te zonderen. Alleen te zijn met mijn gedachte. De geluiden van de natuur op te zoeken en mijzelf met deze te laten vullen. Om er voor te ervaren dat ik nog compleet ben. Geen deel van mijzelf verloren is gegaan. Het is daarom dat ik zo verlang naar het leven zoals dat buiten de dichtbevolkte stadsdelen zich afspeelt. Het is het soort verlangen dat mij haastig maakt mijn werk, waar ik nu mee bezig, ben zo spoedig mogelijk tot een einde te brengen. Opdat ik mijzelf aan dit verlangen kan geven.

    Ben zo terug – Bart