Tag: Ontmoeting

  • Leven in een kistje VII (De eerste keer 2)

    Leven in een kistje VII (De eerste keer 2)


    Wij stonden naast de drukte. Een spot scheen op de grond voor de alkoof waar wij ons in bevonden. Het voelde alsof wij daar niet bij het gedruis van de mensen hoorde. Het geluid was zachter waardoor we zonder toekijkers en toehoorders met elkaar konden praten. Ik speelde hier piano ter begeleiding van de artiesten op het toneel. Zo kon ik wat bijverdienen. Dát was hoe het kwam, dat ik mij hier in eerste instantie kon begeven. Niet dat het een club was met een hoog aanzien. Meer een nachtclub die nog wat naweeën van de opstandige antifascisten vertoonden. Zolang er publiek was, werd er gespeeld!

    En terwijl wij daar zo in het halfduister verhuld stonden, kwamen er een groepje uniformen binnen, omringd door de gebruikelijke aanhangers. Even stopte de piano en het gezang en startte snel weer op met een ander lied. Toepasselijker voor de nieuwe toehoorders. Niet dat deze luisterde. Ze namen plaats aan een paar van de tafeltjes die eerder bezet werden door de gebruikelijke clientèle. Die bij binnen komst van de groep zich uit de voeten maakte. Niet uit ontzag, maar uit angst die hoorde bij een gewelddadige onderdrukker. Die elk moment van liefhebbende, naar geweldenaar kan omslaan zonder enige voorbode. De sfeer werd bedrukt door het overdreven luide spreken en de onberekenbaarheid van de groep. De drie mannen in uniform, hadden iets over zich dat voelde alsof zij elke verdorvenheid, verbastering en alles wat verboden was in je konden ontwaren.

    Eén van de uniformen knipte in zijn vingers om de aandacht te trekken van het personeel. De heren diende aan hun tafel te worden bediend. Terughoudend werd een bestelling opgenomen. Alles veranderde. Niet alleen de sfeer, de muziek klonk blikkeriger, het licht werd heller en de ruimte verviel in een soort kille stilte. Onzeker over welke houding aan te nemen, ging het geruis over in gefluisterde gesprekjes. De aanhangers lachte extra hard alsof het een wedstrijd was. Het geheel had iets homo-erotisch. De verering van de uniformen, bijna aanbiddelijk. Als kwijlende jonge honden die ruiken dat hun baasje iets lekkers bij zich had. Het dedain ten opzichte van de andere mensen was voelbaar voor iedereen.


    Even kleefde wij tegen de verste muur van de alkoof. De spanning van hun aanwezigheid maakte iedereen ongemakkelijk. Ons ritme verstoord, wij herpakte ons gesprek. Hij gaf mij een hand. ‘Ander,’ zei hij met een ongemakkelijke glimlach. 
    ‘David,’ stelde ik mij aan hem voor. 
    ‘Eigenlijk Erik…’ even viel zijn stem stil ‘maar ik ben geen Erik.’ zei hij resoluut.  ‘Ik werk als technisch tekenaar voor een architect.’ Zijn ogen opende zich wijder, terwijl hij voor zich uit keek. Wenkbrauwen opgetrokken van verbazing. Ander draaide zich van het licht weg. ‘Dat is de zoon van mijn baas!’ Hij wees naar een van de tafeltjes met de uniformen. ‘Ik werk met hem! Hij kan mij hier niet zien’ siste hij. Iets wilds in zijn ogen.    


    Ben zo terug – Bart

  • Leven in een kistje VI (De eerste keer 1)

    Leven in een kistje VI (De eerste keer 1)

    10 januari 2000

    De eerste vertaalde tekst is terug gekomen. de eerste is uit de agenda en kwam via de mail van een Amená, floor bleef niet lang achter met de eerste tekst uit de leren bundel.

    Beste Josi

    Bij deze de vertaling van de eerste bladzijde van de Agenda uit 1934. De eerste twee dagen zijn vertaald uit het Deens. Telkens heb ik voor de tekst aangegeven uit welke taal deze vertaald is….

    Vriendelijke groeten Amená

    December 1933


    30 zaterdag 

    (Deens) De mooiste jongen ter wereld gezien. Als een spion van een afstand gadegeslagen. Te bang om hem aan te spreken.


    31 Zondag 

    (Deens) Oogcontact gemaakt. Als een schooljongen staan blozen. Later gesproken. Zijn naam is David. Thuis gebracht aan het einde van de avond. Onveilig op straat. 


    Beste Josi,

    Bij deze de vertaling van de eerste bladzijde uit de leren bundel. De tekst is oorspronkelijk geschreven in het Nederlands…

    Groeten Floor

    De eerste keer

    Berlijn 1 januari 1934

    (Nederlands) De statische lucht hing verstild te wachten op een ontladingspunt. Dat waren zo af en toe schermutselingen, uitgedaagd door hen die daarop liepen. Maar het kwam nooit tot een volledige ontlading. Alsof het juiste moment nog niet was aangebroken. Het was al gewoonte geworden om de politie uit de weg te gaan en nog meer de onzuivere figuren. Je kon ze herkennen, vooral de geüniformeerde; iets te trots op het uniform dat altijd en overal gedragen moest worden. En de geheime politie die vooral niet zó geheim was. Alleen wat er achter gesloten deuren gebeurde was geheim. Maar niet de afranselingen, die waren openbaar. Vooral van tegenstanders. Om hen die andere ideeën, hadden af te schrikken. 

    Onder die omstandigheden bevond ik mij op een feest ter viering van het einde van het oude en het begin van het nieuwe jaar, in nabijheid van een vriendelijke jonge man. Ik had hem de afgelopen dagen al een aantal keer gezien én zien kijken. Hij was groter en breder maar niet grof. Zijn stem was zwaarder dan die van mij en toch had deze iets lichts.  

    ‘Mag ik je iets te drinken aanbieden?’ had hij gevraagd met alle zekerheid die hij op kon brengen. Ik had zijn aanbod aangenomen. Het was een donker etablissement, dat was doortrokken van de sigaretten die er geconsumeerd werden. Er werd gelachen, gedronken en gezongen in afwachting van het nieuwe jaar. 

    Toen hij terugkwam overhandigde hij mij een glas cider en nam na het klinken van onze glazen onhandig een slok. Waardoor de schuimkraag van zijn bier in zijn snor bleef hangen. Hij veegde het snel weg en ik deed alsof ik het niet gezien had. Ik kon een glimlach niet helemaal onderdrukken. 

    ‘Lach je mij nu uit?!’ met glinsterende pretogen. Net of hij vergeten was hoe serieus hij nog geen tel terug naast mij had gestaan, als een soort bediende. Ik knikte bevestigend, terwijl ik mijn lach liet doorbreken. …

    Ben zo terug – Bart

  • Verzoek II (Een beetje fantasie)

    Lees hier vanaf het begin, en hier het vorige deel.

    De warmte deed de lucht naar droge aarde ruiken. ‘Maar…’, probeerde ik Syn te ondervragen, ‘wat is er net gebeurd?’. Syn trok mij mee langs de terracotta muur, naar de voorkant van het huis. Aiōn was al naar voren gelopen ‘Aditi’, zijn stem klonk jeugdiger dan hiervoor. De zon brandde alsof het door mijn huid heen ging. Syn en ik volgde de stem van Aiōn. ‘Wat een eeuwigheid geleden!’. We bleven een klein stukje achter hem staan. ‘Kom binnen het is veel te warm’, zei de vrouw die voor Aiōn stond. ‘Waarom hier?’ vroeg Aiōn over zijn schouder terwijl hij de schaduw van het huis inliep. ‘Wie is dat?’ vroeg ik Syn zacht. ‘Aditi’, antwoorde Syn mij. ‘Ik kon niet zo snel iets anders bedenken, Aiōn’. Terwijl we het huis binnenstapte voegde zij er wat onzeker eraan toe: ‘Het is ver weg’. 

    Mijn ogen moesten even wennen aan de schemering waarin ik terecht was gekomen. Het was een groot vertrek met een verhoging waar Aditi op een grote stoel zat. Op de grond lagen kussens en er stonden twee lange, lage tafels. Nu mijn ogen gewend waren kon ik haar beter bekijken. Ze was mooi. Haar huid was brons alsof het gekust was door de zon, haar lange donkerbruine haren waren opgestoken en achter haar linkeroor zat een rode bloem. Ze zat statig, zonder dat zij een standbeeld leek. ‘Dat is inderdaad een tijd geleden’ zij ze toen wij op de kussens zaten. ‘Syn’, knikte Aditi. Er was iets kouds aan haar begroeting. Ze keek naar mij en knikte. Maar haar kijken bleef op mij hangen, zelfs na de knik. Alsof ik iets was wat zij nog niet eerder gezien had. ‘De jongen wil iets weten over de Witte Heiligen’ zei Aiōn zonder op haar vraag te wachten. Aditi knikte nogmaals naar mij, voor zij Aiōn opnieuw aankeek. ‘Je bent er zelf bij geweest’, zei ze. ‘Jij bent veel dichterbij geweest’, zei Aiōn. Ze sloeg haar ogen naar de grond alsof er schaamte in haar speelde. ‘Wat…?’ vroeg zij na een korte stilte. 

    Aiōn vertelde het verhaal van Helops en de kerk. Hoe hij zijn vader kwijt was geraakt en was meegenomen naar binnen. Van de raspende worden die zijn vader de dames had toegeblaft. ‘Het breken van het brood’, zei Aditi knikkend. Ze haalde diep adem, ‘misschien is het wel handig om iets te vertellen over hoe het zo is ontstaan’.  

    Ben zo terug – Bart

  • Ontmoeting I

    ‘Jij kan hier niet zijn!’ het klonk alsof de jongeman hem kende. ‘Hoe bedoel je, jij kan hier niet zijn?’ vroeg Damian. Hij bekeek de man voorzichtig, hij was lang, tegen de twee meter. Zijn lichaam gespierd, maar slank. Het sluike zwarte haar was doorvlochten met groen, alsof moedernatuur zichzelf bezig had gehouden met het in toom houden. Zijn kleding leek gemaakt van geweven gras en had verschillende kleuren. Zijn huid had een lichtbruine waas en zijn ogen waren helder. Op dit moment keek hij wat verdwaast. Zijn hand leunde nonchalant op zijn zwaard.

    ‘Barraskr,’ siste hij. ‘Het is gevaarlijk, je moet hier weg!’  Pas toen hij dichterbij gekomen was zag Damian hoe helder zijn ogen waren. De één mosgroen en de ander azuurblauw. Beiden leken gouden vlokken in zich te dragen. Hij drukte Damian de donkere schaduw van de bomen in. De felle ogen, met de donkere zwarte wenkbrauwen, keken hem dreigend aan: ‘Je kan hier niet zijn!’ Hij keek om zich heen alsof hij iemand verwachtte.  Pas nu Damien in de schaduw stond, voelde hij hoeveel koeler het was dan in de zon. 

    Ben zo terug – Bart

  • Zoeken……. I (Een beetje fantasie)

    Schuifelend tussen de stapels boeken zocht hij naar het verhaal van Aeneas van Vergilius. ‘Wie was ook alweer de vader van Odysseus?’. Tijdens het zoeken bleef de man steeds die vraag herhalen. Zijn haren waren grijs, zijn handen bibberig en zijn voeten onvast. De donkerrood, fluwelen kamerjas hing los om zijn schouders. Aiōn of Aeon of nog duidelijker… Eon. Zijn naam betekende letterlijk tijd. ‘…de vader van Odysseus?’ klakkend met zijn tong keek hij de kamer rond. Op de piano in de voorkamer onderaan, Vergilius. Met zijn hand drukte Aiōn de boeken tegen de muur en trok met zijn andere hand het boek onderuit de stapel. Toen hij langs de tv liep zette hij het ding aan en drukte nog een paar maal op de volumeknop. Hij luisterde nooit naar de tv, het was om zijn gehoor af te sluiten. Schuifelend begaf hij zich naar de keuken. Naast de deur, naar de gang, stond een stereo. Ook hiervan stond het geluid nagenoeg vol aan.

    Aiōn zat graag in zijn keuken. Niemand kon hem aan de achterkant van het huis zien. De houten tafel kon zes gasten aan, maar was nu vooral bedoeld als bureau. Toen hij ging zitten aan het enige vrije stukje tafel kwam er een soort genoegzame glimlach over hem. Hij sloeg het boek open en begon te lezen. Opeens kwam de halve zin weer uit zijn mond.
    ‘…de vader van Odysseus? Wie was de vader van Odysseus?’ Aiōn bladerde door het boek voorbij de aantekeningen, naar het register en begon te lezen: “Aarde, Moeder aarde; moeder van Fama, godin van het gerucht en zuster van de Nacht (VII 286)”.

    Maria Callas galmde door de gang en liet de houten voordeur en zijn beslag trillen. Uit de voorkamer klonk een tv die met hetzelfde volume geluid produceerde. Het huis was oud, vervallen. In de donkere gang naar de voordeur stonden stapels kranten en lege flessen wijn. De voortuin was dusdanig overgroeid dat het vanaf de weg onmogelijk was om te zien of het huis nog bewoond werd. Cheiron keek nogmaals op het stukje papier dat hij bij zich had. Dit moest het zijn.  Hij trok aan de bel en wachtte.
    ‘Laertes, natuurlijk!’ Aiōn’s stem kwam boven al het geluid uit en was buiten duidelijke te horen.

    Lees hier verder.

    Ben zo terug – Bart

  • De man op de foto

    ‘Amerika… New York’, begon zij. ‘Ja, toen ik later nog eens terug kwam in de stad, was hij verdwenen, niet Peter maar de stad.’ Peter was dat zijn naam? Ik had nog nooit van hem gehoord. In het verhaal van mijn oma was er geen naam, hij was “de man”, nooit een naam. ‘De stad die ik zo goed kende was volledig verdwenen. Niets deed mij meer herinneren aan de periode die ik daar had door gebracht. De eens zo majestueuze gebouwen en dansgelegenheden waren vervallen en de sfeer, de sfeer die wij toen maakten met elkaar. De adem die liet zien dat je met weinig, een heel eind kan komen. Hoewel de werkeloosheid hoogtij vierde werd er gedanst gezongen en het leven gevierd.’ Ik kon mijzelf niet bedwingen en stelde meteen nog een vraag. ‘Peter, was dat zijn naam?’ Haar hand roerde nogmaals met het lepeltje door haar kopje, zij tikte het twee keer tegen de rand en legde het op het schoteltje. Voorzichtig bracht zij het kopje naar haar mond en nam een slokje. ‘Ja…’ zei ze met het kopje nog in haar hand, ‘Peter, Peter Wellis.’ Haar stem verstomde langzaam en liet een leegte achter, die niet gevuld zou worden.

    Peter Wellis, ik liet de naam een aantal keer door mijn brein gaan. Het klonk bekent maar ik kon het niet grijpen. Als iets dat je zeker weet, maar ergens diep in een lade in je achterhoofd zoek is geraakt. Op de foto was een jonge man afgebeeld, de glans van zijn golvend haar dat achterover gekamd was verraadde iets van olie of Brylcreem. De hoge bandplooibroek en blouse, waren iets te ruim en de achteloze sigaret tussen zijn vingers, zorgt voor sierlijke rookkringels. Alles aan zijn uiterlijk schreeuwde lief, aandoenlijk bijna, alsof de foto geheel geplant is. Van de kleding en de halve sigaret tot zijn lachende gezicht. In zijn andere hand heeft hij een hoed, waarschijnlijk geënsceneerd, er is niets dat er op wijst dat hij deze ook daadwerkelijk gedragen heeft.

    ‘Ik had hem al zien binnen komen’ haar stem haalt mij uit mijn gedacht ‘hij was zo iemand die zichzelf onderdeel van de menigte kon maken. Maar ik had hem wel gezien.’ Haar ogen verraden een kinderlijke blijheid, alsof deze hun vader terug zien. ‘Hij was met een groep vrienden die duidelijk meer op hun gemak waren dan hij.’ Haar blik richtte zich naar de deur alsof hij elk moment binnen kon stappen.

     

    Ben zo terug – Bart

  • Ontmoeting

    Honderdtachtig jaar oud is hij. Niets aan zijn gezicht verraad die leeftijd of dat, wat hij moet hebben gezien. Het is stil. De glinstering in zijn ogen verraad zijn honger naar kennis van de wereld, zijn nieuwsgierigheid. Hij is aan de andere kant van de grote zaal. Hij is aanwezig, in het moment en even alert als toen hij twintig was. Het haar is wild een bos ongetemde krullen die glanzen in het licht. Als ik dichter bij kom is zijn staren intens. Hij beziet, maar velt geen oordeel.
    Portret circa 1917, schilder onbekend” vermeld het zwarte bordje naast hem.

    Ben zo terug – Bart

  • Onzekere Ontmoeting #1

    Het huisje dat ik gehuurd had stond aan de rand van het park. Een kleine heg scheidde het park van de weilanden. Ik was alleen. Het was mijn bedoeling om te schrijven. Ik had mijzelf geïnstalleerd aan het raam, waar ik met pen en papier klaar zat om mijn gedachten bloot te geven aan de pagina. De bureaustoel kraakte telkens als ik ging verzitten, de houten balken van het dak zette uit door de warmte van de zon en na een halfuur werd het zó warm in het huisje dat ik besloot dat ik net zo goed buiten kon gaan zitten om daar mijn schrijven op te pakken. Toen ik eindelijk mijn pen op het papier zette en de eerste twee woorden van de eerste zin had geschreven, kraakte de scharnieren van het poortje dat toegang gaf tot het grindpad dat over het hele park liep. Een jongeman keek mij vanachter zijn donkerbruine krullen aan.
    ‘Ik ben hier geboren’ zei ik zacht ‘en jij?’ De jongen had ik niet eerder gezien, niet dat ik hier nog zoveel kwam als in mijn jeugd, ik was tenslotte gekaapt door eentje van de vaste wal. Maar als je van een eiland komt, ken je de meeste wel. ‘Nee ik kom hier niet vandaan’ Ik glimlachte. ‘Vandaar’. De houten tafel die ik naar buiten had gesleept vanuit het kleine huisje lag vol papieren en een enkele foto die ik had mee genomen ter inspiratie. Ongemakkelijk keek ik naar de tafel, waar te beginnen met de uitleg. ‘Ik schrijf,’ was het enige dat uit mijn mond kwam. ‘Althans, dat was de bedoeling…’

    Enkel lege stoelen, de verlaten bank en de open gordijnen. Buiten schemerde het en de eerste sterren waren al goed zichtbaar toen ze in beweging kwam. ‘Het is tijd’ mompelde ze tegen de lege kamer. Het glas in de deur rinkelde terwijl ze de deur opende en de treden kreunde bij haar gang naar de slaapkamer. Ze poetste in de badkamer afwezig haar tanden en stapte uit haar kleren zonder ze in de wasmand te doen. Haar man was een paar dagen op reis voor zijn werk, iets wat ze gewend was. Maar het huis was leger dan normaal. Haar hand gleed even langs zijn kussen alsof ze hem langs zijn gezicht streelde. Ze sloot haar ogen in afwachting van de slaap. De eerste twee weken dat ze alleen was had ze veel gedroomd, ondertussen wist ze wat haar te wachten stond. Met een zucht opende ze haar ogen en ging op de rand van het bed zitten. Ze pakte de telefoon van haar nachtkastje en drukte een nummer in. De kerkklok sloeg half, “half wat” ze greep naar het lichtknopje van haar bedlampje en zocht haar horloge ‘half vier’. Nog voor de telefoon voor de tweede keer over kon gaan drukte ze deze uit en legde hem weg. Ze bleef op de rand van het bed zitten. Pakte nogmaals de telefoon en drukte het nummer in en wachtte op de eerste toon van de overgaande telefoon. Haar adem schokte van het harde geluid. De toon stopte en begon weer. Na de vierde keer ging deze over naar de voicemail. De krakende opname van zijn stem maakte haar steeds onrustiger. “Wat als er iets met hem gebeurd was?” dacht ze bij zichzelf. Ze keek nogmaals op haar horloge. ‘Het is half vier wat verwacht je nu zelf’, sprak ze zichzelf streng toe. Haar handen klapten de telefoon dicht, knipte het licht uit en met een zucht ging ze op haar rug liggen. Haar ogen wijd geopend in de donkere kamer.

     

     

  • 50 woorden #1

    Zijn donkerbruine ogen bezien mijn persoon. Zijn leren jas hangt open en laat een logo zien, waarschijnlijk van een band of iets dergelijks. Als zijn ogen klaar zijn met de lichaamsscan, kijkt hij nonchalant naar mij, iets van een glimlach rond zijn mond. Ik adem in en vraag;
    ‘Goed gekeurd?’

    Ben zo terug – Bart

  • Tussen Berlijn en Hippolytushoef

     

    Toen ik de huiskamer inliep maakt de telefoon mij alert op een binnenkomend bericht. Op het scherm alleen een naam, David (Duitsland). Zijn volgende zet in onze schaakpartij, dacht ik. Een spel tussen twee huizen en landen. Mijn gedachten gleden oncontroleerbaar af naar de zomervakantie waarin ik hem leerde kennen. Mijn moeder had mij meegenomen naar Berlijn waar zij een echtpaar kende die haar hadden uit genodigd om een paar weken bij hen te blijven. Mijn eerste vakantie als onhandige tiener die zijn vader en oudere broer had verloren bij een ongeluk. Gevuld met onzekerheid en gevoelens die mij, maar meer nog de mensen om mij heen, ongemakkelijk maakte. Verlegen stelde ik mij voor aan de mensen in de huiskamer waar wij werden binnengelaten. Het echtpaar verwelkomde ons met alle liefde die in hun huis aanwezig was. Hoewel David niet in de woonkamer was bleek uit alles dat er nog iemand bij het gezin hoorde. De moeder nam mij mee naar een gesloten deur van waarachter luide muziek hoorbaar was.
    ‘Dit is David!’ schreeuwde ze over de muziek, terwijl ze zonder kloppen naar binnen liep. In het Duits sprak ze bits een paar woorden tegen haar zoon en draaide de volumeknop van de stereo omlaag. ‘Jullie moeten zijn kamer delen ben ik bang.’ Zonder verder nog iets te zeggen liep ze de kamer uit. Een breedgeschouderde, blondharige jonge met staalgrijze ogen hing over zijn bed gedrapeerd.
    ‘Gooi je koffer maar op de grond.’ zonder mij aan te kijken wees hij naar een hoek van zijn kamer.
    ‘Mijn naam is Marc.’ zei ik onzeker. Zijn ogen schoten van de platenhoes in zijn handen naar mijn rood aanlopende gezicht.

    De zomer had elk stukje van de stad verwarmt, zodat wij ’s avonds vaak naar Tiergarten gingen om te zwemen en de schaduw van de bomen op te zoeken. Zijn groep vrienden waren steevast aanwezig en ik was de jongen die op sleeptouw werd genomen. Die laatste avond waren wij met een grote groep en speelde een spel waarbij er uitdagingen waren.
    ‘Waar zijn de toiletten David?’
    ‘Zeik maar tussen de bomen.’ zei hij zijn wenkbrauwen optrekkend. Ik hoorde de stemmen van de groep fluisteren en lachen terwijl ik weg liep. Tussen de bomen vandaan komend stond hij vlak voor mij. Hij pakte mijn hoofd vast en plantte zijn lippen op die van mij terwijl hij zijn tong naar binnen drukte. Alle warmte in de stad werd in mijn lichaam opgenomen en specifiek naar mijn hoofd geleid. Hij trok zijn gezicht weg bij het mijne en nog voor ik iets kon doen greep hij mij in mijn kruis. Met een smerige glimlach fluisterde hij ‘Jij bent er zo één, hè?’ Hij legde zijn arm over mijn schouder en zei ‘ik wist het al meteen.’

    Ik opende het bericht en las de letters en cijfers. Terwijl ik zijn schaakstuk op het bord verplaatste kreeg ik een tweede bericht, bestaande uit één enkel woord. “Schaakmat!”

    Ben zo terug -Bart