Tag: herinneringen

  • Helops (een beetje fantasie)

    Helops, was zijn naam. Zo groot als een reus en sterk als een paard, tenminste dat is mijn herinnering. Dat, terwijl hij zo oud was als de wereld, ook in mijn gedachten. Hij was mijn opa die de hele wereld had gezien en de wildste verhalen vertelde over wat hij allemaal had mee gemaakt. ‘Grootspraak’, zei mijn vader altijd als hij weer eens verdwaald was in één van de vele zijwegen waaruit zijn verhalen waren opgebouwd. ‘Helops! Je maakt de jongen bang!’ had hij een keer gezegd. Ik schudde van niet en met zijn enorme hand wreef hij over mijn zwarte krullen. Als Helops bij ons in huis was werd er gelachen, gegeten, gedronken en het aller belangrijkste… er werden verhalen verteld. Het was altijd hetzelfde op die laatste keer na.
    ‘Er zijn zaken die spelen’, begon hij met diep raspende stem ‘Belangrijke zaken die al decennia lang op de achtergrond verscholen zijn’.  Hij rook naar pijptabak en hout, het leer van zijn tas en het zoete kruidendrankje dat hij vaak dronk. Ik had hem nog nooit zo serieus gezien. Normaal speelde er een glans van pret in zijn ogen. Even zat hij in complete stilte. Alsof de woorden die hij ging zeggen nog moesten komen. ‘Het word tijd dat jij begint met de lessen die ik als kleine jongen heb gekregen van mijn grootvader. Nu heb je de tijd om te zoeken, zoals ik dat ook heb geleerd.’ Hij zuchtte diep en voor hij verder sprak pakte hij zijn pijp uit zijn borstzak. Stopte hem en zoog de vlam van de lucifer de pijp in. Er ontsnapte een wolk rook die de kamer vulde. ‘Je mag er met niemand over spreken’, begon hij. ‘Er komt nog meer maar dit is het eerste wat ik je ga geven.’ Van de grond pakte hij de zadeltas die hij altijd bij zich droeg. Uit de diepte haalde hij een boek tevoorschijn. Het boek was in zwartleer gebonden. De gouden letters waren er afgesleten en het leer dat van buiten zwart leek was in werkelijkheid donkerbruin geweest. De naam was nog zichtbaar Lucretius. Hij sloeg het boek open en in krullende letters stond te lezen “De Rerum Natura Libri Sex”, daaronder de auteur “Titus Lucretius Carus”. Bij het omslaan knisperde het papier dat zo dun was als rijstpapier.
    ‘Het lijkt wel een bijbel’, zei ik zonder er bij na te denken.
    Helops glimlachte en liet het boek tussen zijn handen dichtvallen. ‘Nog één’, zei hij en sloeg het open bij het schudblad. Op het blad lag een klavertje vier. Hij tikte met zijn vinger op het blad. ‘Wees niet bang om het kwijt te raken er zijn altijd nieuwe in de buurt’. Ik keek hem aan; ‘wat betekend dat?’ Weer glimlachte hij: ‘Ik weet de woorden, maar ik ken niet de betekenis ervan. Mijn grootvader zei hetzelfde tegen mij.’ Hij staarde door het raam naar buiten. ‘Misschien is het deze keer belangrijker… het jong is vele malen jonger dan ik was’, mompelde hij tegen zichzelf.

    Deel 2

    Ben zo terug – Bart

  • Verhalenfabriek. II – Dronken avond

    ‘Ik ben bang om los te laten, te ontspannen. Het beangstigt mij omdat ik niet weet wat dat veroorzaakt.’ Het was een lange avond die omrand werd door rode wijn. ‘Ken je dat gevoel aan het einde van de zondag, dat je had als kind? Het bewust zijn van het tijdstekort?’ Ik volgde zijn gedachtegang niet, begreep niet wat hij wilde zeggen, wat zijn beschrijving was. ‘Misschien niet’ zei hij. Er klonk treurigheid door zijn stem. Een treurigheid die altijd aanwezig is. Bij elke beslissing draaide het uiteindelijk zijn lelijke kop. Niet dat hij dat zelf zo zag. ‘Van iedere ervaring leer je iets’ zei hij vaak als ik hem weer eens met medelijden aan keek omdat hij zijn baan verloren had of iets dergelijks.

    Ik ken hem al mijn hele leven. Als peuters begonnen wij onze school. Er is altijd een spanningsveld dat in zijn lichaam zit. Het enige dat ik niet meer weet is of dat toen ook al zo was. Of dat het met de tijd zichtbaarder is geworden. Hij bewoog zich door zijn leven als een blok.

    Hij dronk zijn glas in stilte leeg. ‘Wat gebeurd er als je los laat?’ vroeg ik hem. Zijn wenkbrauwen fronste. ‘Een moeras heeft soms plaatsen waar je kan staan zonder dat je wegzakt’ het klonk als een vraag. ‘Waar de rest je langzaam opslokt, je zo voorzichtig mogelijk laat verdrinken. Ik weet mijn weg aan de rand van het moeras. Het gewone zand. Maar als ik even niet oplet sta ik midden in het moeras. Is het moeilijk te zien waar ik veilig ben. Het lijkt onmogelijk mijzelf uit die situatie te trekken. Dus probeer ik op te letten’. Ik moet hem totaal verloren hebben aangekeken. ‘Ook niet’ zei hij resoluut.

    Voor sommige mensen wil je graag dat het allemaal lukt. Hij is zo iemand. Terwijl je dat graag wilt, lijkt het wel; hoe meer ik het hem gun des te minder alles lukt. In diezelfde mislukking komt er een gelatenheid over hem heen. Alsof het een bewijst is dat het voor hem was weg gelegd.

    ‘Ik denk graag na, ben introvert en mensen nemen een heleboel energie van mij.’ Die losse flodder bleef tussen ons in hangen. ‘Wijn?’ vroeg ik hem. Hij knikte. Ik liep om de bank naar de keuken. ‘Er zijn veel redenen om kwaad te zijn, maar het voelt als verspilde energie. Ik pas mij aan.’ Welke redenen? vroeg ik nog voor ik de keuken uit kwam. ‘Gewoon… dingen. Vergeet maar wat ik heb gezegd’. Ik plofte naast hem op de bank en keek hem vragend aan. ‘Soms laat je dingen gebeuren die je totaal uit je doen brengen’. ‘Zoals wat?’ ‘Je vroeg net toch wat er gebeurd als ik los zou laten?’ Ik knikte om hem verder niet te onderbreken. ‘Los laten, los laten, los laten!’ Hij fluisterde het tegen zichzelf, een zoekende blik door de kamer. Hij pakte zijn glas en met een diepe zucht zakte hij tegen het kussen van de bank. Hij sloot zijn ogen en nam een slok. Even speelde er een glimlach over zijn gezicht. ‘Oké, doe je ogen dicht en beeld je in dat je in een kroeg staat’. Ik sloot mijn ogen en toverde uit mijn gedachte een beeld. ‘Je bent daar met een paar vrienden, verder ken je daar niemand, je vrienden komen daar regelmatig en kennen sommige van hen. Hebben we dat beeld?’ Ja, bevestig ik. ‘Een lachende jongeman komt op je af. Wacht, je moet je even voorstellen als een jongen van een jaar of achttien.’ Ik knik. ‘Eén van de jonge mannen komt lachend op jou af en dan gebeurd er dit.’ Ik voel hem naast mij verschuiven. Opeens grijpt zijn hand in mijn kruis. Ik open mijn ogen in shock. Lachend zegt hij: ‘Dit wil je toch graag?’ Even snel als zijn hand greep, is hij weer weg. ‘Zijn vrienden lachen. De onwetendheid van een ander. Dat doet mij niets. Het feit dat de mensen die je vrienden zijn, mee lachen… En dus ben je in elke situatie bezig een andere rol te spelen. Altijd in onderhandeling met je omgeving. Dat moet ontspanning zijn… sorry maar dat is het niet’. Hij staat op en loop richting de deur. ‘WC’ zegt hij kort. Nog wat beduusd, blijf ik alleen achter op de bank.

    Ben zo terug – Bart

    Lees deel 3 hier

  • Verwachting

    Het moet een uur of tien zijn geweest toen ik mijn lange jas aandeed de sjaal om mijn hals hing en de hoed op zette om samen met Thé richting het ziekenhuis te gaan. Door de koude lucht leek mijn warme adem, als grote stoomwolken uit een locomotief, door mijn neus naar buiten te komen. De afspraak was met een vrouwenarts. We waren al een poos bezig om na onze huwelijkse gelofte een gezin te stichten, zonder enig resultaat.
    Een kennis had ons gewezen op een arts die mensen, waarbij het verwekken van een kind maar niet wilde lukken, op weg hielp. Thé zat al in de auto, toen ik naast haar plaats nam zei ze met een zachte stem,
    ‘ik hoop dat het goed komt’. Haar donkerblonde krullen schitterde in de nog laag hangende zon. De zenuwen waren van haar gezicht af te lezen.
    ‘Ik denk niet dat wij ons zorgen hoeven te maken’, probeerde ik haar te overtuigen terwijl de zorgen die ik zelf had wegschoof. Het was een uur rijden, we spraken tijdens de rit naar het ziekenhuis nauwelijks. Haar handen omklemde de hengsels van haar handtas alsof het de laatste zekerheid was die ze nog had. De lederen handschoenen tegen de kou lagen op haar schoot, onder haar tas en de bruine wollen jas die zij half had open geknoopt. De heldere vrieskou gaf een eerste gevoel van de lente. Alles was door de dauw wit gekleurd en de wegen waren, op een enkele auto na, verlaten. Zeker een minuut of twintig voor dat we aankwamen doemde het ziekenhuis boven de leegte van de met wit bedekte velden. Het gebouw was log, groots en onvriendelijk, hier zaten de artsen die mensen hielpen, de slimmeriken die mensen genazen, de knappe koppen die elke ziekte onderzochten en probeerde een medicijn te maken die het tegen zou gaan. Toen ik omkeek om te zien waar Thé bleef, zag ik haar verloren naast de auto staan. Een seconde, een diepe ademteug en ze zette een voorzichtige stap in mijn richting.
    ‘Gaat het?’ ik vroeg het zo nonchalant mogelijk.
    ‘Ja ik…’, haar stem dwaalde weg en ze keek me met een lach aan. ‘Ik moest even… ik ben klaar’ Niet heel overtuigend maar ik liet het er bij. De wachtkamer bleek stil. Niemand had blijkbaar het zelfde probleem als wij. De stem van de arts klonk en noemde onze naam. Zijn kantoor was een ode aan zijn studentenjaren, de diploma’s aan de want gaven blijk van zijn autoriteit. Verder was alles licht en groot, grote ramen, grote kasten met boeken en een groot bureau. Hij had de eerste keer gezegd; dat er waarschijnlijk niets aan de hand was. De afspraak die was gemaakt om de resultaten van de tests te bespreken was een vier tal weken na de eerste afspraak. En nu zaten wij hier. In het zelfde kantoor, met dezelfde arts, maar niet met dezelfde hautaine houding die hij bij de eerste afspraak had. Er was een soort vermoeidheid die ik niet volledig kon plaatsen. Hij keek eerst mij even aan voor hij zijn blik naar mijn vrouw keerde en toen naar de papieren voor zich op zijn bureau.

    Ben zo terug – Bart

  • Speelgoed

    Het is het speelgoed uit mijn jeugd dat opeens weer tevoorschijn kwam. Kleinkinderen. Zonder dat ik het door had was mijn brein terug gegaan naar mijn kinderjaren. De gele teddybeer was altijd bij mij. Hij was mijn vriend, de enige die ik nodig had. Het stukgelezen Jip en Janneke-boek dat op de tafel lag. De interesse in woorden. Opeens zat ik weer voor het raam van mijn slaapkamer, het grote boek op schoot, beer in mijn arm te kijken naar de zeeën van woorden die ik niet begreep. Het leek een onoplosbare puzzel. Alleen de paar letters die ik kende.

    Ben zo terug – Bart

  • Eiland

    De zilte geur van het wad had mij doen terug denken aan mijn jeugd. Waarschijnlijk was het de combinatie van de lucht en de plaats. Het helmgras schuurde scherp langs mijn benen en haalde mij uit mijn gedachte.  Ik liep verder. Het pad naar niets werd steeds meer een uitgesleten paadje door het gras en uiteindelijk niet meer zichtbaar tussen de sprieten. Al lopend, richting de noordkaap veranderde het landschap van grasland naar duinen. Uiteindelijk kwam ik op een enorme zandvlakte die in de verte overging in het wad. De heldere felle zon zorgde voor luchtspiegelingen boven het hete zand.

    Ben zo terug – Bart

  • Stoel

    ‘Niet daar!’ zijn stem klonk hard. De zwarte stoel was leeg. Al jaren had er niemand in gezeten. Het was een obsessie voor hem geworden. ‘Het spijt mij. Ik probeerde u niet…’, de jonge man was niet instaat zijn verontschuldiging af te maken. ‘Ga daar maar zitten’ een tengere grauwe hand wees naar de andere kant van de kamer. ‘Juist’, zei de jongeman en ging op de aangewezen stoel zitten. Hij sloeg het geheel gade vanaf een prettige afstand. De lege stoel fascineerde hem. “Wat was het verhaal van de stoel? Wie had er gezeten? Wie mag er nu zitten?”

    Ben zo terug – Bart

  • Droom realiteit

    ‘Sluit de deur!’ klonk het vanuit de donkere ruimte. Alles aan hem was hoekig en scherp. Zijn dreunende basstem en zijn logge lichaam, zijn zwaar aangezette zwarte wenkbrauwen en zijn kolenscheppen van handen. De puntige wandelstok, die hij gebruikte om door zijn overvolle kamer te komen op weg naar het watercloset, beangstigde mij. Het leek op een mes dat de loper in de gang met kleine prikken probeerde te vermoorden. Hij was de enige die de badkamer en het closet mocht gebruiken, het was tegen over zijn kamer. Verder dan daar kwam hij niet, de kleine wereld van een negentigjarige. Ik zag hem haast nooit. Eén keer had ik hem met mijn moeder horen spreken. ‘Kinderen zijn lui en hebben geen respect’. De gang waar zijn kamer aan grensde, leek donkerder dan de rest van het huis. Heel soms kon ik hem door zijn kamer horen lopen. Het was nog zeldzamer om geluid uit zijn kamer te horen komen. Zo ver ik mij kon herinneren was het maar een handvol keren gebeurd dat ik muziek had gehoord. Een klassiek pianostuk was het enige wat ik me kon herinneren. Eén van de lichtste soorten. De toetsen nauwelijks aangeraakt, daardoor des te pijnlijker.

    ’s Nachts droomde ik van de man die ons huis onder een permanente deken van stilte legde. Ik wilde niet graag alleen in het huis zijn met de oude man. Toch gebeurde dat zo af en toe als mijn beide ouders waren uitgenodigd voor een feest. Ik bleef wakker tot ik de stemmen van mijn vader en moeder, onderaan de trap te horen waren. Toen ik jonger was lag in dat wakker blijven de uitdaging. Vaak was de slaap sterker. Ik droomde van de grote man, die stil zijn ronde door het huis maakte als niemand hem zag.

    Zijn donkere basstem klonk naast mijn oor, haast onhoorbaar. Onderaan de trap bij de voordeur klonk gestommel. Voor ik uit mijn bed kon stappen bracht hij zijn wijsvinger naar zijn getuite lippen en gebaarde mij mee te komen. In volledige stilte klom ik uit mijn bed. ‘Kom’ zei hij zacht ‘mijn kamer’. We slopen samen van de wenteltrap naar de eerste verdieping. Het gestommel beneden had zich naar de keuken verplaatst. Over de overloop richting de gang waar zijn kamer zich bevond. De voetstappen werden duidelijker. Een stem fluisterde: ‘Doe voorzichtig als je naar boven loopt’.

    De geur van rotte eieren klom voor de binnen sluipers uit. Voorzichtig sloot hij de deur. Ik had niet gedacht dat hij zo stil kon zijn met zo’n log lichaam. Ik probeerde een betere omschrijving te bedenken voor de geur die ik boven aan de trap had geroken. Zwavel of gas.

    Zijn kamer was gevuld met een goudkleurig licht, de blokken hout in de openhaard smeulde nog en gaven een oranjerode gloed. De kamer was gevuld met spullen. Twee grote werkbanken die zich door de gehele ruimte uitstrekte. Glazen flessen, vijzel en branders, oliën en potjes met poeders. De wanden waren bekleed met grote boekenkasten. Het rook er naar pepermunt en lavendel en leer. De twee kaarsen die brandde leken twee keer zoveel licht af te geven dan een normale kaars. Hij liet de kaars bij de deur aan, terwijl wij verder het vertrek in liepen. Zo ver mogelijk bij de deur vandaan. De kaars het dichtste bij ons doofde hij tussen zijn duim en wijsvinger.

    Tussen zijn vingers glom iets dat op zwart glas leek. ‘Dit is geen scheikunde’ siste hij tussen op elkaar geklemde kaken. Hij blies richting de deur en duwde mij achter zich. Er leek niets te gebeuren. Toen de deurkruk zich langzaam naar beneden bewoog liet hij het zwarte, glimmende glas vallen en trapte het met zijn hak kapot.

    De duisternis die door het felle kaarslicht verdreven was kwam terug in de kamer en door zijn zucht braken de zwarte wolken uiteen en verdeelde zich. Het zwart leek zwaarder; het licht van de kaars kon er nu maar moeilijk doorheen schijnen. ‘U bent niet welkom hier’ zijn zware stem was nog een octaaf gezakt en deed alles in de ruimte trillen. Vanachter zijn brede armen zag ik een lange slanke hand om de deur heen krullen. Een statig kort mannetje met een wandelstok kwam door de deur. Hij glimlachte. Zijn stem was hoog en ijzig. De zware geur kwam de kamer in rollen en sloeg met een slag de adem uit mijn longen. Een groene glinstering steeg langs de wanden omhoog. ‘Het is niet hier’ zei zijn zware stem, ‘er valt niets te vinden. Doorzoek alles maar’. Achter het kleine mannetje was een lijzige grijze figuur binnen gekomen. Zijn huid leek van was en licht doorzichtig. Weer blies hij. Deze keer harder. De deur die de lijzige figuur had vast gehouden sloeg uit zijn handen. ‘Ik heb liever dat u nu gaat!’ zijn toon was lichter en dwingender. Hij liet een oranje balletje vallen en trapte deze kapot. Nog voor hij iets kon doen klonk er een zware knal en viel er van alles over mij heen.

    ‘Ga maar lekker slapen’ zei zijn stem ‘morgen is het weer over’. Zijn hand streek over mijn hoofd, ‘het was maar een droom’.

    Ik voelde zijn warme hand langs mijn voorhoofd strijken toen ik mijn ogen weer wilde openen. ‘Opa’ zei ik toen ik de kracht had terug gevonden. ‘Lieverd sta je op, het ontbijt staat klaar’ mijn moeders ogen keken recht in die van mij. ‘Als je zin hebt kunnen we vanmiddag wel een wandeling maken door het bos. Misschien wil opa ook wel mee’. Het was de eerste keer dat ik mij herinnerde dat we samen iets gingen doen met opa…

     

    Ben zo terug – Bart

  • Om

    Vinnig tikkende naaldhakken lopen mij voorbij. Linksaf. Het overleven op de kinderkopjes. Aan de overkant van het water klinken luide stemmen in een samenzang, onverstaanbaar. Het licht is gehuld in grijze wolken. Een groepje studenten loopt mij tegemoet. Hun gesprek is te lezen in de lucht, met ieder woord een wolkje. Linksaf. Een zoete walm uit een patisserie overvalt mij. Ineens ben ik terug in Frankrijk. De latente warmte in mijn gedachte, vult mijn lichaam, dat even nog door de snijdende wind was afgepakt. Ik was jong, de zoete broodjes vulden mijn mond met speeksel. De zon was warm, de straat rustig en loom. Als een verwonderd kind had ik met mijn handen tegen de ruit staan kijken naar al dat zoets. De bakker was vanachter zijn toonbank gekomen om mij voor zijn etalage weg te jagen. Een schrale bierlucht vult mijn neus. Terug ben ik, terug in de straat vol drommende toeristen. Linksaf. Een koopman roept zijn waren om. Terug onder de grijze wolken in de snijdend koude wind. Een sterke windvlaag ontneemt mij even de adem. Zoals mij, als kleine jonge de adem werd ontnomen op het stormende strand. Mijn opa moest mij staande houden en trok mij mee door het rulle zand. Linksaf. Stilstand, geen beweging meer. Een groep Chinese toeristen waaiert uit de smalle deur van de bus. Voetje voor voetje, tergend langzaam sleep ik mij door de menigte. Dan ben ik weer waar ik begon.

    Ben zo terug – Bart

  • Briefwisseling #2

    Beste Bart

    In de laatste brief die je mij schreef had je het over de hoeveelheid boeken die je nog wilt lezen. De dingen die je nog wilt begrijpen, ik ken het gevoel. Ik weet nog goed dat ik maanden aan het zoeken ben geweest naar: The Rubaiyat of Omar Khayyam in een vertaling van Richard Le Gallienne. Iemand had iets verteld over de tekst, de herinnering is mij ontschoten. Tot ik bij een kleine boekhandel kwam en de man mij vertelde dat hij zou proberen of hij het misschien kon krijgen via een vriend in Engeland. Dat lukte en uiteindelijk kreeg ik het een maand later in mijn handen gedrukt. De vergeelde pagina’s gaven een tekst weer die ik niet snel meer zal vergeten. Het heeft diepe indruk op mij gemaakt, tot dat ik veel later de vertaling van Edward Fitzgerald las. Vele malen poëtischer dan Le Gallienne maar veel minder provocatief. – Het blijft zo, het hele leven zal je nieuwe boeken vinden en alles wat je vindt wil je lezen. Er is te veel geschreven, gemaakt en bedacht om alles in je op te kunnen nemen. Dat geldt eigenlijk voor alles in deze wereld.

    Ik heb met plezier je ideeën gelezen over diezelfde Rubaiyat. (vandaar de reverentie in het eerste deel van mijn brief). Ik ben weer thuis dus mijn boekenkast ligt naast mij op mijn bureau terwijl ik dit aan jou schrijf. Het is inderdaad zo, dat het een ingewikkelde tekst is. Misschien is het een goed idee voor je om eens te kijken naar de andere vertalingen die er van deze tekst zijn.
    Vanmiddag tijdens mijn vaste wandeling heb ik mijn boekhandel nog eens bezocht op zoek naar nieuwe verhalen en ander interessants. Kwam thuis met een behoorlijke stapel. John Milton’s Areopagitica and Other Writings. Ik kende alleen een aantal gedichten ben zeer benieuwd naar zijn polemisch schrijven. drieëndertig beroemde verhalen van Guy de Maupassant ook eerder in het frans gelezen, dit zijn Nederlandse vertalingen. Anton Tsjechov, Op kamers, ook korte verhalen. Eén van de grootmeesters. En als laatste Arthur Rimbaud een bundel gedichten waarin onder anderen; Een Seizoen in de Hel en Illuminations, zijn opgenomen. Je ziet… zo ook bij mij wordt de lijst met nog te lezen boeken steeds aangevuld.

    Het interview waarover je schrijft tussen Charlie Rose en David Foster Wallace ken ik niet, hoewel ik moet zeggen dat de thematiek mij bekend voorkomt. Het is zeker interessant om na te denken over de auteur als onderdeel van het boek en de rol die hijzelf als auteur speelt in zijn verhaal. Hij heeft gelijk als hij zegt dat die kijk naar het schrijverschap en de lezer iets is, wat al in de jaren zeventig een punt van discussie was.
    Ik moet eerlijk bekennen dat ik nog nooit iets van hem gelezen heb. (Ook, één voor op de lijst!). Misschien is Mandarijnen op zwavelzuur iets om te lezen van W. F. Hermans.

    Ik zie uit naar ons volgend corresponderen,

    Chris

     

     

  • Glimlach

    De wind trekt, terwijl zij afwezig voor het graf van haar man staat, aan haar haren. Met haar ogen dicht staat ze te dromen. Fluisterzacht neuriet ze de melodie van: “Last night when we were young”. Kwaad rukt de wind de bladeren van de bomen, maar in complete stilte staat ze daar. Het weer heeft geen enkele invloed op haar. Opeens bewegen haar lippen alsof de tekst haar lichaam uit moet; “Ages ago, last night”. De ruisende lentebladeren vallen even stil terwijl ze verder neuriet. Haar gezicht is sereen en zoals door de grijze wolken de zon kan breken, breekt haar gezicht in een glimlach. Eén traan rolt over haar wang. De herinneringen steken nog steeds en toch kan zij lachen om de grapjes die hij gemaakt had of de ervaringen die zij met elkaar hadden gedeeld.
    Dan opent ze haar ogen en zakt door haar knieën. Met haar handen raapt ze de bladeren van het graf bijeen. Legt de stenen, die haar zoontje mee heeft genomen om bij papa neer te leggen, in een rechte lijn langs de steen. Ze was in gesprek met haar man, tijdens het recht leggen en het bijeen rapen. Als ze klaar is staat ze op en staart nog een ogenblik.
    Ze loopt terug naar het pad. Een oude vrouw zit op een bankje bij een grote beuk. Met ingehouden pas loopt ze naar het bankje en gaat naast de oude vrouw zitten. Ze zucht als ze naar de wild heen en weer zwiepende takken kijkt. ‘Het wordt makkelijker,’ zegt de oude vrouw, ‘het duurt alleen een tijdje.’ Ze kijkt de oude vrouw aan en knikt. ‘Het is een jaar geleden dat hij overleden is’ zegt ze ‘dat hoort bij het leven. Ik rouw niet meer. Het is de heimwee die hij achter heeft gelaten, de melancholie van zijn herinnering’. De oude vrouw knikt en glimlacht.

    Ben zo terug – Bart