Tag: herinneringen

  • Leven in een kistje VIII  (De eerste keer 3)

    Leven in een kistje VIII (De eerste keer 3)

    Bij de tafeltjes was enige commotie ontstaan. Eén van de jongens die bij de groep uniformen hoorde was opgestaan, zijn stoel was omgevallen en een glas viel stuk. Een ander hield hem tegen. Eén van de uniformen kwam erbij en schold de man, die tegenover de jongen stond, uit. Het uniform die het verst bij ons vandaan zat bleef maar in onze richting staren, zelfs tijdens de commotie. Alsof hij iets in het donker kon doorgronden, hij ons vanuit het licht kon zien. Het maakte mij onrustig. Ik seinde naar Ander dat we geobserveerd werden. Ander’s wilde ogen veranderde en tegelijk zijn hele houding. Hij bewoog zich achterwaarts en trok mij mee verder de schaduw in. Met een strakke blik op de groep, alsof hij zichzelf als schild had ingezet, draaide hij mij achter zijn lichaam. Toen hij zich omdraaide fluisterde hij,
    ‘We moeten hier weg!’ en greep mijn arm beet.

    Een groepje stamgasten maakte zich uit de voeten voor het gevecht dat was ontstaan. Nog een aantal andere waren ook opgestaan van de omringde tafeltjes. Vanuit verschillende punten dromde mensen richting de uitgang. De piano en het zingen stopte. Er hadden nog meer mensen zich in het gevecht gemengd. In de hectiek trok Ander mij mee. Hopelijk onopgemerkt! Tussen de kapstokken door, mantels en overjassen, zochten wij de onze. Er was geen paniek, er heerste een soort ongemak over een wat een gezellige avond had moeten zijn die in het water viel. En tegelijk een berusting in de wetenschap dat het bijna te voorspellen was dat dit zou gebeuren. 
    ‘Wij gaan niet wachten tot het uit de hand loopt!’ riep een kort gekapte dame in een glitterjurk. ‘Dat is het al’ zei de man die haar in haar mantel hielp, met een diep sarcasme in zijn stem. Ander kwam, van een paar rijen kapstokken verder, met zijn jas aan terug. Tussen de mensen door glipte we naar buiten.  

    Ben zo terug – Bart

  • Leven in een kistje VI (De eerste keer 1)

    Leven in een kistje VI (De eerste keer 1)

    10 januari 2000

    De eerste vertaalde tekst is terug gekomen. de eerste is uit de agenda en kwam via de mail van een Amená, floor bleef niet lang achter met de eerste tekst uit de leren bundel.

    Beste Josi

    Bij deze de vertaling van de eerste bladzijde van de Agenda uit 1934. De eerste twee dagen zijn vertaald uit het Deens. Telkens heb ik voor de tekst aangegeven uit welke taal deze vertaald is….

    Vriendelijke groeten Amená

    December 1933


    30 zaterdag 

    (Deens) De mooiste jongen ter wereld gezien. Als een spion van een afstand gadegeslagen. Te bang om hem aan te spreken.


    31 Zondag 

    (Deens) Oogcontact gemaakt. Als een schooljongen staan blozen. Later gesproken. Zijn naam is David. Thuis gebracht aan het einde van de avond. Onveilig op straat. 


    Beste Josi,

    Bij deze de vertaling van de eerste bladzijde uit de leren bundel. De tekst is oorspronkelijk geschreven in het Nederlands…

    Groeten Floor

    De eerste keer

    Berlijn 1 januari 1934

    (Nederlands) De statische lucht hing verstild te wachten op een ontladingspunt. Dat waren zo af en toe schermutselingen, uitgedaagd door hen die daarop liepen. Maar het kwam nooit tot een volledige ontlading. Alsof het juiste moment nog niet was aangebroken. Het was al gewoonte geworden om de politie uit de weg te gaan en nog meer de onzuivere figuren. Je kon ze herkennen, vooral de geüniformeerde; iets te trots op het uniform dat altijd en overal gedragen moest worden. En de geheime politie die vooral niet zó geheim was. Alleen wat er achter gesloten deuren gebeurde was geheim. Maar niet de afranselingen, die waren openbaar. Vooral van tegenstanders. Om hen die andere ideeën, hadden af te schrikken. 

    Onder die omstandigheden bevond ik mij op een feest ter viering van het einde van het oude en het begin van het nieuwe jaar, in nabijheid van een vriendelijke jonge man. Ik had hem de afgelopen dagen al een aantal keer gezien én zien kijken. Hij was groter en breder maar niet grof. Zijn stem was zwaarder dan die van mij en toch had deze iets lichts.  

    ‘Mag ik je iets te drinken aanbieden?’ had hij gevraagd met alle zekerheid die hij op kon brengen. Ik had zijn aanbod aangenomen. Het was een donker etablissement, dat was doortrokken van de sigaretten die er geconsumeerd werden. Er werd gelachen, gedronken en gezongen in afwachting van het nieuwe jaar. 

    Toen hij terugkwam overhandigde hij mij een glas cider en nam na het klinken van onze glazen onhandig een slok. Waardoor de schuimkraag van zijn bier in zijn snor bleef hangen. Hij veegde het snel weg en ik deed alsof ik het niet gezien had. Ik kon een glimlach niet helemaal onderdrukken. 

    ‘Lach je mij nu uit?!’ met glinsterende pretogen. Net of hij vergeten was hoe serieus hij nog geen tel terug naast mij had gestaan, als een soort bediende. Ik knikte bevestigend, terwijl ik mijn lach liet doorbreken. …

    Ben zo terug – Bart

  • Leven in een kistje V

    Leven in een kistje V

    Met mijn hoofd vol gedachten bladerde ik nog wat door de agenda. De tekst veranderde van Deens naar Duits, waar ik hier en daar een woord van meen te begrijpen. Alsof het de aangenomen taal was van de schrijver. Eerst nog met wat fouten, doorgekraste en verbeterde woorden. Zonder dat ik precies begreep wat er stond, kon je een soort zekerheid zien ontstaan in het schrijven. De paar regels die aan iedere dag waren toebedeeld vol afspraken met tijden en plaatsen. En dan de twee rijen op het onbeschreven gedeelte van de dagen; het jaar, datum en een korte beschrijving. 



    9 Januari 2000

    Ik had, voor de taak die ik mijzelf had opgelegd voor vandaag de scanner uit de kast tevoorschijn gehaald. Toen mijn computer mij liet weten dat er van Floor een e-mail binnen was gekomen. Zij liet mij weten dat haar collega de tekst had doorgestuurd aan iemand die kon helpen met vertalen van het Deens. Haar collega had een manier gevonden om de scans van de overige bladzijdes met hun te delen. Via een link in haar email kon ik de gescande pagina’s uploaden naar een server waar we allemaal toegang toe hadden.

    Ik besloot te beginnen met de in leer gebonden pagina’s. In het begin was elke scan proberen om alles er zo goed mogelijk op te krijgen. Maar op een gegeven moment ontstond er een soort ritme waardoor het sneller ging dan ik had verwacht. De handgeschreven tekst was groter dan die in de agenda en dus makkelijker te lezen. Dat was eigenlijk het meeste werk. Opletten wanneer een tekst voorbij was. Het brak ook het ritme die de handeling in zich droeg.

    Pagina omslaan, zorgen dat deze recht ligt, klep dicht, druk op de knop. En opnieuw. Het bestand opslaan, met als titel, de datum die boven aan de pagina genoteerd stond. Ergens op de helft besloot ik de al gescande pagina’s door te sturen naar de server. Het gaf me de tijd om thee te maken. Toen ik terugkwam met de warme mok in mijn handen was 95% verstuurd. Ik wachte tot dat alles verstuurd was. Alsof het staan toekijken het versturen sneller maakte. De tweede helft ging sneller. Het ritme van de handeling bracht mij in een trance. Toen ik klaar was, stond de mok halfvol met koude thee. 

    De agenda was meer werk. Elke pagina apart scannen en doorsturen. Na ongeveer vijf uur was deze ook ingescand en doorgestuurd. Nu begint het grote wachten. Ik had nog wat losse documenten, sommige schrijfsels, andere meer officiële documenten. De schrijfsels die vertaald moesten worden stuurde ik ook door. De andere documenten liet ik op mijn bureau liggen. Uitzoekwerk tijdens het wachten op de vertalingen. 



    Ben zo terug – Bart

  • Een leven in een kistje III

    Een leven in een kistje III

    8 januari 2000

    Bij het wakker worden vanmorgen, was het eerste waar ik aan moest denken… het kistje. Misschien kan het internet mij helpen wat tekst te vertalen. Zover ik heb kunnen achterhalen is het grootste gedeelte in het Nederlands geschreven. Allemaal, zover ik dat tot nu toe heb kunnen bekijken, van dezelfde hand. Het andere handschrift lijkt mij in het Deens. De vertalingen zijn niet zo best. Alsof het de woorden op zich vertaalde, maar de context compleet negeert. Ik heb een paar foto’s verstuurd naar Floor die vertalingen doet voor een uitgeverij. Dat in de hoop dat zij betere vertalingen kan geven, waarin de context blijft bestaan. 


    Binnen een uur reageerde Floor. Zij had een van de foto’s gezien. Daarnaast gaf zij de suggestie om de stukken in te scannen, zodat deze duidelijker leesbaar waren. “Zijn dit allemaal stukken uit die tijd?” en “Om hoeveel stukken gaat het?” vroeg zij. Ik vertelde haar, dat het om een grote hoeveelheid ging, waarvan meerdere documenten in verschillende talen. Na een paar minuten belde zij mij. 

    ‘De eerste foto die je stuurt is een soort beschrijving’ zei ze. ‘Dit is zo interessant’ haar stem ging een octaaf omhoog. En als een klein kind begon ze te vertellen, als een waterval aan woorden die niet te stoppen was. 



    ‘De beschrijving is van het gevoel tijdens het vluchten. Er staat geen datum bij, tenminste niet zichtbaar. Ik denk dat de tekst een persoon noemt, genaamd Ander. Maar ik weet niet of dat ook echt de naam is of dat het een aanduiding is van een persoon. En het spreekt over het menszijn onder die omstandigheden. Zal ik het je voorlezen?’ Nog voor ik kon antwoorden begon ze het stuk op te lezen. 

    “Het voelt eng om op de vlucht te zijn! Het is eng om niemand om je heen te hebben; daarentegen is het net zo eng om onder de mensen te zijn. Omdat je nooit weet wie je kunt vertrouwen. Ik heb het geluk gehad dat ik Ander bij mij had. Ik denk dat ik anders allang mijn menselijkheid verloren zou zijn.”

    ‘Eng in deze context kan bang betekenen. Maar in het Nederlands kan eng ook betekenen dat je een vernauwde blik hebt op de wereld om je heen. In deze tekst zou ik bijna willen zeggen dat het duidt op de realisatie dat als je vlucht, je moeilijk zonder achterdocht naar alles om je heen kunt kijken.’ Zo ratelde Floor haar gedachten af. Daarna viel het even stil. 

    ‘Ander is… als het om een persoon gaat, waar het wel op lijkt, de figuur die de schrijver helpt om die achterdocht in toom te houden.’


    Ben Zo terug – Bart  

  • Een leven in een kistje

    Een leven in een kistje


    6 januari 2000

    Na mijn werk kreeg ik een telefoontje met de vraag of ik voor de Historische Vereniging iets zou willen ophalen. Meestal krijg ik spullen aangeleverd, dus dit was wat onverwachts. Ik kon er makkelijk langs rijden, het was maar een klein stukje om, dus dat was geen probleem. Bij aankomst stond er een statige dame op mij te wachten. Ze vertelde dat zij geen familie was, maar dat zij hier eten langs kwam brengen voor de twee oudere heren. Ze hadden haar gevraagd om dit te regelen. In het midden van een ronde tafel stond een kistje. “Dit is het!” had ze gezegd. Er zou een sleutel moeten zijn maar die kon ze niet vinden. Mocht ze die nog tegenkomen zou zij die alsnog aan mij komen brengen. Toen ik vroeg of zij wist wat erin zat, welde er tranen op in haar ogen. “Een leven…” zei ze stil, maar kon niet precies uitleggen hoe of wat. Wel gaf ze me nog een envelop met twee krantenknipsels van de overlijdensadvertenties.


    Het kistje staat nu voor mij. Ik heb het gevoel dat het zelfgemaakt is. Het lukt mij niet om het slot open te krijgen en ik wil het niet kapot maken. Misschien vertelt het wel veel meer een verhaal dan het lijkt. Heb gevraagd of Mart de sleutelmaker een kijkje wil nemen. Dus de inhoud moet nog een dagje wachten.  Morgenavond komt hij langs om het te proberen met zijn ‘oude sleutelbos’. 


    Ben zo terug – Bart

  • Onder de tulpenboom deel 1

    Onder de tulpenboom deel 1

    In de felle zon schitterde het gras van de dauw. Binnen was het warm, de koffie was gezet en de koekjes stonden op tafel. Het huis was even stilgevallen. Jacob slurpte van de walmende koffie. Aangekleed en wel, zat hij in de stoel te genieten. Te wachten op de zuster die hem zou komen helpen, maar hij had het zelf allemaal gedaan. Negenentachtig was hij, waarom zou iemand mij moeten helpen? Wat weggedraaid van de kamer keek hij naar buiten. De tulpenboom begon te knoppen. De eerste waren al opengebarsten en lieten het lichtroze van de bloemen zien. De meeste bomen en struiken hadden net een waas van groen gekregen. Teken van leven! Op het bankje dat rond de stam van de tulpenboom stond zat een jongen naar de grond te staren. 

    Thea reed het pad op met de fiets. Ze had hem niet gezien door het voorraam. ‘Goede morgen!’ riep ze vanuit de achterdeur.
    ‘Dag Theodora, wil je een kopje koffie van mij?’ Het was een ritueel dat zich iedere dag herhaalde. ‘Dat lijkt mij een heel goed idee Jacobus…’ antwoorde ze met een glimlach, ‘daar ben ik wel aan toe!’ Zij stapte de kamer binnen. ‘U bent al helemaal klaar!’ De rode blos op haar wangen van de kou, glom in het licht. Jacob knikte, nam zijn kopje en stond op om de koffie in te schenken. ‘Drukke dag vandaag?’ vroeg hij vanuit de keuken. Ze was op de bank gaan zitten, ‘Dat valt wel mee hoor.’ Hij zette de koffie voor Thea neer en liep naar de stoel voor het raam.  

    De jongen zat niet meer alleen. Er was een jongen bij komen zitten. Hij had zijn arm om hem heen geslagen alsof hij hem wilde troosten. Maar toen de jongen opkeek, glimlachte hij.

    Even keken ze elkaar aan en raakte hun voorhoofden elkaar. En schuchter draaide hun blikken naar de omgeving. Maar zij waren alleen. 
    ‘Waar kijkt u naar?’ vroeg Thea en kwam naast hem staan. ‘Ik was bezorgd, maar ik denk dat het wel goed komt,’ zei Jacob. Thea glimlachte, ‘dat denk ik ook wel.’ Ze waren beiden gaan zitten. 

    Ben zo terug – Bart

  • Verdwenen…

    Toen de klok begon aan de twaalf slagen, dronk hij de laatste slok, wenste mij geluk voor het nieuwe jaar, stapte van zijn kruk, pakte zijn jas en liep naar buiten. Verlicht door het vuurwerk, zag ik hem nog. Bij de laatste klokslag was hij helemaal in het donker verdwenen. 

    Ben zo terug – Bart

  • Aan denken!

    Zij keek wat ongelooflijk toen ik de deur binnenstapte. Haar fragiele lichaam voorovergebogen op de bank. Deze lag vol met paparassen. ‘Ik ben aan het uitzoeken!’ haar stem kraakte. Zij wees naar de papieren, de dozen naast haar waren tot de rand toe gevuld. Boekjes, blaadjes, foto’s en agenda’s. ‘Hier heeft niemand iets aan. Maar het zal toch uitgezocht moeten worden.’ Ze zuchtte en liet zich tegen de kussens van de bank aanzakken. ‘Ow’ ik zei het iets wat ontdaan van de hele rechtstreeksheid. ‘Waarom moet het weg?’

    ‘Stel dat er iets bewaard moet blijven! Als ik dood ben gooien zij het gewoon weg!’ Ik kon niet goed bedenken wat te zeggen. ‘Heeft u al iets gevonden om te bewaren?’ vroeg ik tenslotte. Ze wees met haar hand richting de salontafel. ‘Ik heb dingen die ik belangrijk vind. Wat een ander daarvan denkt weet ik niet.’ Zij keek naar mij alsof ze wilde zeggen heb jij geen antwoord. Zij sloot haar ogen. Haalde een aantal keer diep adem. Zij opende haar ogen, boog naar de stapel papieren en haalde er een klein blaadje tussenuit. 

    In diejen perelaar, daar zat van morgen vroeg een merelaar.
    ‘lijk carillon in doodstil uur, van blauwe nacht.
    Zó klankend zacht, zo blinkend puur
    en hij ving aan met zingen! En toen hij zong!!
    Het klaarde en klong en klinkte, als duuzend bellen

    ‘Dat heb ik geschreven!’ haar ogen glommen. Over de rand van haar bril keek ze mij aan. ‘Misschien kunnen anderen dit voor mij onthouden. Maar ik zou niet weten hoe ik dat voor elkaar zou kunnen krijgen’. 

    Ben zo terug – Bart

  • Zoeken… II (Een beetje fantasie)

    Lees hier terug wat er eerder gebeurd is…

    Cheiron drukte op de bel. Het geluid was overdonderend, in het kleine portaal dat als een versterker werkte. De stem van de journaal-lezer klonk monotoon, bijna dreunend. Callas’s hoge noot galmde er boven uit. Het orkest maakt het crescendo compleet. En dit alles bleef, in het portaal, tussen de muren kaatsen. Nogmaals de bel. Er klonk niets van binnenuit dat er op leek dat de deur open gedaan zou worden. Met een vuist gaf Cheiron een harte klop op de deur. ‘Ja ja ja,’ klonk het van uit de diepte van het huis.

    Toen de deur openging stond een oude man voor hem. ‘Aiōn!’ zei de man. Nog voor Cheiron zijn naam kon zeggen had Aiōn zich al omgedraaid. Hij opende de deur helemaal en stapte er soepel omheen. Met zijn arm gebaarde hij Cheiron naar binnen te komen. Eenmaal over de drempel zei hij met een luide stem: ‘Helemaal doorlopen… achterin… de keuken.’ Cheiron ging op een van de lege stoelen zitten en pakte het boek van zijn grootvader op schoot. Hij keek op, er was niemand. Nog voor hij zich verder kon verwonderen over Aiōn klapte de voordeur dicht. Met verassende snelheid stapte hij de keuken binnen. ‘Ik wil u iets vragen,’ begon Cheiron voorzichtig. ‘Ja ja ja,’ zei Aiōn ‘wat is er met het boek?’
    ‘Hoe weet u dat…?’ zei Cheiron vol ongeloof. ‘Er staat een herinnering in van mijn grootvader…’ Aiōn trok zijn wenkbrouwen op. ‘Lees het nu maar voor!’

    “De eerste keer dat ik iets vermoede… dat moet in mijn jeugd zijn geweest.
    Het was ergens in augustus, denk ik. Toen het gras geel begon te worden van de warmte en de beek naast ons huis volledig was opgedroogd. Ik had de hele ochtend in de weilanden gespeeld in de schaduw van de bomen, tussen de bladeren die waren afgevallen. Mijn vader vroeg mij mee naar de stad waar hij wat spullen moest ophalen. Wij liepen tussen de weilanden over de stoffige zandweg, het landschap glooide en langs de rand van de weg stonden hier en daar wat bomen. Soms was het een laan, dan weer een landweg, maar steeds waren er stukjes schaduw die de hete zon onderbroken. Ik kon de warmte van het zand, door mijn zolen van leer, heen voelen. Na wat voor mij een eeuwigheid leek, stopte wij bij een laag hangende boomtak. Mijn maag gromde, hongerig naar voedsel.

    De eerste slok van het koele water gleed voelbaar door mijn lichaam. Het was als een verkoelende duik in de rivier. Mijn vader haalde een doek uit zijn tas met nog warm brood en een glazen pot met aardbijenconfituur. Het witte brood was romig en de frisse aardbeiengelei zoet. Het was het lekkerste wat ik ooit had gegeten. De doffe kloppen van hoeven op het zand naderden ons. Een boerenknecht op een open wagen. Zijn gezicht lichtte op, alsof wij de eerste mensen waren die hij in dagen had gezien. Hij groette ons gedag nog voor hij dicht bij genoeg was om tegen ons te spreken. ‘Eetsmakelijk’ zei hij toen hij dichterbij gekomen was. ‘Als ik zo vrij mag zijn, waar zijn de heren naar onderweg?’ Mijn vader sprak met respect: ‘Dank u, wij zijn onderweg naar Ergon.’
    ‘Dan heeft u geluk,’ zei de knecht, ‘u kunt op mijn wagen meerijden, ik moet daar vlakbij zijn.’ Triomfantelijk keek hij van af de bok op ons neer. ‘Als u het geen probleem vindt ga ik ook even een broodje eten’. Nog voor mijn vader kon reageren was de knecht al op de grond in de schaduw neer geploft.  Ik weet niet meer of er iets gezegd is, of dat wij alle drie stil zaten te eten.”

    Lees hier verder.

    Ben zo terug – Bart

  • Helops (een beetje fantasie)

    Helops, was zijn naam. Zo groot als een reus en sterk als een paard, tenminste dat is mijn herinnering. Dat, terwijl hij zo oud was als de wereld, ook in mijn gedachten. Hij was mijn opa die de hele wereld had gezien en de wildste verhalen vertelde over wat hij allemaal had mee gemaakt. ‘Grootspraak’, zei mijn vader altijd als hij weer eens verdwaald was in één van de vele zijwegen waaruit zijn verhalen waren opgebouwd. ‘Helops! Je maakt de jongen bang!’ had hij een keer gezegd. Ik schudde van niet en met zijn enorme hand wreef hij over mijn zwarte krullen. Als Helops bij ons in huis was werd er gelachen, gegeten, gedronken en het aller belangrijkste… er werden verhalen verteld. Het was altijd hetzelfde op die laatste keer na.
    ‘Er zijn zaken die spelen’, begon hij met diep raspende stem ‘Belangrijke zaken die al decennia lang op de achtergrond verscholen zijn’.  Hij rook naar pijptabak en hout, het leer van zijn tas en het zoete kruidendrankje dat hij vaak dronk. Ik had hem nog nooit zo serieus gezien. Normaal speelde er een glans van pret in zijn ogen. Even zat hij in complete stilte. Alsof de woorden die hij ging zeggen nog moesten komen. ‘Het word tijd dat jij begint met de lessen die ik als kleine jongen heb gekregen van mijn grootvader. Nu heb je de tijd om te zoeken, zoals ik dat ook heb geleerd.’ Hij zuchtte diep en voor hij verder sprak pakte hij zijn pijp uit zijn borstzak. Stopte hem en zoog de vlam van de lucifer de pijp in. Er ontsnapte een wolk rook die de kamer vulde. ‘Je mag er met niemand over spreken’, begon hij. ‘Er komt nog meer maar dit is het eerste wat ik je ga geven.’ Van de grond pakte hij de zadeltas die hij altijd bij zich droeg. Uit de diepte haalde hij een boek tevoorschijn. Het boek was in zwartleer gebonden. De gouden letters waren er afgesleten en het leer dat van buiten zwart leek was in werkelijkheid donkerbruin geweest. De naam was nog zichtbaar Lucretius. Hij sloeg het boek open en in krullende letters stond te lezen “De Rerum Natura Libri Sex”, daaronder de auteur “Titus Lucretius Carus”. Bij het omslaan knisperde het papier dat zo dun was als rijstpapier.
    ‘Het lijkt wel een bijbel’, zei ik zonder er bij na te denken.
    Helops glimlachte en liet het boek tussen zijn handen dichtvallen. ‘Nog één’, zei hij en sloeg het open bij het schudblad. Op het blad lag een klavertje vier. Hij tikte met zijn vinger op het blad. ‘Wees niet bang om het kwijt te raken er zijn altijd nieuwe in de buurt’. Ik keek hem aan; ‘wat betekend dat?’ Weer glimlachte hij: ‘Ik weet de woorden, maar ik ken niet de betekenis ervan. Mijn grootvader zei hetzelfde tegen mij.’ Hij staarde door het raam naar buiten. ‘Misschien is het deze keer belangrijker… het jong is vele malen jonger dan ik was’, mompelde hij tegen zichzelf.

    Deel 2

    Ben zo terug – Bart