We staken de straat over om aan het einde links af te slaan. Het was nog maar een paar honderd meter tot de voordeur. De twee figuren bleven achter ons aanlopen. Wij stopte voor de deur. Terwijl ze langs ons liepen hielden zij hun pas in. Zo vlug als ik kon, draaide ik de deur open. Wij stapte naar binnen in een gloed van warm licht, weg van de donkere straat. In mijn paniek had ik de deur met volle kracht dicht gesmeten. Bang, dat zij zich met gemak naar binnen zouden dringen. Ik ontspande mij en wij lachten beide ongemakkelijk terwijl ik Ander zijn arm los liet en wij ons naar de trap draaide.
‘Wat gebeurt er allemaal!’ klonk er van boven uit het trappenhuis. Ik herkende de stem van mijn onderbuurvrouw. ‘Niets aan de hand!’ stelde ik haar gerust bij het beklimmen van de eerste treden. Nu zag ik Ander pas goed. Er glom iets van rood door in zijn haar, dat naast die glans meer bruin was. Onze voetstappen klonken nauwelijks op de stenen treden die naar de eerste verdieping leidde. De vloer ging over in parket met een loper in het midden van de overloop. Daarna waren het houten treden die ons krakend naar de derde verdieping hielpen. Ander bleef naast mij lopen, met dezelfde houding, die hij had toen we elkaar in de club ontmoette. ‘Hier is mijn kamer,’ wees ik naar de deur. Ik stapte naar voren en opende de deur. Ander stond met zijn handen achter zijn rug te wachten.
Nog steeds was er niemand te zien. Maar het gevoel dat wij achtervolgt werden werd steeds sterker. In een portiek stond een oudere man te praten met zijn buurvrouw. Toen hij opkeek viel er een soort onrust over zijn gezicht. Niet door ons, hij had langs ons gekeken en iets gezien dat hem zorgen baarde. Binnen een paar seconden hadden hij en de buurvrouw afscheid genomen en waren de voordeuren dicht geslagen. De voetstappen achter ons versnelde. Toen ik opnieuw omkeek zag ik één van de jonge mannen uit de club het lantarenlicht uit stappen. ‘Ander,’ zei ik zacht ‘ze zijn hier!’ met de laatste woorden schoot mijn stem een octaaf omhoog. Ik kneep in zijn arm. ‘De mannen uit de club…’ voegde ik toe.
Ander pakte met zijn vrije hand mijn schouder. ‘Rustig blijven!’ zei hij met zijn gezicht naar mij gedraaid. Onrust had bezit van mij genomen. Elke schaduw kreeg een onguur trekje. De portieken en steegjes leken nog wel meer gehuld in duisternis. De lantarens die ons eerst nog bijgeschenen hadden, dimde hun licht. Alsof zij zich overgegeven hadden aan de schimmige figuren; de voorkeur geven aan hun overwinning. De voetstappen klonken niet meer. Zelfs het geluid had zich gecapituleerd!
Het einde van de straat kon mij niet spoedig genoeg dichterbij komen. De steegjes in duisternis gehuld, leken allemaal gevuld met kwade opzet en schimmige types. Alsof wij elk moment het zwart konden worden in getrokken en alleen met een gebroken lichaam weer terug konden keren in het licht. Onder de straatlamp, aan het einde van de weg, stond één van de jonge mannen opzichtig te roken zodat wij hem zouden zien. Een hooghartige glimlach op zijn gezicht. Achter ons was de andere man uit de schaduw gestapt. Liep nonchalant fluitend met een wapenstok te zwaaien. ‘Ze jagen ons op!’ fluisterde Ander mij toe, ‘laat je niet opjutten!’ De rokende man moet iets hebben gezien in mij wat hem nog vrolijker stemde. Zijn glimlach bereikte nu ook zijn ogen, zijn mond opende zich in een geluidloze lach. ‘Geef ze geen aanleiding om ook maar iets te doen!’
Het was koud buiten. De ijzigheid die we binnen voelde was als een koude natte grot, bedompt. Hier buiten was de kou fris. De stroom van mensen vulde de donkere straat. Hier was geen dreiging die ieder moment kon omslaan in geweld. Veilig was het ook niet. We waren allemaal gewend geraakt aan de onderstroom die bezit had genomen van de stad. Voor we aan de hoek van de straat kwamen hoorde we geschreeuw vanuit de open deuren van de club. Er vielen twee mannen naar buiten, rollend over de grond. Scheldend en tierend in de nacht. Opnieuw maakte men zich uit de voeten. Het leek alsof zij door deze dreiging werden achtervolgd, er geen ontkomen aan was.
De rest van de groep en de uniformen waren ook naar buiten gekomen moedigde aan en in sommige gevallen namen zij deel aan de afranseling die gaande was. De mensen die al buiten stonden werden met harde hand uit de weg geduwd. Zonder tegenspraak onderging het merendeel deze behandeling. Vanuit verschillende mensen werd hun ongenoegen geuit. Vooral als zij op afstand waren. Maar het ongenoegen keerde zich langzaam tegen de mensen die de club uit waren gekomen. Als een groep jagers waaierde zij zich in alle richtingen uit. We sloegen de hoek om. Langs het grote warenhuis waar de verlichte ruiten hun waren tot diep in de nacht tentoonstelde. Zij gaven iets van rust. Tot de hoek waar wij de straat overstaken. Ander kalmeerde mij op de een of andere manier. De straatlantarens beschenen afgebakende cirkels op het trottoir. Als statige supposten die bijschijnen in een donkere theaterzaal.
Achter ons klonken nonchalante voetstappen, te ver weg om duidelijk te onderscheiden of het om één of meerdere paren ging. ‘Rustig door blijven lopen,’ zei Ander langzaam en zacht. Dat was voor het eerst dat ik zijn accent hoorde. Ik kon alleen niet onderscheiden waar hij vandaan kwam. Ander keek schichtig over zijn schouder. ‘Ze steken over,’ voegde hij toe. Het voelde alsof hij mij daarmee gerust wilde stellen. Ook ik keek even over mijn schouder. De twee mannen waren al aan de andere kant van de straat en liepen een steeg in. ‘Waar moet je naartoe?’ vroeg Ander zonder op te kijken. Voetstappen klonken wederom, wij keken beide op. Een echtpaar kwam ons arm in arm tegemoet. Ik hield nog steeds Ander zijn arm vast. De vrouw haar blik bleef op ons hangen, zelfs toen zij ons voorbij was, keek zij nog een aantal keer achterom.
‘De volgende straat moeten we links, die lopen we helemaal uit en rechts om de hoek is mijn kamer,’ vertelde ik Ander. Hij knikte. Opnieuw klonken voetstappen, deze keer achter ons. Maar bij het achterom kijken zag ik niemand. ‘Verbeeld ik mij voetstappen te horen?’ vroeg ik Ander. Hij schudde zijn hoofd, maar zei niets. Ik keek opzij maar zag daar ook niemand. Nogmaals achter ons. Even meende ik een schaduw te zien bewegen… niets! We sloegen zwijgend links af. In de halfschaduw van een steegje stond iemand. De gloed van de smeulende sigaret die zo nu en dan sterker oplichtte, verraadt de figuur. Toen we dichterbij kwamen liet deze zich door het duister verhullen. Alleen het rookwolkje van de sigaret op de grond, gaven nog bewijs van de persoon. Naast het steegje aangekomen was er niemand meer.