• Vis zonder kieuwen

    Ik ben gewend om mij aan de norm aan te passen, gewoon omdat dat is wat iedereen van mij verwacht. Het is de norm, de gewoonte om te zijn zoals iedereen dat is. Ook de norm waarmee je word opgevoed, misschien niet zozeer de norm als wel het ideaalbeeld. Ik ben eigenlijk een vis zonder kieuwen. Pas niet in het water, te weinig vis voor het water en teveel voor het land. Dat is nou eenmaal de keuze die er is, het water of het land. Theoretisch zou je kunnen zeggen de lucht is ook een keuze, maar ik ken niets wat zich alleen maar in de lucht begeeft. Als een vis in het water, maar dan één met longen die mijn vissen-lichaam doen verlangen naar lucht. Ik val buiten de gebaande paden en moet nu als naast de snelweg mijn eigen paadje zoeken. Niet dat dat het ergste is. Ik weet dat ik niet de enige ben, nu alleen nog iemand tegen komen die samen met mij dit pad bewandelen wil. De ademnood bedwingen. Niets sensueels begrijp me niet verkeerd, ik ben opzoek naar een plaats, een plek om te kunnen zijn. Laten we zeggen een andere ‘norm’. Misschien is deze hele metafoor niet zo goed gekozen.

    Misschien ben ik wel meer de gekooide vogel, die nog steeds zijn liederen zingt. Waarom ik zing? Ik zing omdat ik het kan. Ik zing tegen beter weten in, en dat is nou, in sommige gevallen, juist de beste reden om iets wel te doen. Ik zing omdat ik het kan, ik kan zingen. Mijn vrijheid hebben zij beteugeld, mijn vluchten afgepakt, maar ik kán nóg zingen.Ik zing mijn eigen lied, een lied van eindeloze hemelen en vluchten zonder eind. Ik zing van een leven zonder tralies, van mijn flamboyante verenpak. En ook omdat ik zangzaad krijg. Ik zing omdat ik rebelleer, als mensen praten, zo hard en schel mogelijk. Het meest zing ik nog voor de dag dat ik mag zijn. Ik weet waarom gekooide vogels zingen. Omdat ik de tralies heb bevochten met het gefladder van mijn vleugels, en ik vingers tot bloedens toe heb stuk gepikt. Omdat er altijd iets is om voor te zingen, dezelfde reden om waarom er bij zijn die dat niet doen. Dat is de reden waarom gekooide vogels zingen.

    Ben zo terug – Bart

  • Klem!

    Het was iets voor middernacht toen ik mijn weg naar huis, met trein, voortzette vanaf het Centraal Station. De coupé vulde zich met de nachtelijke brakers, op weg naar hun thuis.

    Toen de trein zich in beweging zette begonnen de zacht gemompelde gesprekken zich in luidere vorm voort te manifesteren. De dag was lang geweest. De resten van reizigers waren nog duidelijk zichtbaar. De uitpuilende prullenbakken, een vergeten briefje, een lege kop koffie op het tafeltje bij het raam.

    Ik zat alleen. Te staren naar een leeg vel papier. Afgesloten van de buitenwereld door de muziek in mijn oren. Het was de laatste trein richting Den Helder, ik had moeten rennen om hem te halen en was blij dat ik nog kon zitten. De eerste zinnen waren onzin maar het hielp me om te schrijven. Vrij te denken en een begin te maken met een verhaal. De volgende stop. Tegelijkertijd met de trein hielden de gesprekken stil.

    Driftig heen en weer geloop van conducteurs. Een stem over de portofoon. Nogmaals de conducteurs maar nu in de andere richting. Ernstig kijkend, toch de wens uitsprekend voor een goeden avond. Met het weg rijden hervatten de gesprekken zich opnieuw. Het donker van buiten de coupé maakte de weerspiegeling, door het helle licht van binnen, nog sterker. Een ziekelijke groene reflectie kwam tot leven in de ruiten van de wagon. Een mandarijnenschil lag vertrapt onder een van de stoelen. Vergeten en onopgemerkt.

    ‘Het volgende station is…’ Een zware mannen stem klinkt schel over de intercom door de trein. ‘… Zaandam, na deze stop zullen wij nog verder gaan in de richting van Uitgeest, Castricum, Heiloo en Alkmaar en dan verder richting Den Helder. Het volgende station is Zaandam.’ Met een klik stopt de stem. Twee dames verlieten lachend de coupé. Een nieuwe groep mensen stapte in en probeerde een plaatsje te vinden om te zitten. Het was warm binnen en ik had mijn jas los geknoopt. Mijn tas stond tussen mijn voeten, mocht het nodig zijn kon er iemand naast mij gaan zitten.

    De deur naast mij zwaaide open terwijl een meneer zich naar binnen wrong. Hij keek de wagon door een plofte zich naast mij neer. Hijgend, zijn voorhoofd bezweet. Zodat hij goed kon gaan zitten, bedacht ik mij iets meer naar het raam op te schuiven. Pas toen merkte ik dat mijn open jas half op zijn stoel moest hebben gelegen. Zodat hij daar nu op zat. De reutelende ademhaling bleef zich door mijn met muziek gevulde oren dringen. Nog voor dat de trein verder ging had de man zich uit het hengsel van zijn tas gewurmd. Met zijn tas op schoot bleef hij zitten.

    De zure geur van oud zweet en de alcohol die met elke adem meekwam. Ik voelde me opgesloten. De ruimte te klein om het op enige manier te ontwijken. De warmte maakte mij misselijk. Mijn handen koud, onbruikbaar. Zijn haren waren kort, maar lang genoeg om zich aan zijn voorhoofd vast te plakken. Na een paar minuten pakte hij zijn tas en begon te rommelen. Zijn ellenboog raakte mijn arm. Het helle licht, de woorden die mijn brein bleven vullen totdat het zou overstromen. Niet te schrijven, mijn handen wilde niet. Probeerde mijn jas terug te krijgen, zonder er iets van te zeggen. Een fles rode wijn komt uit zijn tas tevoorschijn. Het zuigende geluid van zijn longen naar de benodigde adem. Hij zette de fles aan zijn mond en met een grote slok dronk hij de klokkende wijn. Ik draaide mij steeds meer richting het raam. Probeerde mij te concentreren op de pagina, de muziek, alles behalve de geur en de man. De groene reflectie hielp mij niet. Ik leek wel zeeziek in deze ruit.

    De mannen in de groep verderop waren luidruchtiger dan eerst. Een grijze man met bruin gezicht door teveel zon, liet de gesprekken over zich heen komen alsof hij er niets mee van doen had. Toch lachte hij door de grappen die zij maakten.

    ‘Het volgende station is Uitgeest’ een klik en de stem was weg. De man naast mij pakt zijn telefoon uit zijn broekzak. Zijn dikke vingers probeerde de weg naar berichten te vinden. Drie keer moet hij het opnieuw doen. Zijn andere hand was bezig met het los ritsen van zijn windjack. Met het openen van zijn jas verdronk ik in een nieuwe walm van zweet. Ik trok mijn schouder omhoog maar werd gestopt door mijn klemzittende jas. ‘Station Uitgeest.’ klinkt het nasale geluid door de trein. Een groep mensen verlaat de trein. Lachend na een gezellige avond uit. Twee jonge meiden liepen giechelend achter hen aan, alsof Ronald Giphart ze had bedacht.

    Een mevrouw aan de andere kant van de wagon is tegen de ruit inslaap gevallen en de man naast haar sluit zo nu en dan zijn ogen. De kruimels op de grond schrapen over de vloer als ik mijn voeten voorzichtig verschuif. Twee oudere dames kwamen luid lachend binnen gelopen. De man, zijn haren waren onder tussen volledig doorweekt en de pareltjes zweet, tot stroompjes verworden. Met een grote rode zakdoek droogde hij zijn gezicht. De fles zette hij opnieuw aan zijn mond, stopte hem weer weg en begon een bericht te typen.

    Toen de dames een plek gevonden hadden en de trein zich weer in beweging had gezet, was er aan de andere kant van het gangpad een dubbele plaats over. Hij stond op en plofte languit neer op de twee onbezette plaatsen. De bevrijding!

    Ben zo terug – Bart

     

     

     

     

  • Gesprek Onderweg #1

    Thijs begint wat zenuwachtig op zijn briefje te lezen. Ik weet al wat er komen gaat, maar ik laat hem.
    ’Hier moeten we de trein uit en overstappen’ Thijs kijkt op van zijn handschrift.
    ’lichtelijk paranoïde tijdens het reizen?’ ik trek mijn wenkbrauwen op met een grijns.
    ’Ik wil gewoon zeker weten dat we de goede kant op gaan, is dat zo gek?’ Thijs pakt zijn rugtas uit het bagagerek en hijst hem op zijn rug.
    ’Hebben we nog iets vergeten, kijk even goed’ zegt hij in het algemeen tegen de coupe, als hij zijn eerste stappen zet richting de deuren van de trein.
    ’niets vergeten.’ is mijn korte antwoord als ik hem achterna loop. Het is een stoffig klein stationnetje op ongeveer één uur van onze bestemming.
    ’Ik hoop dat er een automaat staat waar we wat drinken kunnen halen ik kan wel wat gebruiken.’ Het perron stelt me niet teleur.
    ’We hebben tien minuten voor onze trein er is’ zegt Thijs zijn briefje raadplegend. Hij is alvast gaan zitten op een bankje terwijl ik voor ons wat uit de automaat haal. Ik slenter terug naar Thijs die nog steeds op zijn briefje zit te lezen, en geef hem een kus. ’ik hou van je.’ Zeg ik als ik hem zijn flesje drinken geef.
    ’Waar was dat goed voor? ‘Hij kijkt me aan.
    ’zo maar.’ Er komt een man richting ons gelopen, Thijs pak zijn rugtas van de bank en zet hem tussen zijn benen. Als in een spiegel gereflecteerd staan onze tassen, identiek zijn ze, we hebben ze voor deze reis gekregen van mijn ouders.
    ’Gaan we naar het centraal station?’ vraag ik Thijs.
    ’Nee we stappen twee stations eerder uit dan zijn we vlakbij ons hotel, kunnen we eerst even alle spullen wegbrengen.’ De man kijk op naar mij alsof hij wil zeggen ik versta jullie. ’daar is onze trein.’ Thijs pakt zijn rugtas en staat op nog voor de man iets kan zeggen.
    ’Jullie komen uit Nederland?!’ zegt de man die naast ons op het bankje zat, terwijl hij ook opstaat voor de trein. Hij zegt het eerder als vaststelling dan als vraag. Zijn accent is Italiaans maar je kan goed horen dat hij uit Nederland komt.
    ’Ja, u klinkt alsof u ook uit Nederland komt’ Zeg ik tegen de man hij loop met ons mee richting de deuren die ondertussen open zijn gegaan. Hier en daar komt een verdwaalde reiziger de trein uit gestapt.
    ’Ik ben opgegroeid in Nederland maar ik woon nu zo’n twintig jaar hier.’ Zijn zwarte lange gewaad is nagenoeg zonder kreukels.
    ’U bent pastoor?’ Vraag ik met enige twijfel in mijn stem.
    ’Laten we het zo noemen.’ Zegt de man. De trein is nagenoeg leeg en we vinden een plaats voor vier personen. Ik ga naast Thijs zitten en kijk hem wat hulpeloos aan. Het eerste wat ik denk is, wanneer gaat deze man ons proberen te redden?
    ’Het spijt me, laat ik mij voorstellen mijn naam is Thomas.’ Zegt de man en Schud ons om beurten de hand.
    ‘Aangenaam, Thijs. En ik ben Max’ Zeg ik zo zelfverzekerd mogelijk.
    ‘Zijn jullie vrienden?’ Vraagt Thomas. Nu is het mijn beurt om het antwoord te geven. ‘Laten we het zo noemen.’ Zeg ik met enig zelf genoegen voor Thijs kan reageren. Hij kijkt mij aan met een blik die me duidelijk moet maken dat wat ik nu doe echt niet kan. Thomas glimlacht.
    ‘Wij hebben een relatie.’ Verbeterd Thijs. Hij is hier veel beter in als ik, hij heeft meer ervaring. Bij mijn slaan alle alarmbellen aan in dit soort situaties. Thomas kijkt geïnteresseerd mij kant uit, alsof hij ziet wat ik denk.
    ‘Waar zijn jullie vandaan gekomen?’ Vraagt hij. Thijs neemt het voortouw
    ‘We zijn uit Viterbo gekomen het is vandaag de derde dag van onze reis.’
    ’Laat me raden’ zegt Thomas ’Jullie zijn op weg naar Rome, is het niet.’ ik knik.
    ’We willen een aantal dingen bezichtigen voor we verder reizen, het Vaticaan staat onder andere op het programma.’ ik kijk Thijs aan als hij de rest van de plaatsen op noemt die we gaan bezichtigen.
    ’Zijn jullie gelovig?’ vraagt Thomas, aan mij om me meer bij het gesprek te betrekken. Alarm, dit was precies de opening waar hij op heeft zitten wachten.
    ’Ik niet, maar Thijs is opgegroeid binnen een katholiek gezin.’ zeg ik zodat zijn aandacht weer op Thijs gevestigd is.
    ’Mijn ouders zijn katholiek, ik ben niet meer gelovig.’
    ’Niet meer?’ vraagt Thomas om verduidelijking.
    ’Ik heb niets tegen het geloof of gelovigen, ik heb alleen gekozen om alle last waar ik mee opgezadeld werd niet mee te dragen.’ Ik kijk van Thomas naar Thijs en terug, enige trots kan ik niet onder drukken.
    ’Ik kan het me voorstellen’ zegt Thomas. Die had ik even niet zien aankomen.

    Ben zo terug – Bart

    lees verder 

  • Verliefdheid in gedachte

    ‘Mevrouw Jansen uw thee wordt koud.’
    ‘In New York dronk ik nooit thee, misschien een of twee keer. Ina dronk vaak thee, veel thee met veel suiker. Na een avond dansen dronken we wel eens thee, Dat was goed tegen de kater zei ze altijd. „Hier meid neem maar lekker een kop thee met wat suiker daar gaat de kater van over.”
    ‘Ik denk dat ik hem voor het eerst heb leren kennen op een avond dat ik met haar mee ging. Waar het was weet ik niet meer precies. Ik denk een van de dansgelegenheden. Hij was een jaar of twintig, ik net negentien. Of was ik net twintig?’
    ‘Zou ik even bij u komen zitten mevrouw Jansen?’
    ‘Uhm. O, ja doe maar lieverd.’
    ‘Heeft u het weer over uw ontmoeting met de geheimzinnige man?’
    ‘Hij heette Peter, Peter Wellis. Ik zag hem voor het eerst vanaf het eerste perron, in een hoek van het park. Hij stond een sigaret te roken dat deden de meeste mannen toen nog. Ik heb hem nooit meer gezien.’
    ‘Ik dacht dat het uw grote liefde was?’
    ‘Doe niet zo mal kind, ik heb hem maar een keer gezien.’
    ‘Hoe weet u dan zijn naam?’
    ‘Ina vertelde het mij. Ja die was bij mij die avond, zij heeft het mij verteld… Grote liefde’ Een glimlach speelt rond haar mond ‘Grote liefdes horen bij tieners en literatuur die passen niet in de werkelijkheid daar is de werkelijkheid te wreed voor… waar hadden wij het ook alweer over?’
    ‘U was aan het vertellen over Peter Wellis’
    ‘Wie zegt u?’
    ‘Peter Wellis.’
    ‘Ik was even alleen, waarom precies weet ik niet meer. Ik denk dat Ina even naar de WC was. Peter was een verlegen type, hij was met een groep vrienden waarbij hij steeds wat op de achtergrond bleef.‘

    ‘Peter Wellis, die heeft u toch ontmoet in Amerika?’
    ‘Amerika, New York, toen ik later nog eens terug kwam in de stad, was hij verdwenen, niet Peter maar de stad. De stad die ik zo goed kende was volledig verdwenen. Niets deed meer herinneren aan de periode die ik hier had door gebracht. De eens zo majestueuze gebouwen en dansgelegenheden waren vervallen en de sfeer, de sfeer die we toen maakten met elkaar. De adem die liet zien dat je met weinig een heel eind kan komen. Hoewel de werkeloosheid hoogtij vierde werd er gedanst, gezongen en het leven gevierd.’
    ‘Was Peter Wellis geen acteur?’
    ‘Ik wil eigenlijk wel weer terug naar huis nu. Ik vond het heel gezellig om met je gekletst te hebben’ ze stond op en pakte haar handtas. ‘maar ik moet nu naar huis.’ Langzaam schuifelde ze naar de deur van haar kamer, met een hand hield ze de deurkruk vast. ‘Misschien zie ik je nog wel een keer’ ze zei het alsof ze de wereld aan haar voeten had, alle tijd had om me nog een keer te zien.
    ‘Je bent een lieve meid. Dag!’ ze draaide zich om en liep de deur uit. ‘Waar moet ik nu naartoe?’ mompelde ze terwijl ze de gang instapte.

    Ben zo terug – Bart

  • Gedichten #1

    Waterland
     
    De opgeworpen bescherming tegen zoute tranen
    De droogvallende vlakte, het waterland
    Het krijsen van vechtende meeuwen
    Vanaf deze bescherming kijk ik neer
    Met het weg ebbende water wil ik verdwijnen
    De bescherming tegen het zeer
     

     
    #11435
     
    Afwezigheid, een spel van dag en nacht
    door bladeren in schaduw en licht
    zoals ik daar zat en aan hem dacht
    mompel ik het twintigste gedicht
     
    het spreekt van liefde, passie, hartzeer
    een vergulde toekomst weggenomen
    volledig verlaten door mijn eer
    niet eerder zag ik een ander komen
     
    gespiegeld lichaam, het zelfde leven
    van ver zag ik hem naderen
    mooier dan de woorden die zijn geschreven
     
    applaus van regen op de bladeren
    voor de stille liefde bedreven
    een nieuwe moed stroomt door mijn aderen
     

     
    De Maan
     
    Een witte zon verlicht de nachtelijke hemel, een stad in beweging.
    Hij bleekt met zijn stralen het kleurige bestaan.
    Begeleid de nachtelijke brakers, en streelt de liefde die pas ontluikt.
    Hij beziet alles zonder gêne.
    Een geile verovering, dronken man, een verloren schoen.
    Zijn even beeld zou blozen bij het schijnen op deze wereld.
     

    Ben zo terug – Bart

  • Lieve jonge Marco, (Beschreven boeken)

    Pareltjes zweet lopen langs mijn voorhoofd, het is warm. Heet, is een beter woord. Tegen beter weten in ben ik naar het dorpje gegaan. Door de hoofdstraat lopend, onder de luifels door om in de schaduw te blijven, kom ik langs een boekhandel. Het is koel in de winkel, de grote hoeveelheid boeken houdt mij voorlopig wel even bezig. Voorin de winkel staan de boeken die nieuw zijn, het is maar een klein gedeelte maar alles lijkt er te staan. Het is maar een kwart van de winkel, alles wat na dit gedeelte staat is tweedehands. Achter in de winkel is aan de linker kant een trap die naar boven gaat en aan de rechterkant een trap naar beneden. De boeken die ik mee had om te lezen op vakantie zijn al uitgelezen, dus zoek ik iets wat ik op vakantie kan lezen en ik graag aan mijn collectie wil toevoegen.

    Bij tweedehands boeken geeft dat altijd een extra onstuimig gevoel van nieuwsgierigheid naar wat er te vinden is. Vooral in winkels waar je nog nooit geweest bent. Als eerste vind ik een versie van G. K. van het Reven van “Op weg naar het einde”. Een grijze kaft met een paarse band waarin diezelfde grijze letters STOA op staat. Op de titelpagina heeft iemand “einde” doorgestreept en “begin”, in licht schuine ballpoint letters, eronder geschreven. Daaronder staat al bijna even onleesbaar de datum. “Woensdag 24 Juni ‘64” met daaronder: “Oom Ernst”

    Dit is waarom ik van tweedehandsboekwinkels houd, Je weet nooit wat je vindt. De tekst van het boek is het zelfde als alle andere drukken, maar de toegevoegde verhalen van anderen, door kleine krabbels in een boek, maakt de verhalen alleen maar interessanter. Mijn hoofd slaat direct op hol. Allerlei vragen schieten, tijdens het lezen van de geschreven toevoeging, door mijn hoofd. Wie is oom Ernst? Wat is er op 24 juli? En waarom schrijf je het in een boek? En misschien wel de grootste vraag waarom maak je van de titel “Op weg naar het einde”, “Op weg naar het begin”.

    ‘Kunt u het vinden?’ De stem is die van de mevrouw die de boekhandel bestiert. Haar stem doet mij uit mijn overpeinzing opschrikken.

    ‘Ik kijk even, dank u’ Zeg ik. Ik laat mijn blik nog een maal over de pagina glijden.

    Op weg naar het einde

                                Begin

                          Woensdag 24 Juni ‘64

                             Oom Ernst  .

    Deze besluit ik mee te nemen, wie weet zit er een verhaal in. Het is een overpeinzing waard. Ik kijk nog wat verder in de winkel, de boven verdieping is gevuld met boeken over geloof, filosofie, niet echt de dingen waar ik nu naar op zoek ben. Beneden zijn het voornamelijk boeken over kunst, ook niet voor nu.

    De kast die de rechterwand van de winkel beslaat staat vol met romans en literatuur. Langzaam lees ik mijn weg door de titels en auteurs. Bij de B vind ik een bundel korte verhalen van Biesheuvel, “De weg naar het licht”. Ik ken een aantal van de korte verhalen maar de meeste heb ik nog nooit gelezen. Een echt vakantie boek. Verder de kast door, bij de M een boek van Geerten Meijsing. Het boek intrigeert mij, de rug is verkleurd door de zon en toch is maar een derde van het boek gelezen. Althans een derde van de rug heeft de sporen van een gelezen paperback. Als ik het open laat vallen op de laatst pagina waar het gelezen lijkt, zit tussen de twee pagina’s een opgevouwen notitie blaadje. De volgende pagina’s zijn nog stug, zoals de pagina’s van een nieuwe paperback. Wat is er gebeurd met de lezer? Waarom tot deze bladzijde en niet verder?

    Een meneer vraagt mij of hij er even langs mag. Ik doe een stap naar achter om hem er langs te laten en laat mijn blik nogmaals langs de pagina glijden en besluit het boek van Meijsing mee te nemen om te kijken wat de rede kan zijn dat het nooit is uitgelezen.

    Ik richt me weer tot de wand vol boeken. M, N, O, niet heel interessant P, Q, R, nog meer; van het Reve. Een roze kaft zo verkleurd tot bijna geel. Lieve Jongens. Een harde kaft, gebonden. Met de papieren omslag nog in zijn geheel om de met zwarte stof beklede kaft. Als ik het boek opensla groet me een gemêleerd roze/witte schudblad en een met vulpen geschreven tekst.

    Lieve jongen Marco,

    De intriges van de beschreven boeken. Nog voor ik verder kan lezen schieten mijn gedachtes naar mijn eigen boekenkast. Mijn beschreven boeken. Niets, is de eerste gedachte, geen enkel boek dat beschreven is. En dan… toch, The Rubaiyat of Omar Khayyam, de tekst: ‘Omdat je bijzonder bent.’ En dan een quote:

    “Je hoeft niet geweldig te zijn om te starten, maar je moet wel starten om geweldig te worden.” Mijn ogen stellen zich weer scherp.

    Lieve jongen Marco,                                                     26 mrt 1992

    Ze krijgen net zoveel spijt als al die uitgevers die Reve toen niet hebben aangedurfd. Dit geschenk als eerbetoon aan het genie dat ik wél heb gezien en waarvoor niets goed genoeg kan zijn.

    1000 Kussen

    Je …(de naam is onleesbaar.)

    Wat gebeurt er met mijn beschreven boeken? Als ze al worden weggebracht naar een tweedehands winkel waar ze wachten op een nieuwe eigenaar?

    Het is nu tweeëntwintig jaar geleden geschreven. Wat is er van Marco geworden? Wie is Marco? Een bekende schrijver? Of heeft hij na de genoemde afwijzing nooit meer een pen aangeraakt? De vragen tuimelen over elkaar in mijn hoofd. Allemaal wachten ze op een antwoord dat nooit zal komen, althans het echte antwoord zal nooit komen. Het weerhoudt mijn brein er niet van zelf antwoorden te maken.

    Het gezicht getekend, kijkend door de boeken in zijn kast. Er moet worden opgeruimd. Hij heeft besloten zijn tijd te besteedden aan een passie die hij nooit echt heeft gevolgd. De tijd is rijp, en hij heeft genoeg opzij gezet om met zijn partner naar Catalonië in het binnenland te emigreren. Niet alles kan mee en zodoende word zijn boekenkast geacht ook te worden na-gespit op onnodig-heden. De stapel aan de rechterkant gaat weg, op zoek naar een nieuwe eigenaar die er goed voor zal zorgen, Dat hoop je althans als je boeken weg doet die je liever niet kwijt wilt. De linker stapel word ingepakt in twee dozen die mee gaan.

    De “lieve jongens” ligt in het midden. Telkens als hij het in zijn handen houdt heeft het meer gewicht. De betekenis en de handgeschreven tekst maken het lastig om er afstand van te doen, maar het heeft hem er ook van weerhouden om het nog eens te proberen. Zittend op de grond tussen de stapels boeken die aan de ene kant moeten worden ingepakt en aan de andere kant moeten worden afgeleverd. Hoe meer hij heeft gekozen tussen de boeken hoe moeilijker het lijkt om het proces afteronden.

    Hoe meer hij over het boek voor zich na denkt des te meer krijgt hij er een hekel aan. Had ik het nooit gekregen… de gedachte was zinloos. Hij had het gekregen en was er gelukkig mee geweest. Maar een genie na jagen is niet te doen. Hoe meer hij de tekst had gelezen hoe meer hij had gezien dat het een kanttekening bij zijn schrijven was. Niet dat het slecht was, maar iemand die te bang is om fouten te maken, maakt uiteindelijk niets meer. Verstard door de angst. In zijn boosheid, was hij gaan staan. Het boek in zijn hand, het liefst verscheurde hij het. Verbrande hij de stukken, omdat de tekst zijn dubbelzinnigheid met de jaren bleef afgeven. Hij gooide het boek op de grond schoof er een deel van een grote stapel bovenop, zodat hij het niet meer hoefde te zien.

    ‘Ik ga even wandelen!’ zei hij toen hij de trap af kwam en bij de voordeur zijn jas aan trok.

    ‘Oké!’ riep een stem van achter in de tuin.

    Hij liep de straat uit links, de duinen in. Het helmgras werd zacht door de wind gestreeld. De warme avondzon trok steeds meer naar het water. De twintig minuten die het normaal nam om het lange pad af te lopen door de duinen, leek korter nu. Dat het boek nog steeds in zijn brein rondzweefde was wel duidelijk. De grote bruuske stappen die hij nam hadden hem zo snel naar het eind van het pad gebracht. Normaal gesproken stak hij de weg over om via de andere kant van de duinen weer terug te lopen. Dat had nu nog geen zin. Even twijfelde hij maar draaide zich resoluut om naar de strandopgang. Nam zijn schoenen een voor een van zijn voeten en stapte de zanderige strandopgang op.

    Zijn blond\grijze haren leken door de lichte windvlagen van de zwaartekracht te zijn ontdaan. De zoute zeelucht vulde zijn neusgaten, zijn tenen begroeven zichzelf in het zand.

    ‘Zo is het gegaan.’ Mompelde hij tegen de wind in, alsof de wind de enige was die het hoefde te horen. Hij herhaalde zich zelf en voegde toe:

    ‘Zo is het gegaan, zo is het geworden.’

    Zijn blauwe ogen volgde het zand bij zijn voeten vandaan, het water in, de branding door, tot aan de horizon daar waar de donkergrijze wolken, in het oranje licht van de ondergaande zon, het water kusten.

    ‘Morgen gaan we weg, om nooit meer terug te keren.’

    Ik sla het boek dicht, loop naar de kassa, reken af en loop de brandende zon weer in.

    Ben zo terug – Bart

  • Afspraak op centraal station

    Nog voor hij aan kwam, was hij al te laat. Het spoor leek hem tegen te werken. Het uren durende perron kwam eindelijk tot een eind. Om na korte tijd zich weer te vullen voor een volgende reis. De omgeving snel, vol emoties die hij in de tijd niet plaatsen kon. Zijn haast. Er werd gerend, gegild en omgeroepen. Tassen werden mee gesleept. Naast zijn oor, de gesproken litanieën van een ongekende taal. De stappen van een geremd persoon. Op het automatisch voort bewegend trap-transport. Kort zijn adem, een koffer blokkeert de voortgang. Tot de laatste tree. Als een kudde vrijgelaten, waaiert zij uiteen. De gehaaste stappen die hij zetten richten zich tot zijn gewenste plaats. Nog voor hij die bereiken kon trilde zijn telefoon. Een bericht van een gestrande reiziger.

    “Ik ben te laat, ik kom zo meteen.”

    Zijn stappen vertragen, er is nog tijd. Zijn ogen lezen de weerspiegelde haast die hij eerder in zijn borst kon voelen, nu is zij buiten zijn lichaam getreden. Hij kijkt naar haar, en leest haar in iedere persoon die hem in zijn voortgang voorbij streeft. Pas als hij zijn standplaats heeft gevonden is zijn haast niet meer. Zijn adem verstild en langzaam lijkt hij uit het publiek te verdwijnen, zijn ogen zijn alleen nog daar.

    Tikkende hakken, bonte jassen, schaterlach en damestas. Een man zit verstild te drinken, zijn pet is verschoven en zijn jas, scheef. Zijn schoenen hebben meer gelopen dan hij lijkt te hebben geleefd. Totaal van alle hectiek verlaten. De grote hal een uitgangspunt. Halve haantjes die elkaar daar ontmoeten, afscheidnemende geliefde alles in bedompte taal. Dan spreekt een stem vanuit de hemel en schept enige orde in dit heelal. Vluchtig, lopen er wat mensen. Opeens een duidelijke weg. Een grote rugtas stort ter aarde, zijn eigenaar zakt langs een pilaar ineen. Vermoeid door zijn gewichtig reizen, drinkt hij uit een oude fles wat water. Steunend op zijn wandelstok baant een oude man zijn weg. De glimlach laat zijn gezicht herleven, bij de aanblik van dit feest.

    Een groepje mannen, konijnenoren. Een steelse blik naar kont, borst of dij. Twee handen die zich verstrengelen ongebroken in de rij naar buiten, hordes mensen. Een eindeloze stroom. Of er steeds meer mensen gaan dan komen.

    Een nieuw bericht haalt hem uit zijn kijkende trance.

    “Ik ben daar over 10 minuten.”

    Ben zo terug – Bart

  • Alice en de kleine prins

    De grote groep mensen van de afdeling zetten zich zelf op beide benen en in de benen, naar de kantine. De computers brommend alleen achter latend. Wit en grijs, de industriële plafonds, het matglas dat de buitenwereld zover weg doet lijken en de constante eenzijdige gesprekken van de medewerkers. Telefonistes, telefonische verkopers, Sales: de “meiden van de verkoop” zo werd er door managers achter de kantoordeuren, met ruime bureaus en doorzichtige ruiten, over hen gesproken. Achteraan in de lijn Alice, alles behalve in Wonderland. Daar waar de rij, aan het einde van de gang linksaf sloeg liep Alice stil naar rechts. Het gebouw uit, linksaf het terrein af, de straat over een klein park in waar ze stil kon zitten en haar lunch kon eten.

    Uit haar tas haalde ze haar rode broodtrommel en een klein boekje, voorzichtig balanceerde ze het boekje op haar schoot terwijl ze haar broodtrommel opende en naast zich op het bankje zette.

    Haar collega’s hadden haar al meerdere keren gevraagd of ze niet samen met hen wilde eten. Alice had niet geweigerd maar gezegd ‘misschien een volgende keer.’ Niemand had verder gevraagd of geprobeerd er achter te komen waar Alice naar toe ging tijdens de pauzes die ze hadden. Er was simpelweg niet genoeg tijd om achter iemand aan te lopen. Wie dan ook.

    Met rechter hand pakte ze een boterham uit de broodtrommel en met haar linker opende ze het boekje op haar schoot en sloeg de bladzijden om tot ze bij hoofdstuk één aangekomen was en begon te lezen.

    “Toen ik een jaar of zes was, zag ik op een keer een prachtige plaat in een kinderboek over het oerwoud, dat ‘Ware Verhalen’ heette.”

    De bladeren aan de grote eik achter haar leken door de wind te worden gedwongen haar een ovatie te geven, vlak voor de wind helemaal ging liggen. Zonder er erg in te hebben at ze haar boterhammen en bleef ze rustig door lezen.

    ‘Mevrouw?’ een klein meisje met blonden haren tikte haar zacht tegen haar hand. ‘Mevrouw, dat boek dat u leest heb ik ook thuis, en mijn moeder zegt dat ze vanavond gaat beginnen. Waarom leest u een boek voor kinderen?’ Alice glimlachte, en sloot het boek met een vinger tussen de bladzijde.

    ‘Sommige grote mensen lezen moeilijke boeken omdat ze dat leuk vinden’ ze bedacht het antwoord tijdens het spreken. ‘en sommige mensen… lezen boeken omdat ze dingen willen leren.’

    ‘Maar dat vroeg ik niet.’ Zei het meisje terwijl ze haar armen over elkaar vouwden.

    ‘Dat klopt,’ zei Alice. ‘De meeste mensen volwassenen lezen boeken voor grote mensen, maar dat doen ze omdat ze volwassen zijn.’

    Het kleine meisje trok haar wenkbrauwen op en vroeg ‘Maar u bent toch ook volwassen?’

    ‘Ja dat klopt. En toch, lees ik kinderboeken. Ken je Alice in Wonderland?’ Het meisje knikte en liep naar de andere kant van het bankje om naast Alice te gaan zitten. ‘Alice valt in slaap en dan komt ze in een andere wereld, toch?’

    ‘Ja’ zei het kleine meisje en nogmaals ‘Ja, dat is zo.’

    ‘Alice komt in die wereld om dat de onze saai is en omdat ze zich verveeld. Daarom is het een leuk boek omdat ze allemaal gekke dingen mee maakt die in het echt niet zouden kunnen, toch?’

    ‘Ja, ik denk dat dat niet kan.’ Alice glimlachte.

    ‘Dus deze wereld is niet zo interessant als die in de kinderboekenwereld.’ Het kleine meisje keek naar de grond opende haar mond om iets te zeggen en sloot haar mond weer om daarna te vragen. ‘Waar gaat het verhaal van De Kleine Prins over?’

    ‘Over een kleine prins. Maar als ik nu al ga vertellen waar het over gaat is vanavond de verrassing weg.’

    ‘Kunt u het niet een klein stukje vertellen?’ Met hoopvolle ogen keek ze Alice aan.

    ‘Oké, een klein stukje dan. De Kleine Prins gaat over een prinsje van een andere planeet die op aarde komt en op een andere manier naar de wereld kijkt.’

    Even keek het meisje naar de eendjes die op het brood waren afgekomen, dat een oudere meneer voor hen had neer gegooid. ‘Net als jij’ zei ze, ‘jij bent een grootmens dat kinderboeken leest. Jij kijkt ook anders naar de wereld.’

    ‘Ik lees kinderboeken omdat ik in een kantoor werk dat grijze muren heeft en witte plafonds en matglazen ramen en omdat kinderboeken mij dat even laten vergeten en een beetje kleur terug brengen.’

    ‘Alice!’ een stem van de andere kant van het park riep en nogmaals. ‘Alice!’

    ‘O, mijn moeder’ zei het kleine meisje. ‘ik moet weg, doeg!’

    Nog tijdens het spreken stak Alice haar hand omhoog en keek haar naamgenoot na.

    Ben zo terug – Bart

  • Ben Zo Terug!