Categorie: Korte verhalen

  • Exorcisme

    Er was een soort hopeloosheid in haar blik. Ze staarde voor zich uit naar het zwarte scherm van de televisie. Ze zat verstild tussen de schoonmaakspullen die door de hele kamer verspreid lagen. Midden in de kamer stond de stofzuiger, op de eettafel een emmer, het doekje had ze nog in haar handen. Koud en nat. Haar vingers waren door het water rimpelig geworden, als die van een oude vrouw.

    Vol goede moed was ze ’s morgens begonnen. Zij had haar mouwen opgestroopt en de ramen open gezet. Het was zonnig buiten, de frisse ochtendlucht maakte haar wakkerder dan de kop zwarte koffie die ze naar binnen had geslurpt. Het had haar verhemelte verbrandt. De blaar was bijna onmiddellijk opengesprongen en nu zat daar een draadje van het verbrande vlees, waar ze steeds met haar tong langs schuurde.

    De keuken was haar eerste uitdaging van de dag. Een play-list draaide op de pc die ze via draadloze boxen door het hele huis kon horen. In haar manie had ze alle kastjes één voor één leeg gehaald, uitgesopt en alles gerangschikt weer terug geplaatst. Toen ze klaar was met de kasjes waren de koelkast en de vriezer aan de beurt. Tijdens het ontdooien van de vriezer had zij de vloer gedaan.

    Toen ze de stofzuiger in de kamer zette kwam een besnorde dame haar gedachte binnen wandelen. De twee enorme roze oorbellen komen onder de donkere haren vandaan. Een roze topje over een leren rokje en daaronder de in panty’s gestoken benen. Het is pas als haar gehoor de tekst registreert; “I Want to break free” dat op haar serieuze gezicht een glimlach doorbreekt. Freddie Mercury!

    De ramen in de kamer waren het volgende project. Het witte licht schitterde in het water. De zeem piepte langs het schilderwerk terwijl Yann Tiersen een zwart-witte wereld met een Frans accent bezong. Gedachteloos haalde zij de stofzuiger langs de bank. De piano vulde haar hoofd, geen van de woorden vulde het plaatje aan. Haar handen vielen stil. Haar gedachte werd blank. Een bewustwording van haar situatie zette zich vast in haar hoofd, het verlamde haar. Ze plofte neer op de bank, met een lege blik keek ze de ruimte rond.

    ‘Dit is het voor nu.’ was het enige dat zij kon denken. ‘Nu ben ik hier, schoonmaken en opruimen dat is het … wat moet ik nu. ’ De verlamming van wat er nieuw zou komen, van wat dat betekende, had bezit genomen van haar brein. Na een halfuur kon ze de cirkel van haar gedachte doorbreken. Ze keek de kamer rond. Een rauwe damesstem galmde door de kamer. “Nobody told me there’d be days like these” en “It’s the salt that stings” Ze gooide het doekje van een afstand in de emmer en met vernieuwde overtuiging zette zij het werk voort. Zich van de viezigheid ontdoen.

    Ben zo terug – Bart

  • Afspraak met een verhaal

    Een meeuw zweeft tegen de wind in. Als ik dichterbij kom, glijdt hij langzaam omhoog door een kleine aanpassing van zijn vleugels. Het eindeloze droog gevallen wad wordt bevolkt door steltlopers en meeuwen allemaal opzoek naar hun maaltijd. Van het kleine beetje helmgras dat tussen het basalt doorgroeit is alleen nog een zielig hoopje geelbruine sprietjes over. Door de stroming is in een bocht in de dijk een strandje ontstaan. Het ligt bezaaid met schelpen en stenen, met flessen en stukken touw die, naar ik aan neem, overboord zijn geslagen in stevige wind of storm.
    Een nummerbord tikt tegen het basalt. Het werd rechtop gehouden door een tak.
    ‘Hoe kom jij nou hier terecht?’ ik zeg het zonder er bij na te denken.
    ‘Het scheelde niet veel,’ zei hij ‘zie je die snee; een boegschroef had me bijna in tweeën gescheurd!’
    ‘Ben je daarom zo verbogen?’ vroeg ik verbaast’
    ‘Nee dat is een heel ander verhaal’.
    ‘Waar kom je vandaan?’ ik zakte door mijn knieën om hem beter te bekijken.
    ‘Mijn eerste herinnering…’ zijn stem zonk weg in de wind. Nadat hij wat had nagedacht zei hij: ‘Ik herinner mij het eindeloos rondrijden. Ik was het bord achterop een brommer. De zoette warmte van een eindeloze zomer.’ Hij zuchtte. ‘Het was een paar jaar later toen de brommer werd ingeruild. Een ongeluk had hem onbruikbaar achter gelaten. Ik verdween tussen het schroot in een wild overgroeide tuin. Het moet een jaar later zijn geweest toen de schroeven zo verroest waren dat ze afbraken en ik op de grond viel.’
    Ik ging zitten op het zwarte basalt.
    ‘Nog geen week later stak er een sterke wind op en even werd ik voorzichtig opgetild. Maar hij was niet sterk genoeg om mij ver te dragen. Nóg een windvlaag kwam en tilde mij hoog de lucht in. Zo’n tweehonderd meter. Daar bleef ik hangen, hoog boven de grond aan een dunne boomtak.’ De wind tikte het metaal tegen de stenen en de tak.
    ‘Hoe lang bleef je daar hangen?’ zei ik fluisterend.
    ‘Een dag of twee. Het was het seizoen van de stormen. Een grote windhoos trok mij los van de tak. Het liet mij eindeloos rondwarrelen. Uiteindelijk viel ik in het water, de stroming voerde mij af. Zo dreef ik dagen lang tot een golf mij opslokte en langzaam naar de bodem liet zakken. Het was er koud en gitzwart. Tot ik, door een sterke zwaai van een walvisstaart, die diep wegdook voor een aankomend schip, omhoog werd gebracht.’
    Ik verschoof mijn voeten om comfortabeler te zitten.
    ‘Een jonge zeeman viste mij uit het water. Zo kwam ik aan boord. Hij maakte mij vast aan een van de netten die de grote houten kratten op zijn plek hielden. Elke dag kwam hij even kijken of ik er nog wel was. Alsof ik iets belangrijks voor hem betekende. Het duurde even voor ik het begreep, maar hij wilde al zijn hele leven naar Amerika en ik was voor hem een representatie van dat land.’ Hij kuchte even en wees mij op de gele kluwe draden. Het stormde onderweg en het schuren van het hout langs de touwen liet er niet veel van over. Ik raakte los en de touwen hebben deze verdere reis met mij mee gemaakt.’ Even tikte de wind hem weer naar voren. Over de zwarte letters liep een diepe kras. “Dat moet door de schroef zijn gekomen” dacht ik bij mijzelf.
    ‘Eindelijk kwamen wij weer in de bewoonde wereld aan. Voor het schip de haven in mocht, werd alles door strenge mannen gecontroleerd. We moesten wachten op goedkeuring’.
    ‘Maar… hoe ben je hier gekomen?’ vroeg ik nogmaals.
    ‘O ja, ik heb het niet gered. Ik ben door één van de andere mensen, toen zij het dek aan het schoonmaken waren over boord gespoeld. Zó belande ik weer in het water.’ In zijn stem klonk verdriet door, alsof hij het land had willen verkennen.
    ‘Ik ben na maanden ronddrijven in een stroming terecht gekomen. In die tussentijd waren er genoeg zeedieren die nieuwsgierig waren en een hapje probeerde om mij daarna snel weer los te laten. Al spelende, namen de dolfijnen mij voor honderden mijlen mee. Uiteindelijk lieten zij mij en zwommen met een boot mee, een andere richting op.’ Hij verschoof zich even en vond een stevigere plaats.
    ‘Pas na een jaar kwam ik weer in de buurt van een schip. Ik was gedeukt, Lichamelijk én geestelijk, tijdens het avontuur op de boot. Maar déze aanvaring was iets dichterbij… Het was een schip dat zo groot was, dat het drie schroeven had die constant draaide. Ik werd de diepte ingezogen. Het water werd met enorme kracht naar achter geduwd. Ik raakte de schroef nauwelijks. En toch is dit het resultaat.’ Zei hij verdrietig. ‘De kracht waarmee het schip door het water ging maakte ook dat er een zuigende werking vanuit ging, die mij meevoerde op zijn reis’. Hij zuchtte en een sterke windvlaag liet hem opnieuw tegen de stenen tikken. Even verschoof de tak en leek het of hij zijn reis verder zou vervolgen voor ik het einde van zijn verhaal zou horen.
    ‘Er kwam weer land in zicht. Het was lang geleden dat ik wist wat “droog-zijn” was. De natuur wilde echter anders. Voor ik dát gevoel goed en wel kon omarmen, stak er een nieuwe storm op. De wind trok mij los van het zand en tilde mij weer op. Zó ver de lucht in dat ik dacht nooit meer beneden te komen.’ Stilte! De wind suisde langs mijn oren. Ik kon het mij haast niet voorstellen dat er zoiets kon gebeuren.
    ‘Maar goed, ik kwam wel beneden… hier. Niet aan land maar tussen dat eiland daar en dit land. Het getij trok mij mee deze kant op en liet mij hier op het zand achter. De wind liet mij verder het land oprollen en …. nu ben ik hier.’
    ‘Wil je met mij mee?’ het leek een stomme vraag. ‘Ik bedoel… Ik kan je …’
    ‘Nee, ik blijf hier’ zijn stem klonk zeker ‘Ik heb nog zoveel te zien en deze wind blaast mij verder het land op.’
    ‘Er is verderop óók water’ zei ik onzeker.
    ‘Ik ben niet bang voor een klein beetje water!’ hij tikte verontwaardigt tegen de stenen. Hij lachte. ‘Laten wij dit afspreken. Als ik je weer zie zal ik van ver naar je roepen, jou het vervolg van mijn reis vertellen. Is dat een afspraak die je met mij wil maken?’
    Ik vermoedde hem nooit meer te zien maar het vooruitzicht was interessant. ‘Afspraak!’ zei ik.
    ‘Mooi. Tot ziens dan!’
    ‘Tot ziens’ zei ik terwijl ik opstond.

    Ben zo terug – Bart

  • Nieuws

    De houten vloer kraakte toen ik de eerste stap in de donkere gang zette. Een heldere stem kwam vanuit de slaap kamer ‘bent u daar?’. De gordijnen in de woonkamer waren nog gesloten. ‘Sorry dat ik zo laat ben’ ik zei het zonder er verder bij na te denken. Ik drukte het licht aan in de gang en opende de slaapkamer deur. ‘Goede morgen, heeft u lekker geslapen?’. Haar wenkbrauwen fronste naar mij; ‘sorry hoef je niet te zeggen.’ zei ze bits. De glimlach brak door haar gespeelde verontwaardiging. ‘Jullie hebben het al zo druk’. Een grande dame zat half rechtop in bed. De grijze haren hingen los langs haar gezicht en de wit-roze nachtjapon was zo’n twee maten te groot. ‘Maar ik heb goed geslapen hoor. Een wilde nacht, dat zie je wel’ zei ze wijzend op naar haar hoofd. ‘Ik heb er nog iets van proberen te maken…’ mompelend voegde zij er aan toe ‘vandaag en jonge broeder op bezoek’.

    Ik had haar naar de rand van het bed geholpen, waar ze nu zat met haar benen bungelend boven de vloer. ‘Douchen’ zei ze vanuit het niets en greep naar de bediening van het bed om deze te laten zakken. ‘wilt een stoel?’ ik vroeg het sarcastisch. ‘Ik ben geen tachtig!’ zei ze beledigt terwijl ze haar neus op trok. ‘Nee dat is waar, u bent in de negentig’. Ze pakte mijn arm en trok zich omhoog terwijl ze zei, ‘ik ben een dame’. ‘Daar heb ik zo mijn twijfels over…’ haar lach galmde door de gang. ‘loop eens een beetje door!’ zei ze ‘wie is hier wie nou aan het helpen?’ voegde ze er nog aan toe.

    Terug in de kamer na het douchen zat ze op een keukenstoel recht voor de televisie. Ik had de taak gekregen haar haren te kamen en op te steken. Ze zette de tv aan op het nieuws. Haar kleine kamer was aan één kant een want vol met boeken. Op het tafeltje bij haar luie stoel lag het laatste boek van Arthur Japin open op een stapeltje met Per Olov Enquist en Ingrid Jonker. Het nieuws opende met een aanslag in Amerika. Achtenvijftig doden en meer dan tweehonderd gewonden. De monotone toon van de nieuwslezer verraadde op de één of andere manier meer van zijn emoties dan de bedoeling was. Nog voor het nieuws verder ging zette zij het af. Haar schouders hangend en haar hoofd gebogen.

    Een traan rolde over haar wang toen zij haar hoofd hief. ‘Ik ben vaak bang weet u?!’ het klonk bijna kinderlijk. Opeens was ik de volwassene, moest ik de vragen beantwoorden. ‘Hoe moet het verder?’ vroeg ze. ‘Ik denk dat we worden opgehitst door mensen die nog banger zijn dan wij…’ mijn stem stopte, teveel gedachtes zonder enig antwoord. ‘Aan het eind van de tweede wereldoorlog werd er op een zelfde manier door de Duitsers op mensen geschoten op de Dam. Dat was aan het einde van een oorlog. Een spasme, een nawee. De oorlog moet nu nog beginnen’.

    Ben zo terug – Bart

     

  • Verwachting

    Het moet een uur of tien zijn geweest toen ik mijn lange jas aandeed de sjaal om mijn hals hing en de hoed op zette om samen met Thé richting het ziekenhuis te gaan. Door de koude lucht leek mijn warme adem, als grote stoomwolken uit een locomotief, door mijn neus naar buiten te komen. De afspraak was met een vrouwenarts. We waren al een poos bezig om na onze huwelijkse gelofte een gezin te stichten, zonder enig resultaat.
    Een kennis had ons gewezen op een arts die mensen, waarbij het verwekken van een kind maar niet wilde lukken, op weg hielp. Thé zat al in de auto, toen ik naast haar plaats nam zei ze met een zachte stem,
    ‘ik hoop dat het goed komt’. Haar donkerblonde krullen schitterde in de nog laag hangende zon. De zenuwen waren van haar gezicht af te lezen.
    ‘Ik denk niet dat wij ons zorgen hoeven te maken’, probeerde ik haar te overtuigen terwijl de zorgen die ik zelf had wegschoof. Het was een uur rijden, we spraken tijdens de rit naar het ziekenhuis nauwelijks. Haar handen omklemde de hengsels van haar handtas alsof het de laatste zekerheid was die ze nog had. De lederen handschoenen tegen de kou lagen op haar schoot, onder haar tas en de bruine wollen jas die zij half had open geknoopt. De heldere vrieskou gaf een eerste gevoel van de lente. Alles was door de dauw wit gekleurd en de wegen waren, op een enkele auto na, verlaten. Zeker een minuut of twintig voor dat we aankwamen doemde het ziekenhuis boven de leegte van de met wit bedekte velden. Het gebouw was log, groots en onvriendelijk, hier zaten de artsen die mensen hielpen, de slimmeriken die mensen genazen, de knappe koppen die elke ziekte onderzochten en probeerde een medicijn te maken die het tegen zou gaan. Toen ik omkeek om te zien waar Thé bleef, zag ik haar verloren naast de auto staan. Een seconde, een diepe ademteug en ze zette een voorzichtige stap in mijn richting.
    ‘Gaat het?’ ik vroeg het zo nonchalant mogelijk.
    ‘Ja ik…’, haar stem dwaalde weg en ze keek me met een lach aan. ‘Ik moest even… ik ben klaar’ Niet heel overtuigend maar ik liet het er bij. De wachtkamer bleek stil. Niemand had blijkbaar het zelfde probleem als wij. De stem van de arts klonk en noemde onze naam. Zijn kantoor was een ode aan zijn studentenjaren, de diploma’s aan de want gaven blijk van zijn autoriteit. Verder was alles licht en groot, grote ramen, grote kasten met boeken en een groot bureau. Hij had de eerste keer gezegd; dat er waarschijnlijk niets aan de hand was. De afspraak die was gemaakt om de resultaten van de tests te bespreken was een vier tal weken na de eerste afspraak. En nu zaten wij hier. In het zelfde kantoor, met dezelfde arts, maar niet met dezelfde hautaine houding die hij bij de eerste afspraak had. Er was een soort vermoeidheid die ik niet volledig kon plaatsen. Hij keek eerst mij even aan voor hij zijn blik naar mijn vrouw keerde en toen naar de papieren voor zich op zijn bureau.

    Ben zo terug – Bart

  • 100 woorden augustus

    Elke dag een kort verhaaltje van honderd woorden gedurende de hele maand augustus.

    tot snel!

    Ben zo terug – Bart

  • Droom realiteit

    ‘Sluit de deur!’ klonk het vanuit de donkere ruimte. Alles aan hem was hoekig en scherp. Zijn dreunende basstem en zijn logge lichaam, zijn zwaar aangezette zwarte wenkbrauwen en zijn kolenscheppen van handen. De puntige wandelstok, die hij gebruikte om door zijn overvolle kamer te komen op weg naar het watercloset, beangstigde mij. Het leek op een mes dat de loper in de gang met kleine prikken probeerde te vermoorden. Hij was de enige die de badkamer en het closet mocht gebruiken, het was tegen over zijn kamer. Verder dan daar kwam hij niet, de kleine wereld van een negentigjarige. Ik zag hem haast nooit. Eén keer had ik hem met mijn moeder horen spreken. ‘Kinderen zijn lui en hebben geen respect’. De gang waar zijn kamer aan grensde, leek donkerder dan de rest van het huis. Heel soms kon ik hem door zijn kamer horen lopen. Het was nog zeldzamer om geluid uit zijn kamer te horen komen. Zo ver ik mij kon herinneren was het maar een handvol keren gebeurd dat ik muziek had gehoord. Een klassiek pianostuk was het enige wat ik me kon herinneren. Eén van de lichtste soorten. De toetsen nauwelijks aangeraakt, daardoor des te pijnlijker.

    ’s Nachts droomde ik van de man die ons huis onder een permanente deken van stilte legde. Ik wilde niet graag alleen in het huis zijn met de oude man. Toch gebeurde dat zo af en toe als mijn beide ouders waren uitgenodigd voor een feest. Ik bleef wakker tot ik de stemmen van mijn vader en moeder, onderaan de trap te horen waren. Toen ik jonger was lag in dat wakker blijven de uitdaging. Vaak was de slaap sterker. Ik droomde van de grote man, die stil zijn ronde door het huis maakte als niemand hem zag.

    Zijn donkere basstem klonk naast mijn oor, haast onhoorbaar. Onderaan de trap bij de voordeur klonk gestommel. Voor ik uit mijn bed kon stappen bracht hij zijn wijsvinger naar zijn getuite lippen en gebaarde mij mee te komen. In volledige stilte klom ik uit mijn bed. ‘Kom’ zei hij zacht ‘mijn kamer’. We slopen samen van de wenteltrap naar de eerste verdieping. Het gestommel beneden had zich naar de keuken verplaatst. Over de overloop richting de gang waar zijn kamer zich bevond. De voetstappen werden duidelijker. Een stem fluisterde: ‘Doe voorzichtig als je naar boven loopt’.

    De geur van rotte eieren klom voor de binnen sluipers uit. Voorzichtig sloot hij de deur. Ik had niet gedacht dat hij zo stil kon zijn met zo’n log lichaam. Ik probeerde een betere omschrijving te bedenken voor de geur die ik boven aan de trap had geroken. Zwavel of gas.

    Zijn kamer was gevuld met een goudkleurig licht, de blokken hout in de openhaard smeulde nog en gaven een oranjerode gloed. De kamer was gevuld met spullen. Twee grote werkbanken die zich door de gehele ruimte uitstrekte. Glazen flessen, vijzel en branders, oliën en potjes met poeders. De wanden waren bekleed met grote boekenkasten. Het rook er naar pepermunt en lavendel en leer. De twee kaarsen die brandde leken twee keer zoveel licht af te geven dan een normale kaars. Hij liet de kaars bij de deur aan, terwijl wij verder het vertrek in liepen. Zo ver mogelijk bij de deur vandaan. De kaars het dichtste bij ons doofde hij tussen zijn duim en wijsvinger.

    Tussen zijn vingers glom iets dat op zwart glas leek. ‘Dit is geen scheikunde’ siste hij tussen op elkaar geklemde kaken. Hij blies richting de deur en duwde mij achter zich. Er leek niets te gebeuren. Toen de deurkruk zich langzaam naar beneden bewoog liet hij het zwarte, glimmende glas vallen en trapte het met zijn hak kapot.

    De duisternis die door het felle kaarslicht verdreven was kwam terug in de kamer en door zijn zucht braken de zwarte wolken uiteen en verdeelde zich. Het zwart leek zwaarder; het licht van de kaars kon er nu maar moeilijk doorheen schijnen. ‘U bent niet welkom hier’ zijn zware stem was nog een octaaf gezakt en deed alles in de ruimte trillen. Vanachter zijn brede armen zag ik een lange slanke hand om de deur heen krullen. Een statig kort mannetje met een wandelstok kwam door de deur. Hij glimlachte. Zijn stem was hoog en ijzig. De zware geur kwam de kamer in rollen en sloeg met een slag de adem uit mijn longen. Een groene glinstering steeg langs de wanden omhoog. ‘Het is niet hier’ zei zijn zware stem, ‘er valt niets te vinden. Doorzoek alles maar’. Achter het kleine mannetje was een lijzige grijze figuur binnen gekomen. Zijn huid leek van was en licht doorzichtig. Weer blies hij. Deze keer harder. De deur die de lijzige figuur had vast gehouden sloeg uit zijn handen. ‘Ik heb liever dat u nu gaat!’ zijn toon was lichter en dwingender. Hij liet een oranje balletje vallen en trapte deze kapot. Nog voor hij iets kon doen klonk er een zware knal en viel er van alles over mij heen.

    ‘Ga maar lekker slapen’ zei zijn stem ‘morgen is het weer over’. Zijn hand streek over mijn hoofd, ‘het was maar een droom’.

    Ik voelde zijn warme hand langs mijn voorhoofd strijken toen ik mijn ogen weer wilde openen. ‘Opa’ zei ik toen ik de kracht had terug gevonden. ‘Lieverd sta je op, het ontbijt staat klaar’ mijn moeders ogen keken recht in die van mij. ‘Als je zin hebt kunnen we vanmiddag wel een wandeling maken door het bos. Misschien wil opa ook wel mee’. Het was de eerste keer dat ik mij herinnerde dat we samen iets gingen doen met opa…

     

    Ben zo terug – Bart

  • Boodschappen

    Terwijl zij de koffie in haar mandje legt kijkt ze naar de mensen om haar heen. Bij elke hoek kan zij het niet laten om toch alle kanten op te kijken. Je weet maar nooit. En steeds weer de teleurstelling. Haar handen doen de boodschappen, het is dat haar lijf mee moet, dus ook haar hoofd. Hoe dichter zij bij het einde van het pad komt, des te sneller haar handen de producten die ze nodig heeft grissen. Haar hoofd lijkt voor haar lichaam het pad uit te komen. Haar ogen vliegen van links naar rechts. Niets.

    Het volgende pad, eindeloze somberheid. Haar ogen staren naar het einde. Haar oren luisteren naar iedere stem, elk geluid. Terwijl haar handen in de rekken grijpen, wc-papier, inlegkruisjes en tampons, vanuit het niets een kinderstem. alles in haar lichaam moet zij aanspannen om niet toe te geven aan haar instinct. Zien. Aan het einde van het pad stopt haar lichaam met bewegen. Enkel haar hoofd…  van links naar rechts. Haar ogen nemen ieder detail in zich op, totdat ze het zeker weet. Dan keert de somberheid terug en sleept ze zich verder door de eindeloze paden.

     

    Ben zo terug – Bart

  • Om

    Vinnig tikkende naaldhakken lopen mij voorbij. Linksaf. Het overleven op de kinderkopjes. Aan de overkant van het water klinken luide stemmen in een samenzang, onverstaanbaar. Het licht is gehuld in grijze wolken. Een groepje studenten loopt mij tegemoet. Hun gesprek is te lezen in de lucht, met ieder woord een wolkje. Linksaf. Een zoete walm uit een patisserie overvalt mij. Ineens ben ik terug in Frankrijk. De latente warmte in mijn gedachte, vult mijn lichaam, dat even nog door de snijdende wind was afgepakt. Ik was jong, de zoete broodjes vulden mijn mond met speeksel. De zon was warm, de straat rustig en loom. Als een verwonderd kind had ik met mijn handen tegen de ruit staan kijken naar al dat zoets. De bakker was vanachter zijn toonbank gekomen om mij voor zijn etalage weg te jagen. Een schrale bierlucht vult mijn neus. Terug ben ik, terug in de straat vol drommende toeristen. Linksaf. Een koopman roept zijn waren om. Terug onder de grijze wolken in de snijdend koude wind. Een sterke windvlaag ontneemt mij even de adem. Zoals mij, als kleine jonge de adem werd ontnomen op het stormende strand. Mijn opa moest mij staande houden en trok mij mee door het rulle zand. Linksaf. Stilstand, geen beweging meer. Een groep Chinese toeristen waaiert uit de smalle deur van de bus. Voetje voor voetje, tergend langzaam sleep ik mij door de menigte. Dan ben ik weer waar ik begon.

    Ben zo terug – Bart

  • Glimlach

    De wind trekt, terwijl zij afwezig voor het graf van haar man staat, aan haar haren. Met haar ogen dicht staat ze te dromen. Fluisterzacht neuriet ze de melodie van: “Last night when we were young”. Kwaad rukt de wind de bladeren van de bomen, maar in complete stilte staat ze daar. Het weer heeft geen enkele invloed op haar. Opeens bewegen haar lippen alsof de tekst haar lichaam uit moet; “Ages ago, last night”. De ruisende lentebladeren vallen even stil terwijl ze verder neuriet. Haar gezicht is sereen en zoals door de grijze wolken de zon kan breken, breekt haar gezicht in een glimlach. Eén traan rolt over haar wang. De herinneringen steken nog steeds en toch kan zij lachen om de grapjes die hij gemaakt had of de ervaringen die zij met elkaar hadden gedeeld.
    Dan opent ze haar ogen en zakt door haar knieën. Met haar handen raapt ze de bladeren van het graf bijeen. Legt de stenen, die haar zoontje mee heeft genomen om bij papa neer te leggen, in een rechte lijn langs de steen. Ze was in gesprek met haar man, tijdens het recht leggen en het bijeen rapen. Als ze klaar is staat ze op en staart nog een ogenblik.
    Ze loopt terug naar het pad. Een oude vrouw zit op een bankje bij een grote beuk. Met ingehouden pas loopt ze naar het bankje en gaat naast de oude vrouw zitten. Ze zucht als ze naar de wild heen en weer zwiepende takken kijkt. ‘Het wordt makkelijker,’ zegt de oude vrouw, ‘het duurt alleen een tijdje.’ Ze kijkt de oude vrouw aan en knikt. ‘Het is een jaar geleden dat hij overleden is’ zegt ze ‘dat hoort bij het leven. Ik rouw niet meer. Het is de heimwee die hij achter heeft gelaten, de melancholie van zijn herinnering’. De oude vrouw knikt en glimlacht.

    Ben zo terug – Bart

  • Teun

    Ik mocht hier niet zijn, mijn vader had het mij verboden. Zonder enige rede. Dat was genoeg om tegen mijn vaders wil in, toch hier naar toe te gaan. Teun was zijn naam. Bleek, met donkerbruin haar en ingevallen ogen. Een jongetje dat veel ziek was. Soms dagen achter elkaar niet buiten kon spelen of helemaal niet instaat was zijn bed uit te komen. “Teun.” Ik fluisterde zijn naam vanachter de heg. “Teun.” Zijn ogen zochten naar de plaats waar mijn stem vandaan kwam. “Teun, Hier.” Ik stak mijn hand even boven de heg uit. Kort, maar lang genoeg om aan te geven waar ik was. Langzaam was hij naar de plaats in de heg gelopen waar wij altijd onderdoor kropen als we in het bosje achter de tuin bij zijn huis gingen spelen. We hadden ontdekt dat onder de liguster een holle ruimte was. Een hele dag zijn we bezig geweest om de ruimte vrij te maken zodat het onze schuilplaats werd. Een schuilplaats om weg te duiken voor ouders en voorbijgangers. We liepen samen naar de liguster en verdwenen onder de groene bladeren de holle ruimte in. Naast elkaar zaten wij op de droge harde aarde. “Waarom mogen wij niet meer met elkaar spelen?” Het moet zomer zijn geweest, de zoete geur van de bloesem hing in het hele bosje. “Ik ben in het ziekenhuis geweest.” Hij zei het terwijl zijn handen een trosje bloesem plukte en die één voor één van zijn bloemen ontdeed. “Ik…” zoekend naar wat de betekenis was van deze uitleg. “Ik begrijp je niet.” Hij was nu toch ook buiten, als je heel ziek bent moest hij daar toch zeker blijven? Met het stokje dat over bleef van de bloesem tekende hij in de droge aarde. “Ik mag van mijn vader niet meer bij je komen spelen.” Mijn ogen volgde zijn handeling. Hij zuchtte. De deur van zijn huis ging open en een paar voeten stapte naar buiten. “Ze hebben mij geprikt” Zijn ogen zakte weer naar de tekening in de grond. “Waarom mag ik dan niet meer bij je komen spelen? Heeft het iets te maken met die prik?” De voetstappen van zijn moeder klonken verder weg. Ze moest naar de zijkant van het huis zijn gelopen. Met zijn hand maakte hij de aarde weer plat en begon opnieuw te tekenen. “Ik weet het ook niet. Wij mogen niet meer in de kerk komen. Ik kon niet slapen gisteravond en ik hoorde vader zeggen dat het beter was om te verhuizen.” Mijn ogen werden rond van ongeloof. Verhuizen? “Dat allemaal voor een prik? Ik geloof je niet.”. “Teun!” de stem van zijn moeder klonk ongerust. Ze was al door de hele tuin heen gelopen. “Ik kom er aan mam! Ik moet gaan,” zei hij tegen mij terwijl hij zich omdraaide. “Maar… Teun.” Hij was al onder de struik vandaan. Ik hoorde hem onder de heg doorkruipen. “Teun, wat was je aan het doen?” Zijn moeders stem klonk steviger, gerustgesteld. Ik begreep niets van het verhaal en ik kon het aan niemand vragen. Mijn vader zou razend worden als ik het hem vroeg want dan begreep hij dat ik bij Teun was geweest. Ik keek naar de tekening in de grond. Aan wie kon ik vragen wat er aan de hand was? Terwijl ik op mijn knieën onder de liguster vandaan kroop bedacht ik opeens waar ik antwoorden vandaan zou kunnen krijgen. De voorganger. Die moest zeker weten wat er aan de hand was.

    Het was de volgende dag dat ik een kans kreeg om met de voorganger te praten. De dienst van die dag was gegaan over de barmhartige Samaritaan, wat gewoon goed mens betekende, bleek toen ik het hem vroeg. Mijn voornemen om de vragen te stellen die ik had, werden door deze dienst versterkt. De jongeren van de gemeente spraken na de dienst altijd met de voorganger. Hij was een statige grijze man die in mijn ogen al heel oud moest zijn geweest. Zijn naam was Albert. Hij vertelde over details die niet altijd in de bijbel stonden en sprak over de gebeurtenissen in de bijbel alsof hij er bij was geweest. wat mijn vermoeden over zijn leeftijd bevestigde. Hoe kon hij anders zoveel weten? In het gesprek met de rest van de kinderen vroeg ik hem of de barmhartige Samaritaan ook in God geloofde. Hij beantwoorde mijn vraag met de zin: “Heb je wel opgelet tijdens de dienst?” en keerde zich naar de groep. Ik liet wat andere vragen in de groep voorbij gaan zonder dat ik echt op de antwoorden wachtte. Na een paar minuten fluisterde ik voornamelijk tegen mijzelf. “Als hij niet gelovig was en hij wel goede dingen deed; kunnen mensen dan goede dingen doen die volgens ons geloof niet goed zijn?” De groep kinderen was stil gevallen. Ik was voor mijzelf de vraag aan het overdenken en had niet in de gaten gehad dat de groep naar mij zat te kijken. “Wat zei jij?” Zijn stem haalde mij uit mijn gedachte. “Sorry” zei ik niet begrijpend “wat is er aan de hand?” Ik keek verbaast de groep rond. De kinderen keken mij vol aan onbegrip. “Ik vroeg je wat je net zei.” Zijn stem was zachter geworden. Er sprak een soort medelijden uit, Medelijden met het kind dat niet begreep. “Als de barmhartige Samaritaan niet gelovig was maar wel goede dingen deed, kan het dan niet zo zijn dat mensen goede dingen doen die ons geloof niet goed vind?” Hij bleef even stil zitten. “Dit was het voor vandaag” zei hij tegen de andere kinderen. “Wil jij even blijven zitten Jacob?” Dit was mijn kans om hem te vragen wat ik wilde zonder dat de andere kinderen er bij waren. De laatste kinderen rende door de gang naar waar vaders en moeders op hen zaten te wachten. “Jacob?” zijn stem klonk ongeduldig. “Wat wilde je van mij weten. Wat bedoelde je nou eigenlijk met die vraag?” Hij stond op van de kleine stoel en richtte zich naar het raam. “Waarom mag iemand niet naar het ziekenhuis?” Ik had de vraag gesteld voor ik er verder over had na gedacht. Hij draaide zich om. “Wie zegt dat je niet naar het ziekenhuis mag?” De vraag was scherp; alsof hij het zelf in de gaten had veranderde zijn stem. “Iedereen die het nodig heeft mag naar het ziekenhuis.” “Wat is een reden om mensen weg te sturen bij de kerk?” Ik werd ongeduldig, en mijn voornemen om voorzichtig te zijn en geen namen te noemen, liet ik vallen “Teun en zijn ouders mogen niet meer in de kerk komen, waarom is dat?” Ik had het gezegd voor hij de kans had mijn vorige vraag te beantwoorden. “Ik mag van vader niet meer met hem spelen maar ik weet niet waarom en…” Hij was weer naast mij komen zitten en keek mij aan met een blik waaruit zijn treurigheid sprak. “Lieve Jacob soms zijn er mensen die niet luisteren naar de Heer, het is niet aan ons om hen te overtuigen van hun afvalligheid tegenover God. Het is de les die zij zelf moeten leren in de fouten die zei gemaakt hebben.” Mijn onbegrip over deze situatie werd alleen maar sterker. Was er dan niemand die mij een antwoord kon geven waarom dit allemaal gebeurde. “Ben je wel naar Teun toe gegaan, terwijl je vader het je verbood?” Ik staarde naar mijn schoenveters terwijl hij het vroeg. Hief mijn hoofd op en keek hem recht in zijn gezicht aan. “Ja!” De boosheid voedde mij, wat wilde hij doen? “Jacob je begrijpt toch wel dat het tegen de wil van God is als je niet doet wat je vader je gebiedt?” Ik kon alleen maar denken aan wat ik wilde, mijn beste vriend terug. God begrijpt toch wel dat je zonder vrienden niet kan. “Je vader zal erg teleurgesteld in je zijn als ik hem vertel dat je tegen zijn wil in, tóch naar Teun bent toe gegaan.” Mijn ogen werden groot. Ik kon niet geloven dat hij het aan mijn vader zou vertellen. “Maar Teun is mijn beste vriend, denkt u dat God het goed vindt als ik mijn beste vriend in de steek laat!” “Jacob je moet soms mensen laten gaan die niet bij jouw geloof passen. Teun komt wel terug als hij een goede gelovige is. Zijn ouders hebben de keuze gemaakt uit egoïsme. Daar moeten ze nu de consequenties van dragen.” Wat was er zo erg dat God de ouders, en Teun uit de kerk wilde verbannen. “Maar Teun is ziek die mag dus niet naar het ziekenhuis?” Hij stond op van de stoel en liep naar de deur, “Jacob dit gesprek is nu voorbij” opende deze en liep de gang in zonder de deur te sluiten.

    Ben zo terug – Bart