Categorie: Korte verhalen

  • Wandeling I

    Het is zeven graden. De zachte regen heeft alles doorweekt. Sommige verdorde bladeren zijn krom getrokken en liggen als kommetjes, vol regenwater, op het pad. Water zijpelt langs de rotsen. De met mos begroeide stammen zijn het enige heldere groen. In de verte staan wat donkere dennen. Tussen de gele, nog aan de bomen hangende, bladeren steken de rode van een andere af. Het pad is verworden tot een stroompje, naast het pad is een stroompje verworden tot een razende witte massa. Het geluid van het water en het druppen van de bladeren overstemt het zachte getwiet, gefluit en gekraai. Het is alsof het water het bos nog stiller heeft gemaakt. Alleen de stappen. Het geritsel van onze voeten tussen de bladeren. Maakt nog een ander geluid.

    Ben zo terug – Bart

  • De Droom

    De lucht was grauw en koud, de wind leek vanuit het niets te komen. Elk moment kon de stroming wijzigen. Van alles tot het niets. Volledig bol geblazen zeilen, een hoeslaken aan een lijn. Vol van avontuur vertrokken, in onverschrokken laarzen aan boord geklauterd. Nu op zee! Steeds meer zeilen, de rotsen breken het schuimende water, vijandig, op. En dan…. is er stilte. Een opening tussen de wolken. De ademloze oceaan, rusteloze drang en nieuwsgierigheid. Gaan we weer verder, opzoek naar… wat? Wij gaan weer verder.

    They told me
    not to worry
    but the boat
    sailed off the edge*

    *Tekst van Patrick Watson &Louis Nagy

    Ben zo terug – Bart

  • Aan denken!

    Zij keek wat ongelooflijk toen ik de deur binnenstapte. Haar fragiele lichaam voorovergebogen op de bank. Deze lag vol met paparassen. ‘Ik ben aan het uitzoeken!’ haar stem kraakte. Zij wees naar de papieren, de dozen naast haar waren tot de rand toe gevuld. Boekjes, blaadjes, foto’s en agenda’s. ‘Hier heeft niemand iets aan. Maar het zal toch uitgezocht moeten worden.’ Ze zuchtte en liet zich tegen de kussens van de bank aanzakken. ‘Ow’ ik zei het iets wat ontdaan van de hele rechtstreeksheid. ‘Waarom moet het weg?’

    ‘Stel dat er iets bewaard moet blijven! Als ik dood ben gooien zij het gewoon weg!’ Ik kon niet goed bedenken wat te zeggen. ‘Heeft u al iets gevonden om te bewaren?’ vroeg ik tenslotte. Ze wees met haar hand richting de salontafel. ‘Ik heb dingen die ik belangrijk vind. Wat een ander daarvan denkt weet ik niet.’ Zij keek naar mij alsof ze wilde zeggen heb jij geen antwoord. Zij sloot haar ogen. Haalde een aantal keer diep adem. Zij opende haar ogen, boog naar de stapel papieren en haalde er een klein blaadje tussenuit. 

    In diejen perelaar, daar zat van morgen vroeg een merelaar.
    ‘lijk carillon in doodstil uur, van blauwe nacht.
    Zó klankend zacht, zo blinkend puur
    en hij ving aan met zingen! En toen hij zong!!
    Het klaarde en klong en klinkte, als duuzend bellen

    ‘Dat heb ik geschreven!’ haar ogen glommen. Over de rand van haar bril keek ze mij aan. ‘Misschien kunnen anderen dit voor mij onthouden. Maar ik zou niet weten hoe ik dat voor elkaar zou kunnen krijgen’. 

    Ben zo terug – Bart

  • Inkt!

    Zittend aan zijn bureau met een lege witte pagina op het donkere hout. Toen de vulpen het papier raakte was de inkt opgedroogd. Een verwaarloosde verhalen stroom, dacht hij bij zichzelf, uitgedroogd.  Met een schone pen en nieuwe inkt ging hij zitten. Wat te schrijven, dacht hij. Wat te schrijven…?

    Ben zo terug – Bart

  • Twee Kanten

    Opeens was zijn blik kilometers verderop. Het kopje zakte scheef. De sterke, zwarte koffie schommelde in de mok en raakte de rand. ‘Toch Jan?’ klonk de stem. Het kopje werd recht tussen zijn vingers geschoven. Hij was weer terug in de woonkamer. ‘Ja’ klonk zijn zware stem. Hij had geen idee wat er gezegd werd. Even snel als hij terug was in de woonkamer was hij weer vertrokken. Ook de koffie zakte weer scheef. Deze keer was er niemand die hem terug riep. Een druppel waagde zich over de rand. Kleefde aan de zijkant en rolde daarna langzaam naar beneden.

    De kinderstemmen op het schoolplein roepen mij naar buiten. Langs het hertenparkje de weg over, weilanden door. Omhoog, de lucht in en  verder omhoog naar de wolken. “De geweldige ruimte,” zoals Marsman het noemde. ‘Toch Jan?’ vraagt mijn vrouw opeens. Wat, waar gaat het over? ‘Ja’ zeg ik maar. De koffiekop wordt weer recht tussen mijn vingers geduwd. De wind waait door mijn haren. Het land dat als puzzelstukjes in elkaar is gepast. Ieder zijn eigen stukje. Aan een slootkant zit een oudere heer te hengelen. Wat zou ik er voor geven om dáár nog een keer te zitten.

     

    Ben zo terug – Bart

     

  • (T)huis!

    Langzaam is dat thuis van toen, weer een huis geworden. Alles wat het maakte, een leven ingepakt in dozen. Boekenkast in de steek gelaten door de verhalen. Een tijdelijke verblijfplaats van karton. Langzaam losgeweekt van de bodem, ontworteld en ontheemd. Tussen de dagen, in het doolhof vol kartonnendozen, het nieuwe. Schilderen, schuren en vormen van dit huis naar een thuis. Het zíjn, wordt van de kamer afgepakt en aan een nieuwe geschonken. Opeens is daar het afscheid. Als een geest door lege kamers, om verderop opnieuw te beginnen.
    Alles is weer nieuw. Nieuwe geuren en geluiden, routes door het huis. Een avontuur in  een middernachtelijk thuis. Voetje voor voetje de trap af, opnieuw leren lopen. Geluid! De kachel, een tak tegen de ruit. Regen op het dakraam en het kraken van andere treden. Voor alles een plekje vinden, een indeling.
    Opnieuw verlieft op je spullen in dit nieuwe thuis.

     

    Ben zo terug – Bart

  • Kleinood

    Het rode marmer kreeg een aureool door het zonlicht dat op het hoofd van het figuur scheen. Zij had het gekregen, maar van wie kon zij zich niet meer herinneren. Even verstilde zij. Met haar delicate vingers pakte zij het van de vensterbank. Het was niet veel groter dan een vingerkootje. Het rood/zwart gemarmerde steen was koel. De kleine handen waren in elkaar gevouwen, het hoofd voorover gebogen. De vleugels kwamen boven het hoofd uit. “Een kleine engel” dacht zij. Een glimlach trok over haar gezicht. Ze zette het terug op de zelfde plaats. En opnieuw verscheen het aureool.

     

    Ben zo terug – Bart

  • Zomer op het dak

    ‘Dus de wereld is al veel te lang hetzelfde?’ zij keek naar de rode maan en knikte. ‘Wat gaan we daar aan doen?’ Het was nog warm van de dag. De wereld was stil geworden nadat de avond was gevallen. Nu de vogels hun plaatsen in de bomen hadden gevonden en de wind was stil gevallen, hadden de meeste mensen hun achtertuin verruild voor hun bed. De dakpannen waren nog warm van de dag tegen de blote huid van mijn benen aan, wat het ruwe van het steen iets aangenaams gaf.

    Hoe zij mijn leven binnen was gedrongen zou ik u niet kunnen vertellen. Opeens was zij er. Zoals sommige spullen ooit je leven binnen zijn gekomen en waar het lijkt of zij er altijd zijn geweest. Deze dagen leek het bijna een ijl-droom. Een ontzettende warmte die overal doorheen drong. Het was net of zij een gedeelte, een ruimte innam. Het was geen binnendringen alleen een kleine opstap die zij gebruikte om het dak op te komen. Een tweestapper die voor veel caravan-deuren staat. De laatste stap naar het dak was een grotere. Wat er op dat dak was? Een wereld om op neer te kijken, vertes om te overzien en de rest van de wereld, die de muren buiten sloten.

    ‘Ik kijk’ ze zei het achteloos alsof er niets meer was dat zij deed. Nu was het niet dichtbij maar de verdere, wijde omgeving die zij bekeek. Ze keek vol verwondering.
    ‘Waar naar?’ vroeg ik zonder mijn blik van het rondzwaaiende licht van de vuurtoren te wijzigen. ‘Ik bedoel’, begon ik toen zij geen aanstalten maakte tot een antwoord. ‘Ik vind de afstand tot de wereld hier fijn’. Mijn antwoord had haar uit haar trans gehaald.

    Beneden liep een figuur onder de lantarenpalen door, van lichtbundel tot lichtbundel. In het midden verdween hij even uit het zicht totdat hij de volgende ‘spot’ inliep.
    ‘De mens’, zij focuste haar blik, ‘alleen maar zichtbaar en te zien als hij een spot gevonden heeft…’ zij viel stil en maakte haar beschrijving zacht af ‘ altijd opzoek naar gezien worden’. Even stopte zij, alsof er een gedachte zich in haar hoofd vormde die alles omver wierp. ‘Misschien heeft het veel meer te maken met zien…’
    ‘Dat zou best wel eens kunnen’.

    Ben zo terug – Bart

  • Zeus

    Er rommelt geluid vanuit de hemel. De stroom is uitgevallen en ik ben mij meer bewust van het einde van de dag dan ik normaal gesproken ben. Een lichtflits splijt tussen de wolken door. Even is het zwerk verlicht. Opnieuw het rommelende geluid. Ineens begrijp ik het onbegrip én de uitleg. Ik stel mij voor een weg van kinderkopjes. Het ratelen van het ijzerbeslag rond een houten wiel over de stenen. Zeus, in zijn strijdwagen, donderend over de wolken. De bliksemschicht in zijn hand, om in zijn razernij de wolken te laten wenen. De aandacht trekkend van het volk dat verkeerd heeft gedaan.
    De zwarte straat is verlicht, de storing gevonden. Zeus is weer vertrokken. Er is weer een klinisch, wetenschappelijke uitleg voor de bliksem en de donder.

    Ben zo terug – Bart

  • Tegenovergestelde

    ‘Ik ben vrouw en zwart. Wat ben jij?!’
    Wat onthutst kijk ik op van mijn boek. Ik weet niet precies wat er van mij wordt verwacht. ‘Mijn naam is Stephan?’ probeer ik. De trein is nagenoeg leeg. Een oudere dame zit verderop uit het raam te kijken, maar luistert naar ons gesprek.
    ‘Nee, ik bedoel identificeer jezelf’
    ‘Bent u van de politie?’, zeg ik met een glimlach. Haar gezicht blijft ongemakkelijk, zonder uitdrukking. ‘Ik lees een boek en maak aantekening in de marges?’ Ik houd mijn vulpotlood onhandig omhoog. Haar ogen richten zich op de pagina die opengeslagen voor mij op schoot ligt.
    ‘Wat lees je?’, een autoritaire ondertoon klonk door in haar stem. Er was niets grappigs hier. Ik hield het dicht geslagen boek omhoog.
    ‘The Human Stain van Philip Roth’

     Een donkere hand rijkt mij het boek aan. ‘Philip Roth hé? wat vind je er van?’ Het vulpotlood hangt nog tussen mijn verslapte vingers.
    ‘Dank u wel’ zeg ik zo verontschuldigend mogelijk, ‘het is een interessant boek’.
    ‘Lezer?’ vraagt ze.
    ‘Vanmorgen niet echt…’ ik glimlach. Zij glimlacht terug en trekt haar schouders op.
    ‘Het is vroeg en het geluid van de trein monotoon. Dat heb je wel eens.’ Er klinkt een gedempt geroesemoes. ‘Heb je de andere twee delen ook gelezen? American Pastorale en ik geloof dat die ander I Married a Communist heet’. Ik schud mijn hoofd en schrijf de titels op het schutblad.
    ‘Daar ga ik achteraan. Dank u. Wat bent u aan het lezen?’
    ‘Heb je wel eens James Baldwin gelezen?’, wederom moet ik ontkennen. ‘Ik zal je eerlijk vertellen ik lees veel maar ik had mijzelf er nooit de tijd voor gegund. Hier is nog een tip lees deze een keer.’ Zij houdt haar boek naar mij omhoog. Een geel/groene kaft met witte letters James Baldwin Go Tell It on the Mountain. Ik noteer de titel.
    ‘Verplichte literatuur!’
    ‘Vanmiddag even langs American Book Center’
    ‘Doe dat maar’ zegt zij lachend.

     Ben zo terug – Bart