Auteur: Bart

  • De Zoeker II (Een beetje fantasie)

     Toen Freyr zich losmaakte van zijn gesprek mijn vader had zich weer tussen de mensen begeven. Ik had mij niet van hem los kunnen maken. Pas toen hij zich omdraaide keek ik beschaamd van hem weg. ‘Cheiron zoon van Atréus’, zei hij. Zijn voetstappen waren nauwelijks hoorbaar. ‘De waanen?’, ik probeerde het met zekerheid te zeggen maar ik begreep de strekking er eigenlijk zelf ook niet van. ‘Dat komt later wel’ zei Freyr serieus. ‘Het boek van Helops is in jouw bezit?’, hij keek mij indringend aan. ‘Het is belangrijk dat je het leest. Heb je de toevoegingen van je grootvader gezien?’ ik had de aantekeningen gezien maar ik wilde eerst de originele tekst lezen. ‘Ik heb nog niet alles gelezen’. Freyr knikte. Zijn ogen doorboorde mij. ‘Luister goed’. Nog voor hij verder kon spreken vroeg ik hem; ‘Welk lijstje vroeg u naar? Muziek, kunst, leren en lezen’ voegde ik toe aan de vraag. ‘Het zit in jouw naam’ hij glimlachte ‘Griekse Mythologie’.  ‘Wat is een zoeker?’, ik had nog honderden vragen voor hem. ‘Dit heeft Helops mij in bewaring gegeven totdat hij er niet meer zou zijn. Mijn taak was het aan jou over te dragen’. Hij haalde een klein boekje tevoorschijn en gaf het aan mij. ‘Je bent meer dan een zoeker, maar dít is belangrijk voor nu’ en hij tikte met zijn vinger op de kaft. ‘Als je het gelezen hebt zal je het beter begrijpen’.  Zonder verder iets te zeggen liep hij weg. De deur uit, alsof hij er nooit was geweest. Ik was al begonnen was met lopen en keek nog naar de deur. Richting mijn vader en moeder die van de laatste mensen afscheid aan het nemen waren.

    Toen ik tegen haar opbotste en ik mijn gezicht van de deur afwendde, was haar neus een halve centimeter van de mijne. Ik had de oude dame helemaal nog niet gezien. Haar huid was groenbruin, haar ogen scherp van kleur, de linker blauw en de rechter groen beiden met gouden vlokken. Zij rook naar salie en wierook. ‘Sorry, mevrouw’ zei ik snel. Haar glimlach was breed. Ze schudde haar grijze haren. ‘Hier mijn jongen dit is voor jou. Het zal je helpen’. Zij hing een kettinkje om mijn nek met een klein medaillon. Het ovaalvormige zilver bevatte een abstracte vogelkop en op de rand twee slangen die in elkaar gekruld waren en elkaar in de staart beten. Op de achterkant was een oog gegrafeerd, zoals de ogen van Egyptische standbeeld. Ik keek op van het oog. ‘Draag het altijd!’, haar uitdrukking werd streng ‘Het is de hemelgod. Hij overziet… en beschermt je grootvader en jou’. Haar gezicht ontspande zich weer en de brede glimlach was weer terug. ‘Wij zullen elkaar weer zien. In de tussentijd, lees! Alles!’ Nog voor het in mij opkwam om haar naam te vragen liep zij de deur uit.  Zo verdween ook zij. De zaal was, op de oude buurvrouw na leeg, toen ik bij vader en moeder aankwam. Zij reed met ons mee naar het huis van Helops.

    Het leek ouder het huis. Alsof het al jaren leeg stond. Alles wat er nog was leek in versneld tempo te vergaan. Het had zo vol leven geleken de laatste keer.  Alsof er iets was doorbroken, alsof de werkelijkheid weer was ingetreden.

    Lees hier verder!

    Ben zo terug – Bart

     

     

  • De Zoeker I (Een beetje fantasie)

    Wat Helops bedoelde met zijn uitspraak ontdekte ik een week later. Ik had de hele middag in het hoge gras liggen lezen en het boek al dichtgeslagen. Terwijl ik op mijn buik lag was ik de tekst aan het overdenken, toen schoot het klavertje mij te binnen. Het zwarte leer voelde warm aan door de zon. De klaver! Weg! Geen spoor. Niet onder het boek, of er naast. In mijn haast het te vinden miste ik het hele symbolische moment. Niet het klavertje maar een kleintje, nog groeiend net naast mijn hand. Pas toen ik het op zou pakken merkte ik dat het nog groeide. Voorzichtig plukte ik het van zijn steeltje dat nog in de aarde vast zat. De vervangende klaver plaatste ik weer op dezelfde manier tussen de pagina’s.

    Helops overleed vrij snel nadat hij mij het boek had gegeven. De paar boeken die hij bezat kwamen bij mijn vader. De begrafenis was klein en van de paar mensen die er waren kende ik alleen mijn vader, moeder en een oude buurvrouw. Het weer was stemmig met de gebeurtenissen van de dag. De ceremonie werd geleid door mijn vader. De eerste die naar ons toekwam was een oude man. ‘Atréus zoon van Helops.’ Zijn stem was zwaar. ‘Kvasir heeft veel voor mij en mijn familie betekend. Ik moest hier wel aanwezig zijn.’ Hij schudde mijn vader de hand en keek naar mij, verwonderd, alsof hij probeerde meer te zien. ‘Dit is mijn zoon Cheiron’, zei mijn vader tegen de man. Naarmate de man langer naar mij keek, leek het of zijn ogen meer kleur kregen. ‘Freyr’, zei hij toen hij mij de hand schudde. ‘Geinteresseerd in muziek?’ vroeg hij mijn vader ‘Lezen, leren, kunst?’ ratelde hij een mij onbekend lijstje af. ‘Belangrijk voor een ziener’, zei hij in het algemeen. ‘Du sir’, zei hij en knikte naar mij voor hij verderop plaats nam tussen de andere. ‘Du sir?’ vroeg ik aan mijn vader. ‘U meneer of gewoon meneer’, het is Noors. Ik knikte. Er kwamen nog wat andere handen schudden en condoleren. Toen mocht ik vrij rondlopen. De motregen weerhield mij ervan naar buiten te gaan. Door de ongemakkelijkheid van de locatie, kon ik mijn plaats binnen niet vinden. Ik bleef op een afstand staan kijken naar Freyr die in gesprek was met twee andere mensen. Pas, nu er wat afstand was en mijn ongemak over hem wat wegzakte, kon ik hem goed bekijken. Hij was oud, misschien nog wel ouder dan Helops. Zó oud dat zijn lichaam bezig was geest te worden. Er was iets doorzichtigs aan hem. ‘Eén van de Waanen’ zei mijn vader toen hij mij zag kijken. Hij bleef naast mij staan en legde zijn hand op mijn hoofd. Hij voelde zwaar alsof hij steun zocht voor zijn verdriet. Ik had mijn interesse. Niet dat ik het niet verdrietig vond dat mijn opa helops er niet meer was, maar… oude mensen gaan nu eenmaal dood.

    Verder lezen

    Ben zo terug – Bart

  • Helops (een beetje fantasie)

    Helops, was zijn naam. Zo groot als een reus en sterk als een paard, tenminste dat is mijn herinnering. Dat, terwijl hij zo oud was als de wereld, ook in mijn gedachten. Hij was mijn opa die de hele wereld had gezien en de wildste verhalen vertelde over wat hij allemaal had mee gemaakt. ‘Grootspraak’, zei mijn vader altijd als hij weer eens verdwaald was in één van de vele zijwegen waaruit zijn verhalen waren opgebouwd. ‘Helops! Je maakt de jongen bang!’ had hij een keer gezegd. Ik schudde van niet en met zijn enorme hand wreef hij over mijn zwarte krullen. Als Helops bij ons in huis was werd er gelachen, gegeten, gedronken en het aller belangrijkste… er werden verhalen verteld. Het was altijd hetzelfde op die laatste keer na.
    ‘Er zijn zaken die spelen’, begon hij met diep raspende stem ‘Belangrijke zaken die al decennia lang op de achtergrond verscholen zijn’.  Hij rook naar pijptabak en hout, het leer van zijn tas en het zoete kruidendrankje dat hij vaak dronk. Ik had hem nog nooit zo serieus gezien. Normaal speelde er een glans van pret in zijn ogen. Even zat hij in complete stilte. Alsof de woorden die hij ging zeggen nog moesten komen. ‘Het word tijd dat jij begint met de lessen die ik als kleine jongen heb gekregen van mijn grootvader. Nu heb je de tijd om te zoeken, zoals ik dat ook heb geleerd.’ Hij zuchtte diep en voor hij verder sprak pakte hij zijn pijp uit zijn borstzak. Stopte hem en zoog de vlam van de lucifer de pijp in. Er ontsnapte een wolk rook die de kamer vulde. ‘Je mag er met niemand over spreken’, begon hij. ‘Er komt nog meer maar dit is het eerste wat ik je ga geven.’ Van de grond pakte hij de zadeltas die hij altijd bij zich droeg. Uit de diepte haalde hij een boek tevoorschijn. Het boek was in zwartleer gebonden. De gouden letters waren er afgesleten en het leer dat van buiten zwart leek was in werkelijkheid donkerbruin geweest. De naam was nog zichtbaar Lucretius. Hij sloeg het boek open en in krullende letters stond te lezen “De Rerum Natura Libri Sex”, daaronder de auteur “Titus Lucretius Carus”. Bij het omslaan knisperde het papier dat zo dun was als rijstpapier.
    ‘Het lijkt wel een bijbel’, zei ik zonder er bij na te denken.
    Helops glimlachte en liet het boek tussen zijn handen dichtvallen. ‘Nog één’, zei hij en sloeg het open bij het schudblad. Op het blad lag een klavertje vier. Hij tikte met zijn vinger op het blad. ‘Wees niet bang om het kwijt te raken er zijn altijd nieuwe in de buurt’. Ik keek hem aan; ‘wat betekend dat?’ Weer glimlachte hij: ‘Ik weet de woorden, maar ik ken niet de betekenis ervan. Mijn grootvader zei hetzelfde tegen mij.’ Hij staarde door het raam naar buiten. ‘Misschien is het deze keer belangrijker… het jong is vele malen jonger dan ik was’, mompelde hij tegen zichzelf.

    Deel 2

    Ben zo terug – Bart

  • Zeus

    Er rommelt geluid vanuit de hemel. De stroom is uitgevallen en ik ben mij meer bewust van het einde van de dag dan ik normaal gesproken ben. Een lichtflits splijt tussen de wolken door. Even is het zwerk verlicht. Opnieuw het rommelende geluid. Ineens begrijp ik het onbegrip én de uitleg. Ik stel mij voor een weg van kinderkopjes. Het ratelen van het ijzerbeslag rond een houten wiel over de stenen. Zeus, in zijn strijdwagen, donderend over de wolken. De bliksemschicht in zijn hand, om in zijn razernij de wolken te laten wenen. De aandacht trekkend van het volk dat verkeerd heeft gedaan.
    De zwarte straat is verlicht, de storing gevonden. Zeus is weer vertrokken. Er is weer een klinisch, wetenschappelijke uitleg voor de bliksem en de donder.

    Ben zo terug – Bart

  • Tegenovergestelde

    ‘Ik ben vrouw en zwart. Wat ben jij?!’
    Wat onthutst kijk ik op van mijn boek. Ik weet niet precies wat er van mij wordt verwacht. ‘Mijn naam is Stephan?’ probeer ik. De trein is nagenoeg leeg. Een oudere dame zit verderop uit het raam te kijken, maar luistert naar ons gesprek.
    ‘Nee, ik bedoel identificeer jezelf’
    ‘Bent u van de politie?’, zeg ik met een glimlach. Haar gezicht blijft ongemakkelijk, zonder uitdrukking. ‘Ik lees een boek en maak aantekening in de marges?’ Ik houd mijn vulpotlood onhandig omhoog. Haar ogen richten zich op de pagina die opengeslagen voor mij op schoot ligt.
    ‘Wat lees je?’, een autoritaire ondertoon klonk door in haar stem. Er was niets grappigs hier. Ik hield het dicht geslagen boek omhoog.
    ‘The Human Stain van Philip Roth’

     Een donkere hand rijkt mij het boek aan. ‘Philip Roth hé? wat vind je er van?’ Het vulpotlood hangt nog tussen mijn verslapte vingers.
    ‘Dank u wel’ zeg ik zo verontschuldigend mogelijk, ‘het is een interessant boek’.
    ‘Lezer?’ vraagt ze.
    ‘Vanmorgen niet echt…’ ik glimlach. Zij glimlacht terug en trekt haar schouders op.
    ‘Het is vroeg en het geluid van de trein monotoon. Dat heb je wel eens.’ Er klinkt een gedempt geroesemoes. ‘Heb je de andere twee delen ook gelezen? American Pastorale en ik geloof dat die ander I Married a Communist heet’. Ik schud mijn hoofd en schrijf de titels op het schutblad.
    ‘Daar ga ik achteraan. Dank u. Wat bent u aan het lezen?’
    ‘Heb je wel eens James Baldwin gelezen?’, wederom moet ik ontkennen. ‘Ik zal je eerlijk vertellen ik lees veel maar ik had mijzelf er nooit de tijd voor gegund. Hier is nog een tip lees deze een keer.’ Zij houdt haar boek naar mij omhoog. Een geel/groene kaft met witte letters James Baldwin Go Tell It on the Mountain. Ik noteer de titel.
    ‘Verplichte literatuur!’
    ‘Vanmiddag even langs American Book Center’
    ‘Doe dat maar’ zegt zij lachend.

     Ben zo terug – Bart

     

  • De man op de foto

    ‘Amerika… New York’, begon zij. ‘Ja, toen ik later nog eens terug kwam in de stad, was hij verdwenen, niet Peter maar de stad.’ Peter was dat zijn naam? Ik had nog nooit van hem gehoord. In het verhaal van mijn oma was er geen naam, hij was “de man”, nooit een naam. ‘De stad die ik zo goed kende was volledig verdwenen. Niets deed mij meer herinneren aan de periode die ik daar had door gebracht. De eens zo majestueuze gebouwen en dansgelegenheden waren vervallen en de sfeer, de sfeer die wij toen maakten met elkaar. De adem die liet zien dat je met weinig, een heel eind kan komen. Hoewel de werkeloosheid hoogtij vierde werd er gedanst gezongen en het leven gevierd.’ Ik kon mijzelf niet bedwingen en stelde meteen nog een vraag. ‘Peter, was dat zijn naam?’ Haar hand roerde nogmaals met het lepeltje door haar kopje, zij tikte het twee keer tegen de rand en legde het op het schoteltje. Voorzichtig bracht zij het kopje naar haar mond en nam een slokje. ‘Ja…’ zei ze met het kopje nog in haar hand, ‘Peter, Peter Wellis.’ Haar stem verstomde langzaam en liet een leegte achter, die niet gevuld zou worden.

    Peter Wellis, ik liet de naam een aantal keer door mijn brein gaan. Het klonk bekent maar ik kon het niet grijpen. Als iets dat je zeker weet, maar ergens diep in een lade in je achterhoofd zoek is geraakt. Op de foto was een jonge man afgebeeld, de glans van zijn golvend haar dat achterover gekamd was verraadde iets van olie of Brylcreem. De hoge bandplooibroek en blouse, waren iets te ruim en de achteloze sigaret tussen zijn vingers, zorgt voor sierlijke rookkringels. Alles aan zijn uiterlijk schreeuwde lief, aandoenlijk bijna, alsof de foto geheel geplant is. Van de kleding en de halve sigaret tot zijn lachende gezicht. In zijn andere hand heeft hij een hoed, waarschijnlijk geënsceneerd, er is niets dat er op wijst dat hij deze ook daadwerkelijk gedragen heeft.

    ‘Ik had hem al zien binnen komen’ haar stem haalt mij uit mijn gedacht ‘hij was zo iemand die zichzelf onderdeel van de menigte kon maken. Maar ik had hem wel gezien.’ Haar ogen verraden een kinderlijke blijheid, alsof deze hun vader terug zien. ‘Hij was met een groep vrienden die duidelijk meer op hun gemak waren dan hij.’ Haar blik richtte zich naar de deur alsof hij elk moment binnen kon stappen.

     

    Ben zo terug – Bart

  • Opstaan en opnieuw beginnen

    Een stapel boeken staat naast haar stoel. Doorgespit op nieuwe woorden en zinnen. Brieven naar iedere uithoek van het land en elke functie die zij maar kon verzinnen. En toch is zij verloren. Verloren op de witte pagina’s, verloren in haar eigen vocabulaire en waar zij nú nog kan beginnen.

     Ben zo terug – Bart

  • Verhalenfabriek VI – Einde

    Lees hier het eerste deel

    Het was zaterdag en het kantoor was leeg, een extra werkdag die hij zelf had ingedeeld. In alle rust zat hij, starend naar zijn scherm, aan zijn werkplek. Even was hij niet bezig met de cijfers. Het beeld was wazig geworden, hij zat verzonken in gedachten.
    Zijn zoontje tot zijn knietjes in de zee bezig met schepje en emmertjes. Het water golfde zachtjes tegen het strand en een warme wind waaide. Hij kon het warme zand onder zijn voeten voelen. Een glimlach op zijn gezicht terwijl hij toekeek hoe zijn vrouw en kind een zandkasteel bouwde. Hij knipperde en nam een slok water. Cijfers, dacht hij bij zichzelf, daar kan ik straks een extra vakantie van opnemen.
    Terwijl hij weer aan het werk ging speelde een andere gedachte door zijn hoofd. De schaduwfiguur die hij een paar dagen terug in zijn glas had gezien. Een figuur had door het glas gekeken. Alsof het vanuit een andere ruimte daar naar binnen keek.

    De enorme ruimte was verstild, alleen het geluid van pennen die over het papier gingen. Door het glas zag hij de man, gebogen over zijn toetsenbord, verdiept in zijn werk. Hij keek naar zijn geschreven zinnen. Een beschrijving van een strandtafereel. Een beeld vol liefde! Zo resoluut als hij er aan begonnen was zo abrupt was het idee weer opgehouden. Een nieuwe gedachte drong zich aan. Hij legde zijn kin op het blad met zijn ogen recht voor het glas en keek naar de werkende man. Toen hij na een minuut zijn ogen sloot branden zij. Even hield hij hen gesloten en voelde het warme traanvocht opwellen. Toen hij ze opende keken twee ogen op de zelfde manier hem aan. Hij trok zijn hoofd naar achteren, raakte uit balans, greep de armleuningen en schopte zijn scheen met volle kracht tegen het blad, waar door hij niet achterover viel. Verdwaast knipperde hij nog een aantal keren met zijn ogen.

    Opeens waren de ogen weg. Een arm vloog door de lucht en de figuur leek buiten beeld te vallen. Nog geen seconde later kwam het hoofd weer dichterbij. Hij voelde zichzelf bij het glas vandaan bewegen. Alsof de figuur hem iets kon doen. Het duurde even voor hij werkelijk zag waar hij naar keek. Het was een verbogen beeld van zichzelf. Alsof hij in een lachspiegel keek. Hij bewoog nieuwsgierig richting het glas. En keek naar een weerspiegeling van zich zelf…

    De man uit het strandtafereel. Hij pakte zijn papier en las het nogmaals door.
    Zijn groene ogen straalde, een rust was over hem gekomen. Terwijl hij daar stond, keek hij naar de zee waar zijn zoontje bezig was met schepje en emmertjes. Het water golfde zacht tegen het strand en een warme wind waaide langs zijn ontblote bovenlijf. Hij voelde het warme zand onder zijn voeten. Een glimlach op zijn gezicht, terwijl hij toekeek hoe zijn vrouw en kind een zandkasteel bouwde. Het pure geluk dat hij voelde vervulde zijn hele lichaam.
    Terwijl hij het las hield hij het schuin bij het glas.

    Het hoofd draaide zich schuin weg en pakte iets buiten het beeld. Het papier dat hij bekeek was beschreven, maar het glas vertekende de letters zodanig dat het onmogelijk was om het te lezen. Hij kneep zijn ogen iets dicht om het beter te kunnen zien. Het hielp niets. Opnieuw bewoog het papier deze keer zo, dat de geschreven letters leesbaar werden. Hij begon te lezen en fluisterde, ‘Dit zijn mijn gedachte…’

    Ben zo terug – Bart

  • Verhalenfabriek V – Begin van een conclusie

    Lees hier deel 1

    Toen ik van het water opkeek liep een zwarte gedaante bij mij weg. Op mijn bureau lag een stapel wit papier. Ik begon weer te schrijven alsof er geen enkele andere reden voor mij was om hier te zijn.

     Amsterdam, maart 2017.
    Als je goed luistert kun je het horen in de wind. Een zachte stem die fluisterend door de bladeren ritselt. De warmte van de zon, geuren van de aarde en de vloeibaarheid van het water. Alles vertelt het verhaal van de wereld waarin wij leven. De mensen zijn zo gewend geraakt aan de omgeving dat zij, alles dat zich openbaart, niet meer kunnen waarnemen. Een eerste warme lentedag had mensen naar de grasvelden getrokken, naar parken in de steden of naar de aangelegde natuur.
    Zijn zwarte krullen werden door diezelfde wind gestreeld. Een glimlach speelde telkens over zijn gezicht. Aan de slapen grijzend. Met een bril van hoorn. Een dik boek op zijn schoot, dat hij zo nu en dan raadpleegde. De zware treurwilg, die zijn takken over de rand van de vijver liet hangen, kreunde diep toen een lichte windvlaag door de takken vloog. De zwartharige man trok, terwijl hij opstond, zijn vale lichtbruine colbertjasje recht en liep naar de overkant van de vijver. Waar naast de treurwilg een bankje stond. Hij had al enige tijd naar het kleine kind in de buggy zitten kijken. Toen het kind naar de wind gegrepen had en de boom zijn geluid gaf, had hij een zekerheid over zich gekregen. Er was nog iets dat hij wilde weten, wat hij niet van afstand kon bekijken. Net voordat hij bij het bankje aankwam, gilde het kind van plezier. ‘Zoals verwacht!’ dacht de donkerharige man bij zichzelf, ‘het lukt elke keer’.
    ‘Mag ik u iets geven?’ de ouders keken op. De man opende het boek en pakte iets tussen de vergeelde pagina’s vandaan. Hij liep om de wagen en keek recht in het gezicht van het kind. ‘Eén blauw en één groen,’ mompelde hij tegen zich zelf. ‘Ik wens u alle geluk’, zei de man en hij gaf de jonge vrouw een klavertje vier. ‘Voor het jonge kind’. Draaide zich om en wilde weglopen. Een sterke windvlaag hield hem tegen alsof het hem aan iets herinnerde. ‘En, hij raakt het kwijt’, zei de man ‘Dat is niet erg, maar zorg er in de tussentijd alstublieft goed voor”.

    Uit mijn ooghoek leek er beweging te zijn. Toen ik mijn focus op het glas richtte bewoog er een zwarte schaduw van het glas weg. Ik probeerde een beter zicht te krijgen en zette mijn kin op het blad om het glas van dichterbij te bekijken. Geen schaduw geen figuur, niets. Alleen het gele licht van de ondergaande zon.

    Lees hier deel VI

    Ben zo terug – Bart

  • Verhalenfabriek IV – Onzeker Bestaan

    Lees deel één hier

    …en sloeg het dossier dicht. Michael trok de bovenste la van het metalen bureau open, rommelde tussen de spullen en trok een sigaar uit het kistje. Achteroverleunend in zijn bureaustoel zuchtte hij; ‘Dat is voltooid’. Hij knipoogde naar zijn collega. Uit zijn zwarte colbertjasje haalde hij een aansteker tevoorschijn. Dikke rookwolken ontsnapte aan zijn lippen terwijl hij de sigaartip oranje liet opgloeien. ‘Bizarre zaak weer’, zei Stan. Regen tikte tegen de ruiten en een oranje gloed steeg op vanaf de straat. De zwarte lucht verraadde het late uur. ‘Laten we hopen dat het een tijdje rustig blijft op straat’ zei Michael. De rook bleef in de lampenkap boven hem hangen als een soort mist. In de verte hoorde hij de sirenes van een brandweer. Op het grijze linoleum klonken de kreunende voetstappen van Stan. Terwijl hij zijn jas aantrok zei hij; ‘Ik zie je morgen weer’. De voetstappen galmde …    

    Het papier op voor het einde van het verhaal. Geen lege pagina’s meer. Even was ik helemaal uit het verhaal dat ik aan het schrijven was. Het gele licht van de bureaulamp scheen over de handgeschreven tekst. Het was aardedonker om mij heen. Aan de rand van het licht kon ik nog net een tweede schrijftafel ontdekken. Links van mij was niets te zien. Het niets om mij heen, maakte nieuwsgierig. De lamp was gericht op het blad en kon ik niet bewegen. Voorzichtig stond ik op en liet mijn ogen wennen aan het duister. Ik meende papier op het tweede bureau te zien. De vloer leek net zo zwart als de wereld om mij heen, toen ik een voet verzette klonk het hart, als een voetstap op laminaat. Op het moment dat mijn hand het papier aanraakt gaat er ergens in de verte een lichtje aan. Het is bijna niet te onderscheiden van het donker. Met mijn hand nog op het papier, focus ik mijn ogen op de gele gloed. Er lijkt iets te bewegen. Ik probeer een zacht ‘hallo’, maar in de lege ruimte lijkt het geluid totaal weg te vallen.

    Met het papier in mijn hand loop ik terug naar het bureau en probeer te mij concentreren op wat ik aan het schrijven was. Het licht op het bureaublad naast mij gaat aan. Er zit iemand te schrijven. Ik heb niets gehoord, geen voetstappen, geen bewegen van de stoel en zéker niet iemand die gaat zitten. Eén voor één gaan de lichten aan. Overal zit iemand, gebogen over zijn werk. In eindeloze rijen staan dezelfde tafels met dezelfde stoelen, iedereen eenzelfde pen. Zover ik kan zien en nog iets verder. Een ruimte zonder muren. Als ik omhoog kijk, lijkt het licht op een gegeven moment op te houden en te vervagen tot eindeloos zwart. Ik kijk terug, er ligt een nieuwe stapel papier naast mij, een glas water…

    Lees deel 5 Hier

    Ben zo terug – Bart