Auteur: Bart

  • Regeltjes, regeltjes.

    ‘Dit is wat de regels zijn.’ Een bebrilde mevrouw kijk hem aan na het uitspreken van deze toch zo normaal lijkende zin.
    ‘de regels?’ de wenkbrauwen opgetrokken tot een boog. Zijn naam, Frans. Leraar maatschappijleer, begin 40, zijn bos zwarte krullen met hier en daar een grijze haar doen hem ouder lijken.
    ‘Ja, dat zijn de regels’ zegt de mevrouw achter de balie, bijna met een toon van excuses in haar stem. Het valt haar zelf ook op en omdat te compenseren voegt ze er bits aan toe ‘ik doe ook alleen maar wat mij gezegd word!’ Dat was nou juist de verkeerde toevoeging.
    ‘In ieder maatschappij zijn er mensen die onnodig werk doen simpelweg omdat hen dat word opgedragen. Denkt u dat de wetenschappers die bij het bedrijf Bayer in de tweede wereldoorlog de nagels van joodse mensen uit hun handen en voeten trokken dat deden omdat zij dachten dat de wetenschap daar iets mee opschoot?’ De mevrouw probeert iets van een antwoord. ‘Hier is misschien wel een betere vraag’ snijd zijn vervolg door de mevrouw haar stamelend begin van de zin heen ‘als u alleen maar doet wat u gezegd word lijkt het mij dat u, Eén)of weet wat daarvan de bedoeling is, of twee) dat het u echt geen reet kan schelen wat de bedoeling is zolang u maar uw geld krijgt. Laat ik er van uitgaan dat u onder de categorie mensen valt van de eerste categorie, u weet wat hiervan de bedoeling is. Hier is nog een gok, de bedoeling van dit hele infantiele pasjes systeem is om er voor te zorgen dat er geen Columbine achtige situaties kunnen ontstaan, niet dat dit het verzekerd omdat als er wel iemand met die ideeën deze school binnen stapt u de eerste bent die omver geschoten word. Iemand met een geweer kan uw hele pasjes-systeem werkelijk gestolen worden.
    ‘Genoeg!’ zegt de vrouw, de zwarte bril maakt haar gezicht streng, dictatoriaal bijna of beter nog een karikatuur. Niet een “de vrouw van” vrouw, maar haar man die het label “de man van” mag dragen. Een diepe zucht die door haar neus gaten de papieren op haar bureau laat bewegen ‘U kunt zich zonder pas niet aanmelden en mag dus ook niet naar binnen.’
    ‘Heeft u niet gehoord dat ik al binnen ben geweest? Mijn pasje ligt op mijn bureau. Ik ben dus al ingelogd.’ Frans draait zich om met de woorden ‘geeft u wel eens iemand anders gelijk?’ pakt zijn mobiel en belt naar zijn collega boven. Als hij zich weer omdraait in afwachting van zijn collega zegt hij tegen de vrouw ‘ik had gehoopt dat we dit in een discussie konden oplossen.’
    ‘Ja’ zegt de mevrouw achter de balie. ‘Ik weet het, ik ken u.’

    Ben zo terug – Bart

  • Een dagboek fragment

    19 september 1965

    Mijn beste vriend,

    Het is een poos geleden dat ik geschreven heb. Ik heb meerdere malen gepoogd mijn gedachten te vangen, om je hier van deel te kunnen laten maken. Echter is mij dit niet gelukt. Mijn vermoeden is dat dit onlosmakelijk is verbonden met de wereld waarin ik mij bevind. Die mijn brein bedwelmd. Het zijn de geuren van de stad. De zondigende bevolking, die zich verzamelt in deze buurt. De geur van schraal bier, van wiet, goedkope reukwateren. Geworpen schaduwen in rode lichten. Rijkelijk vloeit de alcohol, het bezoedeld de weldenkendheid en laat hen stappen in de val. Het zijn deze mensen die bedwelmd en onder invloed zijn. De constante geluiden. Ze zijn gebonden aan deze plaats, vast gelopen in de vrijheid die hen hier gevangen houdt. De esthetiek van de duivelse verleiding.

    Zoals dát de ene kant van de medaille beschrijft, is het aan de andere kant waar mijn wereld prijkt. Hoewel ik niet gevangen ben zoals zij, voel ik mij gevangen op een andere manier. Alles wat ik hier beschreven heb, houdt mij in zijn greep. Het fascineert mij. Hoe kan een mens blijven bestaan zonder dat zij aanwezig is. Wat bezield deze mensen, of juist niet? Ik schrijf het bestaan. De hoogmoed, een vervloekte kus. Gisternacht werd er voor mijn deur gevochten en vanmorgen lag er iemand voor mijn deur te slapen. Alles werkt op mij als een zich steeds verstikkender dwangbuis, die mij zowel onpasselijk maakt als wel intrigeert, waardoor ik zelf ook gevangen ben in deze wereld. En met de zondigen, die ik beschrijf, reis. Het is een project dat zich volledig meester van mij heeft gemaakt en er voor zorgt dat ik één met hen ben. Laat ik mij een kroniekschrijver van de zondigen noemen. Het bestaan lijkt mij alleen bestemt om te gebruiken voor mijn kunsten. Het beschrijven van een zó kleine wereld die mij de ruimte geeft voor grootse beelden.

    Het enige dat mij beangstigt is dat mijn zijn, zich zo diep in deze wereld heeft vast gezet dat het voor mij onmogelijk wordt nog afstand van deze wereld te nemen. Dat ik verslingerd ben geraakt aan het opiaat dat zo vast zit aan dat bestaan. Het is daarom dat ik steeds meer verlang naar de rust, ruimte, de mogelijkheid om mijzelf af te zonderen. Alleen te zijn met mijn gedachte. De geluiden van de natuur op te zoeken en mijzelf met deze te laten vullen. Om er voor te ervaren dat ik nog compleet ben. Geen deel van mijzelf verloren is gegaan. Het is daarom dat ik zo verlang naar het leven zoals dat buiten de dichtbevolkte stadsdelen zich afspeelt. Het is het soort verlangen dat mij haastig maakt mijn werk, waar ik nu mee bezig, ben zo spoedig mogelijk tot een einde te brengen. Opdat ik mijzelf aan dit verlangen kan geven.

    Ben zo terug – Bart

  • Gesprek Onderweg #2

    Dit het tweede deel van een eerdere blog. Hier kun je het eerste deel vinden.

    We liepen het perron af naar de uitgang. Van boven dalen we af de stad in. Thijs heeft zijn briefje alweer tevoorschijn gehaald. Onderaan de trap begint hij te zoeken naar een straatnaambordje. ‘Welke straat moeten we hebben?’ zeg ik als ik zijn schouder beetpak om zijn aandacht te trekken. Terwijl ik dit doe heeft hij al gevonden wat hij zocht en zegt tegen mij.

    ‘Die kant moeten we op. Als ik het goed heb kunnen we dan de eerste…’ hij kijk op zijn briefje en draait zijn hooft naar links dan naar rechts. ‘…misschien moeten we toch die andere kant op.’ Thijs kijkt weer op, kijkt de straat in en zegt dan uiteindelijk ‘We gaan toch eerst die kant op dat kruispunt is dichterbij dan weten we het direct.’ Bijna alles is gesloten rond dit uur dus is er niemand op straat om te vragen welke kant we op moeten. ‘Denk je dat we direct op de kamer kunnen?’ vraag ik. De zon staat recht boven ons. Eén enkele auto steekt de kruising over. Hoogstwaarschijnlijk een toerist. ‘Deze kant op, dit is de kruising die we moeten hebben. De volgende straat moeten we rechts, dan is ons hotel aan de andere kant van dat blok.’ Zijn ogen glinsteren in het licht en een lach speelt rond zijn mond. Met grote passen loopt hij verder de straat over.

    ‘Welkom, waar kan ik u mee helpen?’ zegt de mevrouw achter de balie, als ze de mensen voor ons de weg heeft gewezen naar hen kamer. Ik laat Thijs het woord doen en sta wat verloren bij het gesprek.
    ‘Er is een kamer gereserveerd op naam van Einder.’ zei Thijs. Ze kijkt naar haar scherm.
    ‘ U komt met twee personen? De heer T. E. Einder en de heer M van der Laan’
    ‘Dat klopt.’ Thijs kijkt mij met een glimlach aan en knipoogt. De mevrouw achter de balie was zo druk met haar scherm bezig dat ons spel haar totaal  ontgaan.
    ‘Ik heb even voor u gekeken naar een kamer met twee losse bedden.’ Thijs kijkt mij even verward aan en daarna weer naar de mevrouw. ‘Maar helaas hebben we op dit moment geen andere kamers beschikbaar.’ gaat ze onverstoord verder. ‘Ik kan me voorstellen dat u liever beide een eigen bed heeft.’ Ik glimlach. ‘O, dat is geen probleem hoor.’ zeg ik tegen haar. Ik geef de tassen die ik steeds heb vast gehouden aan Thijs en neem het gesprek over.
    ‘Wilt u dat we u op de hoogte houden mocht er een kamer met twee losse bedden vrij komen.’ Thijs geeft mij de papieren voor het inchecken en loopt naar de andere kant van de lobby. Ik ken dat gezicht, onweer. Ik kijk op van de papieren voor het inchecken. ‘Dat is echt niet nodig.’ zeg ik rustig.

    Als de kamer deur in het slot valt begint Thijs. ‘Ik snap niet dat jij zo…’ Hij had zich in moeten houden onderweg naar onze kamer. Zó rustig als het was op straat des te drukker is het in het hotel.
    ‘Ik snap niet waarom het voor mensen onmogelijk schijnt te zijn om na te denken!’ zegt hij. Terwijl hij zijn schoen met alle macht van zijn voet probeert te rukken. Ik trek mijn wenkbrauwen op ‘Werkelijk’ zeg ik terwijl ik met mijn armen over elkaar gevouwen in de opening naar de badkamer blijf staan. Thijs laat zijn voet met de schoen los en laat zijn armen langs zijn lichaam op het bed rusten.
    ‘Ik ga met mijn beste vriendin op vakantie en zij word mevrouw Einder genoemd, een mevrouw geeft aan dat “deze gelegenheid ook een prachtige trouw locatie is”, waarom kunnen mensen niet in eerste instantie aan nemen dat…’
    ‘Wat?’ zeg ik tegen Thijs. ‘Wat, vrienden zijn? Dat was wat deze mevrouw toch deed?! En nu ben je evengoed boos…’ ik glimlach naar hem. ‘Luister’ zeg ik terwijl ik naar hem toe loop. ‘Zij bedoelde er niets mee, zij dacht dat we vrienden waren die het misschien prettiger vonden om allebei op een eigen bed te slapen. Punt. Meer niet.’ Ik sla een arm om zijn schouder en kus zijn wang. ‘Mijn kleine prinsje…’ zeg ik zacht. Een pruillipje geeft me aan dat hij niet meer heel serieus is. ‘Zo, over’ plaag ik hem lachend, ‘dan gaan we er nu een leuke dag van maken.’

    U kunt hier verder lezen.

    Ben zo terug – Bart

  • Mijn opa was een schrijver…

    … Ik ken mijn opa eigenlijk alleen maar van de verhalen die andere over hem vertellen. De enige echte herinnering die ik van hem heb speelt op een zomer namiddag. Ik was bij hem. Of mijn ouders wel of niet bij hem thuis waren weet ik eigenlijk niet. Wat ik nog wel weet is dat we zijn gaan wandelen. Uit de verhalen van mijn ouders en de mensen die hem goed kende, weet ik dat hij dit vaak deed. Ik, moet een jaar of zes zijn geweest of misschien iets jonger…
    Wij liepen door een laan die van zijn huis naar een kleine dijk leidde en daar stopte alsof er niets meer was na dat punt. De bomen vormden een overkapping over de smalle weg waardoor er maar op sommige plaatsen zonlicht doordrong. Tot ongeveer halverwege waar een natuurlijke boog in de bomen was ontstaan.

    ‘Waar komen uw verhalen vandaan?’ vroeg ik, terwijl hij het voortouw nam en van het asfalt af het zand in stapte. Even keek hij over zijn schouder met zijn grote curieuze ogen naar mij.
    ‘Hoe bedoel je dat?’ vroeg hij terwijl hij zich volledig naar mij omdraaide. ‘Ik snap niet precies wat je bedoeld? Wil je, bijvoorbeeld, weten hoe ik mijn verhalen verzin?’ Ik knikte. Hij pakte mijn hand en samen liepen we verder over het kronkelende zandpad.
    ‘Het best kan ik het beschrijven…’ zijn stem stopte alsof er een nieuwe gedachte hem had overmeesterd. ‘Misschien is het handig als ik je vertel over…’ En weer een nieuwe gedachte.
    ‘Sommige verhalen worden niet vertelt, je kunt ze zien.’ Begon hij opnieuw. ‘Je kunt ze zien in de ogen van een vreemdeling die je tegen komt of in een vlek op het meubelstuk van een huis, de gebroken ruit in een oude schuur. Al deze dingen worden niet geschreven of je kunt ze waarnemen. Je kunt ze zien.’ Hij keek naar mij om te zien of ik het begreep. ‘Kijk zie je die boom daar? Die boom is krom. Een boom die krom is groeit krom omdat daar een reden voor is.’ Hij draaide zijn hoofd naar mij en zei. ‘Snap je? Die boom is zo gegroeid omdat er een grote tak is afgezaagd.’ Een warme windvlaag blies door mijn haren. ‘Neem nou de gebroken ruit. Die is niet uit zich zelf kapot gegaan. Hoe zou dat gebeurd kunnen zijn?’ Met bemoedigende ogen kijk hij naar mij. Ik aarzelde.

    ‘Er is iets tegen aan gevallen?’
    ‘Ja, dat zou zomaar kunnen. Wat is er tegen aan gevallen? Hoe is dat gebeurd?’
    ‘Uhm… er is een bezem tegen aangevallen!’ Ik zei het met zoveel autoriteit als ik op kon brengen. ‘En die is gevallen omdat die werd tegen gehouden door een fiets.’
    ‘Precies.’ Ik moet hem hebben aangekeken met een blik die zei: ik ken nu de uitkomst van een som maar weet niet hoe ik aan het antwoord ben gekomen. ‘Allen dat is niet echt een spannend verhaal’ zei hij opkijkend van het zandpad. ‘Het is spannender om te kijken naar een kapotte ruit en te bedenken wat voor spannends is daar gebeurd?’ met zijn ogen op mij gericht zei hij. ‘Toch?’
    ‘Ja’ Zei ik vol overtuiging ‘veel spannender.’
    ‘Twee kleine jongens, niet veel ouder dan jij, speelde altijd naast de schuur.’ Met grote ogen keek ik naar mij opa. ‘Alleen mochten zij daar niet spelen van de boer van wie de schuur was. Op een dag werd de boer zo boos dat de jongens daar weer aan het spelen waren dat hij ze achterna kwam met een bezem.’
    ‘Hoe brak de ruit dan?’ vroeg ik.
    ‘De twee jongens besloten de boer een beetje te pesten. Daarom zochten ze kleine steentjes die ze om beurten tegen de ruit aan gooiden en telkens als de boer kwam kijken verstopte ze zich. Maar bij het laatste steentje dat de jongens gooiden brak de ruit. De jongens waren erg geschrokken en waren zelf naar de boer gegaan om hem te vertellen wat er gebeurd was. Omdat ze dat gedaan hadden was de boer niet boos geworden en had gezegd dat ze het niet meer mochten doen.’ Mijn opa keek mij aan en zei. ‘Dat is een veel spannender verhaal toch?’
    ‘Ja veel beter.’

    Wij waren bijna bij de oude eendenkooi waar hij altijd een rondje rond de vijver liep.
    ‘En de andere verhalen dan?’ Wij zetten de laatste stappen in het, met wilde bloemen gevulde, open veld.
    ‘Andere verhalen worden vertelt door een stem achter je in een brein. Op een terras in de warmte van de zon. Over dingen die je wenst, waar je jezelf in kunt verliezen. Zoals sprookjes met heksen en draken.’ Wij stapten de eendenkooi, omringd door hoge bomen, binnen. ‘En weer andere verhalen worden vertelt door je hersenen.’ Er waren niet zoveel eendjes, maar de schaduw maakt het er heerlijk koel. ‘Wanneer je ogen vallen op een situatie die je herkent of een beeld waarin je jezelf ooit bevonden heb. De verhalen die je leeft. De verhalen die beleeft…’ Zijn stem viel stil.

    Voor mijn gevoel is dat alles. Er is, zo ver ik mij kan herinneren, nergens meer over gesproken. Maar ik kan mij bijna niet voorstellen dat er geen enkel woord meer gesproken is op die weg terug naar zijn kleine huisje. Dat voor mijn gevoel aan de rand van de wereld lag.

    Ben zo terug – Bart

  • Vis zonder kieuwen

    Ik ben gewend om mij aan de norm aan te passen, gewoon omdat dat is wat iedereen van mij verwacht. Het is de norm, de gewoonte om te zijn zoals iedereen dat is. Ook de norm waarmee je word opgevoed, misschien niet zozeer de norm als wel het ideaalbeeld. Ik ben eigenlijk een vis zonder kieuwen. Pas niet in het water, te weinig vis voor het water en teveel voor het land. Dat is nou eenmaal de keuze die er is, het water of het land. Theoretisch zou je kunnen zeggen de lucht is ook een keuze, maar ik ken niets wat zich alleen maar in de lucht begeeft. Als een vis in het water, maar dan één met longen die mijn vissen-lichaam doen verlangen naar lucht. Ik val buiten de gebaande paden en moet nu als naast de snelweg mijn eigen paadje zoeken. Niet dat dat het ergste is. Ik weet dat ik niet de enige ben, nu alleen nog iemand tegen komen die samen met mij dit pad bewandelen wil. De ademnood bedwingen. Niets sensueels begrijp me niet verkeerd, ik ben opzoek naar een plaats, een plek om te kunnen zijn. Laten we zeggen een andere ‘norm’. Misschien is deze hele metafoor niet zo goed gekozen.

    Misschien ben ik wel meer de gekooide vogel, die nog steeds zijn liederen zingt. Waarom ik zing? Ik zing omdat ik het kan. Ik zing tegen beter weten in, en dat is nou, in sommige gevallen, juist de beste reden om iets wel te doen. Ik zing omdat ik het kan, ik kan zingen. Mijn vrijheid hebben zij beteugeld, mijn vluchten afgepakt, maar ik kán nóg zingen.Ik zing mijn eigen lied, een lied van eindeloze hemelen en vluchten zonder eind. Ik zing van een leven zonder tralies, van mijn flamboyante verenpak. En ook omdat ik zangzaad krijg. Ik zing omdat ik rebelleer, als mensen praten, zo hard en schel mogelijk. Het meest zing ik nog voor de dag dat ik mag zijn. Ik weet waarom gekooide vogels zingen. Omdat ik de tralies heb bevochten met het gefladder van mijn vleugels, en ik vingers tot bloedens toe heb stuk gepikt. Omdat er altijd iets is om voor te zingen, dezelfde reden om waarom er bij zijn die dat niet doen. Dat is de reden waarom gekooide vogels zingen.

    Ben zo terug – Bart

  • Klem!

    Het was iets voor middernacht toen ik mijn weg naar huis, met trein, voortzette vanaf het Centraal Station. De coupé vulde zich met de nachtelijke brakers, op weg naar hun thuis.

    Toen de trein zich in beweging zette begonnen de zacht gemompelde gesprekken zich in luidere vorm voort te manifesteren. De dag was lang geweest. De resten van reizigers waren nog duidelijk zichtbaar. De uitpuilende prullenbakken, een vergeten briefje, een lege kop koffie op het tafeltje bij het raam.

    Ik zat alleen. Te staren naar een leeg vel papier. Afgesloten van de buitenwereld door de muziek in mijn oren. Het was de laatste trein richting Den Helder, ik had moeten rennen om hem te halen en was blij dat ik nog kon zitten. De eerste zinnen waren onzin maar het hielp me om te schrijven. Vrij te denken en een begin te maken met een verhaal. De volgende stop. Tegelijkertijd met de trein hielden de gesprekken stil.

    Driftig heen en weer geloop van conducteurs. Een stem over de portofoon. Nogmaals de conducteurs maar nu in de andere richting. Ernstig kijkend, toch de wens uitsprekend voor een goeden avond. Met het weg rijden hervatten de gesprekken zich opnieuw. Het donker van buiten de coupé maakte de weerspiegeling, door het helle licht van binnen, nog sterker. Een ziekelijke groene reflectie kwam tot leven in de ruiten van de wagon. Een mandarijnenschil lag vertrapt onder een van de stoelen. Vergeten en onopgemerkt.

    ‘Het volgende station is…’ Een zware mannen stem klinkt schel over de intercom door de trein. ‘… Zaandam, na deze stop zullen wij nog verder gaan in de richting van Uitgeest, Castricum, Heiloo en Alkmaar en dan verder richting Den Helder. Het volgende station is Zaandam.’ Met een klik stopt de stem. Twee dames verlieten lachend de coupé. Een nieuwe groep mensen stapte in en probeerde een plaatsje te vinden om te zitten. Het was warm binnen en ik had mijn jas los geknoopt. Mijn tas stond tussen mijn voeten, mocht het nodig zijn kon er iemand naast mij gaan zitten.

    De deur naast mij zwaaide open terwijl een meneer zich naar binnen wrong. Hij keek de wagon door een plofte zich naast mij neer. Hijgend, zijn voorhoofd bezweet. Zodat hij goed kon gaan zitten, bedacht ik mij iets meer naar het raam op te schuiven. Pas toen merkte ik dat mijn open jas half op zijn stoel moest hebben gelegen. Zodat hij daar nu op zat. De reutelende ademhaling bleef zich door mijn met muziek gevulde oren dringen. Nog voor dat de trein verder ging had de man zich uit het hengsel van zijn tas gewurmd. Met zijn tas op schoot bleef hij zitten.

    De zure geur van oud zweet en de alcohol die met elke adem meekwam. Ik voelde me opgesloten. De ruimte te klein om het op enige manier te ontwijken. De warmte maakte mij misselijk. Mijn handen koud, onbruikbaar. Zijn haren waren kort, maar lang genoeg om zich aan zijn voorhoofd vast te plakken. Na een paar minuten pakte hij zijn tas en begon te rommelen. Zijn ellenboog raakte mijn arm. Het helle licht, de woorden die mijn brein bleven vullen totdat het zou overstromen. Niet te schrijven, mijn handen wilde niet. Probeerde mijn jas terug te krijgen, zonder er iets van te zeggen. Een fles rode wijn komt uit zijn tas tevoorschijn. Het zuigende geluid van zijn longen naar de benodigde adem. Hij zette de fles aan zijn mond en met een grote slok dronk hij de klokkende wijn. Ik draaide mij steeds meer richting het raam. Probeerde mij te concentreren op de pagina, de muziek, alles behalve de geur en de man. De groene reflectie hielp mij niet. Ik leek wel zeeziek in deze ruit.

    De mannen in de groep verderop waren luidruchtiger dan eerst. Een grijze man met bruin gezicht door teveel zon, liet de gesprekken over zich heen komen alsof hij er niets mee van doen had. Toch lachte hij door de grappen die zij maakten.

    ‘Het volgende station is Uitgeest’ een klik en de stem was weg. De man naast mij pakt zijn telefoon uit zijn broekzak. Zijn dikke vingers probeerde de weg naar berichten te vinden. Drie keer moet hij het opnieuw doen. Zijn andere hand was bezig met het los ritsen van zijn windjack. Met het openen van zijn jas verdronk ik in een nieuwe walm van zweet. Ik trok mijn schouder omhoog maar werd gestopt door mijn klemzittende jas. ‘Station Uitgeest.’ klinkt het nasale geluid door de trein. Een groep mensen verlaat de trein. Lachend na een gezellige avond uit. Twee jonge meiden liepen giechelend achter hen aan, alsof Ronald Giphart ze had bedacht.

    Een mevrouw aan de andere kant van de wagon is tegen de ruit inslaap gevallen en de man naast haar sluit zo nu en dan zijn ogen. De kruimels op de grond schrapen over de vloer als ik mijn voeten voorzichtig verschuif. Twee oudere dames kwamen luid lachend binnen gelopen. De man, zijn haren waren onder tussen volledig doorweekt en de pareltjes zweet, tot stroompjes verworden. Met een grote rode zakdoek droogde hij zijn gezicht. De fles zette hij opnieuw aan zijn mond, stopte hem weer weg en begon een bericht te typen.

    Toen de dames een plek gevonden hadden en de trein zich weer in beweging had gezet, was er aan de andere kant van het gangpad een dubbele plaats over. Hij stond op en plofte languit neer op de twee onbezette plaatsen. De bevrijding!

    Ben zo terug – Bart

     

     

     

     

  • Gesprek Onderweg #1

    Thijs begint wat zenuwachtig op zijn briefje te lezen. Ik weet al wat er komen gaat, maar ik laat hem.
    ’Hier moeten we de trein uit en overstappen’ Thijs kijkt op van zijn handschrift.
    ’lichtelijk paranoïde tijdens het reizen?’ ik trek mijn wenkbrauwen op met een grijns.
    ’Ik wil gewoon zeker weten dat we de goede kant op gaan, is dat zo gek?’ Thijs pakt zijn rugtas uit het bagagerek en hijst hem op zijn rug.
    ’Hebben we nog iets vergeten, kijk even goed’ zegt hij in het algemeen tegen de coupe, als hij zijn eerste stappen zet richting de deuren van de trein.
    ’niets vergeten.’ is mijn korte antwoord als ik hem achterna loop. Het is een stoffig klein stationnetje op ongeveer één uur van onze bestemming.
    ’Ik hoop dat er een automaat staat waar we wat drinken kunnen halen ik kan wel wat gebruiken.’ Het perron stelt me niet teleur.
    ’We hebben tien minuten voor onze trein er is’ zegt Thijs zijn briefje raadplegend. Hij is alvast gaan zitten op een bankje terwijl ik voor ons wat uit de automaat haal. Ik slenter terug naar Thijs die nog steeds op zijn briefje zit te lezen, en geef hem een kus. ’ik hou van je.’ Zeg ik als ik hem zijn flesje drinken geef.
    ’Waar was dat goed voor? ‘Hij kijkt me aan.
    ’zo maar.’ Er komt een man richting ons gelopen, Thijs pak zijn rugtas van de bank en zet hem tussen zijn benen. Als in een spiegel gereflecteerd staan onze tassen, identiek zijn ze, we hebben ze voor deze reis gekregen van mijn ouders.
    ’Gaan we naar het centraal station?’ vraag ik Thijs.
    ’Nee we stappen twee stations eerder uit dan zijn we vlakbij ons hotel, kunnen we eerst even alle spullen wegbrengen.’ De man kijk op naar mij alsof hij wil zeggen ik versta jullie. ’daar is onze trein.’ Thijs pakt zijn rugtas en staat op nog voor de man iets kan zeggen.
    ’Jullie komen uit Nederland?!’ zegt de man die naast ons op het bankje zat, terwijl hij ook opstaat voor de trein. Hij zegt het eerder als vaststelling dan als vraag. Zijn accent is Italiaans maar je kan goed horen dat hij uit Nederland komt.
    ’Ja, u klinkt alsof u ook uit Nederland komt’ Zeg ik tegen de man hij loop met ons mee richting de deuren die ondertussen open zijn gegaan. Hier en daar komt een verdwaalde reiziger de trein uit gestapt.
    ’Ik ben opgegroeid in Nederland maar ik woon nu zo’n twintig jaar hier.’ Zijn zwarte lange gewaad is nagenoeg zonder kreukels.
    ’U bent pastoor?’ Vraag ik met enige twijfel in mijn stem.
    ’Laten we het zo noemen.’ Zegt de man. De trein is nagenoeg leeg en we vinden een plaats voor vier personen. Ik ga naast Thijs zitten en kijk hem wat hulpeloos aan. Het eerste wat ik denk is, wanneer gaat deze man ons proberen te redden?
    ’Het spijt me, laat ik mij voorstellen mijn naam is Thomas.’ Zegt de man en Schud ons om beurten de hand.
    ‘Aangenaam, Thijs. En ik ben Max’ Zeg ik zo zelfverzekerd mogelijk.
    ‘Zijn jullie vrienden?’ Vraagt Thomas. Nu is het mijn beurt om het antwoord te geven. ‘Laten we het zo noemen.’ Zeg ik met enig zelf genoegen voor Thijs kan reageren. Hij kijkt mij aan met een blik die me duidelijk moet maken dat wat ik nu doe echt niet kan. Thomas glimlacht.
    ‘Wij hebben een relatie.’ Verbeterd Thijs. Hij is hier veel beter in als ik, hij heeft meer ervaring. Bij mijn slaan alle alarmbellen aan in dit soort situaties. Thomas kijkt geïnteresseerd mij kant uit, alsof hij ziet wat ik denk.
    ‘Waar zijn jullie vandaan gekomen?’ Vraagt hij. Thijs neemt het voortouw
    ‘We zijn uit Viterbo gekomen het is vandaag de derde dag van onze reis.’
    ’Laat me raden’ zegt Thomas ’Jullie zijn op weg naar Rome, is het niet.’ ik knik.
    ’We willen een aantal dingen bezichtigen voor we verder reizen, het Vaticaan staat onder andere op het programma.’ ik kijk Thijs aan als hij de rest van de plaatsen op noemt die we gaan bezichtigen.
    ’Zijn jullie gelovig?’ vraagt Thomas, aan mij om me meer bij het gesprek te betrekken. Alarm, dit was precies de opening waar hij op heeft zitten wachten.
    ’Ik niet, maar Thijs is opgegroeid binnen een katholiek gezin.’ zeg ik zodat zijn aandacht weer op Thijs gevestigd is.
    ’Mijn ouders zijn katholiek, ik ben niet meer gelovig.’
    ’Niet meer?’ vraagt Thomas om verduidelijking.
    ’Ik heb niets tegen het geloof of gelovigen, ik heb alleen gekozen om alle last waar ik mee opgezadeld werd niet mee te dragen.’ Ik kijk van Thomas naar Thijs en terug, enige trots kan ik niet onder drukken.
    ’Ik kan het me voorstellen’ zegt Thomas. Die had ik even niet zien aankomen.

    Ben zo terug – Bart

    lees verder 

  • Verliefdheid in gedachte

    ‘Mevrouw Jansen uw thee wordt koud.’
    ‘In New York dronk ik nooit thee, misschien een of twee keer. Ina dronk vaak thee, veel thee met veel suiker. Na een avond dansen dronken we wel eens thee, Dat was goed tegen de kater zei ze altijd. „Hier meid neem maar lekker een kop thee met wat suiker daar gaat de kater van over.”
    ‘Ik denk dat ik hem voor het eerst heb leren kennen op een avond dat ik met haar mee ging. Waar het was weet ik niet meer precies. Ik denk een van de dansgelegenheden. Hij was een jaar of twintig, ik net negentien. Of was ik net twintig?’
    ‘Zou ik even bij u komen zitten mevrouw Jansen?’
    ‘Uhm. O, ja doe maar lieverd.’
    ‘Heeft u het weer over uw ontmoeting met de geheimzinnige man?’
    ‘Hij heette Peter, Peter Wellis. Ik zag hem voor het eerst vanaf het eerste perron, in een hoek van het park. Hij stond een sigaret te roken dat deden de meeste mannen toen nog. Ik heb hem nooit meer gezien.’
    ‘Ik dacht dat het uw grote liefde was?’
    ‘Doe niet zo mal kind, ik heb hem maar een keer gezien.’
    ‘Hoe weet u dan zijn naam?’
    ‘Ina vertelde het mij. Ja die was bij mij die avond, zij heeft het mij verteld… Grote liefde’ Een glimlach speelt rond haar mond ‘Grote liefdes horen bij tieners en literatuur die passen niet in de werkelijkheid daar is de werkelijkheid te wreed voor… waar hadden wij het ook alweer over?’
    ‘U was aan het vertellen over Peter Wellis’
    ‘Wie zegt u?’
    ‘Peter Wellis.’
    ‘Ik was even alleen, waarom precies weet ik niet meer. Ik denk dat Ina even naar de WC was. Peter was een verlegen type, hij was met een groep vrienden waarbij hij steeds wat op de achtergrond bleef.‘

    ‘Peter Wellis, die heeft u toch ontmoet in Amerika?’
    ‘Amerika, New York, toen ik later nog eens terug kwam in de stad, was hij verdwenen, niet Peter maar de stad. De stad die ik zo goed kende was volledig verdwenen. Niets deed meer herinneren aan de periode die ik hier had door gebracht. De eens zo majestueuze gebouwen en dansgelegenheden waren vervallen en de sfeer, de sfeer die we toen maakten met elkaar. De adem die liet zien dat je met weinig een heel eind kan komen. Hoewel de werkeloosheid hoogtij vierde werd er gedanst, gezongen en het leven gevierd.’
    ‘Was Peter Wellis geen acteur?’
    ‘Ik wil eigenlijk wel weer terug naar huis nu. Ik vond het heel gezellig om met je gekletst te hebben’ ze stond op en pakte haar handtas. ‘maar ik moet nu naar huis.’ Langzaam schuifelde ze naar de deur van haar kamer, met een hand hield ze de deurkruk vast. ‘Misschien zie ik je nog wel een keer’ ze zei het alsof ze de wereld aan haar voeten had, alle tijd had om me nog een keer te zien.
    ‘Je bent een lieve meid. Dag!’ ze draaide zich om en liep de deur uit. ‘Waar moet ik nu naartoe?’ mompelde ze terwijl ze de gang instapte.

    Ben zo terug – Bart

  • Gedichten #1

    Waterland
     
    De opgeworpen bescherming tegen zoute tranen
    De droogvallende vlakte, het waterland
    Het krijsen van vechtende meeuwen
    Vanaf deze bescherming kijk ik neer
    Met het weg ebbende water wil ik verdwijnen
    De bescherming tegen het zeer
     

     
    #11435
     
    Afwezigheid, een spel van dag en nacht
    door bladeren in schaduw en licht
    zoals ik daar zat en aan hem dacht
    mompel ik het twintigste gedicht
     
    het spreekt van liefde, passie, hartzeer
    een vergulde toekomst weggenomen
    volledig verlaten door mijn eer
    niet eerder zag ik een ander komen
     
    gespiegeld lichaam, het zelfde leven
    van ver zag ik hem naderen
    mooier dan de woorden die zijn geschreven
     
    applaus van regen op de bladeren
    voor de stille liefde bedreven
    een nieuwe moed stroomt door mijn aderen
     

     
    De Maan
     
    Een witte zon verlicht de nachtelijke hemel, een stad in beweging.
    Hij bleekt met zijn stralen het kleurige bestaan.
    Begeleid de nachtelijke brakers, en streelt de liefde die pas ontluikt.
    Hij beziet alles zonder gêne.
    Een geile verovering, dronken man, een verloren schoen.
    Zijn even beeld zou blozen bij het schijnen op deze wereld.
     

    Ben zo terug – Bart

  • Lieve jonge Marco, (Beschreven boeken)

    Pareltjes zweet lopen langs mijn voorhoofd, het is warm. Heet, is een beter woord. Tegen beter weten in ben ik naar het dorpje gegaan. Door de hoofdstraat lopend, onder de luifels door om in de schaduw te blijven, kom ik langs een boekhandel. Het is koel in de winkel, de grote hoeveelheid boeken houdt mij voorlopig wel even bezig. Voorin de winkel staan de boeken die nieuw zijn, het is maar een klein gedeelte maar alles lijkt er te staan. Het is maar een kwart van de winkel, alles wat na dit gedeelte staat is tweedehands. Achter in de winkel is aan de linker kant een trap die naar boven gaat en aan de rechterkant een trap naar beneden. De boeken die ik mee had om te lezen op vakantie zijn al uitgelezen, dus zoek ik iets wat ik op vakantie kan lezen en ik graag aan mijn collectie wil toevoegen.

    Bij tweedehands boeken geeft dat altijd een extra onstuimig gevoel van nieuwsgierigheid naar wat er te vinden is. Vooral in winkels waar je nog nooit geweest bent. Als eerste vind ik een versie van G. K. van het Reven van “Op weg naar het einde”. Een grijze kaft met een paarse band waarin diezelfde grijze letters STOA op staat. Op de titelpagina heeft iemand “einde” doorgestreept en “begin”, in licht schuine ballpoint letters, eronder geschreven. Daaronder staat al bijna even onleesbaar de datum. “Woensdag 24 Juni ‘64” met daaronder: “Oom Ernst”

    Dit is waarom ik van tweedehandsboekwinkels houd, Je weet nooit wat je vindt. De tekst van het boek is het zelfde als alle andere drukken, maar de toegevoegde verhalen van anderen, door kleine krabbels in een boek, maakt de verhalen alleen maar interessanter. Mijn hoofd slaat direct op hol. Allerlei vragen schieten, tijdens het lezen van de geschreven toevoeging, door mijn hoofd. Wie is oom Ernst? Wat is er op 24 juli? En waarom schrijf je het in een boek? En misschien wel de grootste vraag waarom maak je van de titel “Op weg naar het einde”, “Op weg naar het begin”.

    ‘Kunt u het vinden?’ De stem is die van de mevrouw die de boekhandel bestiert. Haar stem doet mij uit mijn overpeinzing opschrikken.

    ‘Ik kijk even, dank u’ Zeg ik. Ik laat mijn blik nog een maal over de pagina glijden.

    Op weg naar het einde

                                Begin

                          Woensdag 24 Juni ‘64

                             Oom Ernst  .

    Deze besluit ik mee te nemen, wie weet zit er een verhaal in. Het is een overpeinzing waard. Ik kijk nog wat verder in de winkel, de boven verdieping is gevuld met boeken over geloof, filosofie, niet echt de dingen waar ik nu naar op zoek ben. Beneden zijn het voornamelijk boeken over kunst, ook niet voor nu.

    De kast die de rechterwand van de winkel beslaat staat vol met romans en literatuur. Langzaam lees ik mijn weg door de titels en auteurs. Bij de B vind ik een bundel korte verhalen van Biesheuvel, “De weg naar het licht”. Ik ken een aantal van de korte verhalen maar de meeste heb ik nog nooit gelezen. Een echt vakantie boek. Verder de kast door, bij de M een boek van Geerten Meijsing. Het boek intrigeert mij, de rug is verkleurd door de zon en toch is maar een derde van het boek gelezen. Althans een derde van de rug heeft de sporen van een gelezen paperback. Als ik het open laat vallen op de laatst pagina waar het gelezen lijkt, zit tussen de twee pagina’s een opgevouwen notitie blaadje. De volgende pagina’s zijn nog stug, zoals de pagina’s van een nieuwe paperback. Wat is er gebeurd met de lezer? Waarom tot deze bladzijde en niet verder?

    Een meneer vraagt mij of hij er even langs mag. Ik doe een stap naar achter om hem er langs te laten en laat mijn blik nogmaals langs de pagina glijden en besluit het boek van Meijsing mee te nemen om te kijken wat de rede kan zijn dat het nooit is uitgelezen.

    Ik richt me weer tot de wand vol boeken. M, N, O, niet heel interessant P, Q, R, nog meer; van het Reve. Een roze kaft zo verkleurd tot bijna geel. Lieve Jongens. Een harde kaft, gebonden. Met de papieren omslag nog in zijn geheel om de met zwarte stof beklede kaft. Als ik het boek opensla groet me een gemêleerd roze/witte schudblad en een met vulpen geschreven tekst.

    Lieve jongen Marco,

    De intriges van de beschreven boeken. Nog voor ik verder kan lezen schieten mijn gedachtes naar mijn eigen boekenkast. Mijn beschreven boeken. Niets, is de eerste gedachte, geen enkel boek dat beschreven is. En dan… toch, The Rubaiyat of Omar Khayyam, de tekst: ‘Omdat je bijzonder bent.’ En dan een quote:

    “Je hoeft niet geweldig te zijn om te starten, maar je moet wel starten om geweldig te worden.” Mijn ogen stellen zich weer scherp.

    Lieve jongen Marco,                                                     26 mrt 1992

    Ze krijgen net zoveel spijt als al die uitgevers die Reve toen niet hebben aangedurfd. Dit geschenk als eerbetoon aan het genie dat ik wél heb gezien en waarvoor niets goed genoeg kan zijn.

    1000 Kussen

    Je …(de naam is onleesbaar.)

    Wat gebeurt er met mijn beschreven boeken? Als ze al worden weggebracht naar een tweedehands winkel waar ze wachten op een nieuwe eigenaar?

    Het is nu tweeëntwintig jaar geleden geschreven. Wat is er van Marco geworden? Wie is Marco? Een bekende schrijver? Of heeft hij na de genoemde afwijzing nooit meer een pen aangeraakt? De vragen tuimelen over elkaar in mijn hoofd. Allemaal wachten ze op een antwoord dat nooit zal komen, althans het echte antwoord zal nooit komen. Het weerhoudt mijn brein er niet van zelf antwoorden te maken.

    Het gezicht getekend, kijkend door de boeken in zijn kast. Er moet worden opgeruimd. Hij heeft besloten zijn tijd te besteedden aan een passie die hij nooit echt heeft gevolgd. De tijd is rijp, en hij heeft genoeg opzij gezet om met zijn partner naar Catalonië in het binnenland te emigreren. Niet alles kan mee en zodoende word zijn boekenkast geacht ook te worden na-gespit op onnodig-heden. De stapel aan de rechterkant gaat weg, op zoek naar een nieuwe eigenaar die er goed voor zal zorgen, Dat hoop je althans als je boeken weg doet die je liever niet kwijt wilt. De linker stapel word ingepakt in twee dozen die mee gaan.

    De “lieve jongens” ligt in het midden. Telkens als hij het in zijn handen houdt heeft het meer gewicht. De betekenis en de handgeschreven tekst maken het lastig om er afstand van te doen, maar het heeft hem er ook van weerhouden om het nog eens te proberen. Zittend op de grond tussen de stapels boeken die aan de ene kant moeten worden ingepakt en aan de andere kant moeten worden afgeleverd. Hoe meer hij heeft gekozen tussen de boeken hoe moeilijker het lijkt om het proces afteronden.

    Hoe meer hij over het boek voor zich na denkt des te meer krijgt hij er een hekel aan. Had ik het nooit gekregen… de gedachte was zinloos. Hij had het gekregen en was er gelukkig mee geweest. Maar een genie na jagen is niet te doen. Hoe meer hij de tekst had gelezen hoe meer hij had gezien dat het een kanttekening bij zijn schrijven was. Niet dat het slecht was, maar iemand die te bang is om fouten te maken, maakt uiteindelijk niets meer. Verstard door de angst. In zijn boosheid, was hij gaan staan. Het boek in zijn hand, het liefst verscheurde hij het. Verbrande hij de stukken, omdat de tekst zijn dubbelzinnigheid met de jaren bleef afgeven. Hij gooide het boek op de grond schoof er een deel van een grote stapel bovenop, zodat hij het niet meer hoefde te zien.

    ‘Ik ga even wandelen!’ zei hij toen hij de trap af kwam en bij de voordeur zijn jas aan trok.

    ‘Oké!’ riep een stem van achter in de tuin.

    Hij liep de straat uit links, de duinen in. Het helmgras werd zacht door de wind gestreeld. De warme avondzon trok steeds meer naar het water. De twintig minuten die het normaal nam om het lange pad af te lopen door de duinen, leek korter nu. Dat het boek nog steeds in zijn brein rondzweefde was wel duidelijk. De grote bruuske stappen die hij nam hadden hem zo snel naar het eind van het pad gebracht. Normaal gesproken stak hij de weg over om via de andere kant van de duinen weer terug te lopen. Dat had nu nog geen zin. Even twijfelde hij maar draaide zich resoluut om naar de strandopgang. Nam zijn schoenen een voor een van zijn voeten en stapte de zanderige strandopgang op.

    Zijn blond\grijze haren leken door de lichte windvlagen van de zwaartekracht te zijn ontdaan. De zoute zeelucht vulde zijn neusgaten, zijn tenen begroeven zichzelf in het zand.

    ‘Zo is het gegaan.’ Mompelde hij tegen de wind in, alsof de wind de enige was die het hoefde te horen. Hij herhaalde zich zelf en voegde toe:

    ‘Zo is het gegaan, zo is het geworden.’

    Zijn blauwe ogen volgde het zand bij zijn voeten vandaan, het water in, de branding door, tot aan de horizon daar waar de donkergrijze wolken, in het oranje licht van de ondergaande zon, het water kusten.

    ‘Morgen gaan we weg, om nooit meer terug te keren.’

    Ik sla het boek dicht, loop naar de kassa, reken af en loop de brandende zon weer in.

    Ben zo terug – Bart