Digitale tekst maakt voor een andere vorm van Art Poetry… Een poging met de laatste pagina van Douglas Adam’s So long and thanks for all the fish.

Ben zo terug – Bart
En toen was er…
Digitale tekst maakt voor een andere vorm van Art Poetry… Een poging met de laatste pagina van Douglas Adam’s So long and thanks for all the fish.

Ben zo terug – Bart
Ik had al veel oude mensen gezien op onze reis hier naar toe, in alle tinten grijs waren zij voorbij gekomen. Wij hadden ons gesetteld in een oud, afgebladderd en verloren huur appartement. Mijn moeder liep onrustig tussen de vertrekken om alle mee gebrachte spullen een plaats te geven. Mijn vader was elke mogelijkheid aan het afzoeken om de ruimtes te ontdoen van de muffe geur, die zich in de lange afwezigheid van huurders leek te hebben opgehoopt. Ze waren gelukkig. Althans, dat is wat een vierjarige daaruit kon opmaken. Iedereen was bezig en lachte vriendelijk, er huilde in ieder geval niemand. Ik kan niet zeggen dat ik mij er veel van herinner, enkel de mensen in het huis aan de overkant.
Mijn vader had mij in het bedje gezet voor de openslaande deuren naar het balkon. Zogenaamd om mij koel te houden, in werkelijkheid om zijn handen vrij te maken. Het was de eerste keer dat ik bij de mensen aan de overkant naar binnen kon kijken. Verre kerkklokken luidden de tijd. Achter de oude dame op het balkon zat een man, ik ga er nu vanuit dat het haar echtgenoot was, aan de tafel voor een machine te tikken. Tot er een belletje pingde en na elke derde ping sprak hij zacht tegen de oude vrouw, zoals verliefde paartjes tegen elkaar spreken waarna zij weer verder ging waar zij mee bezig was.
De dame stond op het kleine balkon dat met de achter gelegen kamer verbonden was door twee smalle, met lamellen afgedekte, deuren. Ze glimlachte vriendelijk naar mij en trok het koord door waar ze haar schone witte wasgoed aan ophing. Het koord was gespannen over de smalle steeg. Het was witte wasdag in de buurt, wat het effect had van een wasserij die enkel de witte was deed. De lichtgele muren en de bloembakken aan de balustrades van de balkons en het flinterdunne stukje blauw dat zichtbaar was tussen de twee daken zorgde voor een gekleurde omlijsting van het geheel. Ver beneden waren stemmen te horen van de toeristen die de stad verkende.
Ik keek om naar mijn vader, die nog steeds bezig was met het openen van ramen en deuren, toen hij de kamer binnen kwam. De oude dame had zich terug getrokken uit de warme zon, die tussen de daken door nog net hun balkon bescheen. Haar man zat nog steeds te tikken en weer de ping. Opeens viel het mij op dat hij niet alleen was. Een kleine witte vogel zat op het blad van de tafel vlak bij hem en hield hem gezelschap terwijl zijn vrouw elders haar werkzaamheden voort zette. Af en toe pikte hij uit een schaaltje op de tafel een paar zaden, zonder de oude heer te storen. Met een klein sprongetje hipte hij verder in mijn zicht en staarde, zoals ik naar hem staarde, naar mij.
Ik weet alleen nog dat ik mijn ogen niet van het beest kon afhouden, toen mijn vader mij uit het bedje pakte om wat te eten brulde ik alles bij elkaar en jaagde daarmee de vogel uit het beeld. Elke dag was het zelfde, de man aan zijn tafel tikkend en pingend, de dame met wasgoed in de weer en steeds de vogel die zich niet van de zijde van de man week. Op de derde dag zat ik weer voor de opengeslagen deuren naar het balkon toen de vogel weer naar voren hipte om mij te bekijken. Mijn ouders waren achter mij stil pratend hoorbaar vanuit een van de slaapvertrekken. De vogel sloeg zijn vleugels uit en streek neer op de rand van ons balkon. Nieuwsgierig draaide hij zijn witte kop van links naar rechts en draaide hem opzij, zoals een jonge hond doet als je tegen hem begint te spreken. Ik was bang, op de een of andere manier leek hij van dichtbij vele malen groter dan op de tafel bij de oude man. Zijn ogen waren goud geel, zijn bek grijs en de veren witter dan ik ooit had gezien. Het wasgoed van de dame leek grijs bij de heldere witte veren van de vogel. De oude man maakte een zacht geluidje tussen zijn tanden door en de vogel vloog terug. Geroepen door zijn baasje. Mijn moeder ging weg. Wat ik mij er nu van herinner zijn wij dat zij terug kwam wat gaan eten. Mijn beste gok is dat ze boodschappen ging doen, maar precies zou ik het ook niet weten.
Het appartement was zo goed en zo kwaad als het ging door mijn moeder met de weinige spullen die we hadden gezellig gemaakt. Een thuis geworden. De houten meubeltjes die aanwezig waren stonden hier al jaren. Op de paar foto’s die ik heb zijn er twee houten stoelen bij het kleine tafeltje in de keuken. Hoe goed ik de foto’s ook bestudeer, er lijkt maar één fauteuil te staan en verder nog één enkele houten stoel zoals die ook in de keuken stonden. Verder alleen mijn bedje. Mijn moeder had mij geleerd dat de vogel sneeuwwit was. Sneeuwwit heeft alleen betekenis als je weet hoe wit sneeuw is, andersom werkt het eigenlijk niet.
De volgende morgen waren mijn vader en moeder bezig. Ik zat weer vol verwondering naar de man en zijn vogel te kijken toen ik hem zag wegvliegen. Ik probeerde hem te volgen maar de ruimte tussen de daken was te smal om hem te zien. De oude man had niets gemerkt en bleef rustig door tikken. Even stopte hij, ik dacht dat hij het zou zien. Zijn vogel, het trouwe beest dat altijd bij hem bleef was zomaar weg gevlogen. Hij humde een paar onduidelijke noten en tikte vervolgens verder alsof er niets veranderd was. Ik probeerde hem duidelijk te maken dat de vogel weg was, zomaar alles achter zich had gelaten en niet meer terug zou komen. Een droeve stem sneed door de stilstaande lucht een zacht getokkel van een mandoline vulde zijn stem aan. Droef voor de vogel, neerslachtig voor de oude man die nog niet had gezien wat hem was ontglipt.
Fladderende vlerken klonken van boven mij. Mijn kleine jongens ogen opende zich zo ver ik ze kon openen. Hij is terug, dacht ik. Hij is er weer, de sneeuwwitte vogel. Maar er kwam geen vogel in het zicht. Beteuterd ging ik zitten, het belletje van de oude man pingde en zacht begon hij voor te lezen. Ik kon hem niet verstaan. Misschien ging het over de vogel die was weg gevlogen, misschien over de mevrouw. Terwijl haar man de zinnen las kwam zij het balkon opgelopen de was weer binnen halend. Met twee volle armen was verdween ze weer van het balkon, maar niet voor zij een glimlach en een klein handgebaar naar mij had gemaakt. Ik hief mijn hand naar de lucht, de vogel! Begrijp me dan de vogel is weg!
Ik had mij naar onze kamer gedraaid. Niemand wilde naar mij luisteren en niemand begreep mij. Ik zat met mijn kleine, grijsbruine beertje te spelen. En daar was hij opeens op de rand van mijn bedje, en hip, op het harde matras. Een kleine hip bij mijn tenen. Ik leunde achteruit, ik vond hem mooi maar dit was wel heel dichtbij. De oude man was gestopt met schrijven en stond op zijn balkon te kijken. Wat hij zei verstond ik niet, zijn handgebaren wel. Aai hem maar. Langzaam stak ik mijn hand uit naar de vogel. Sneeuwwit, zei ik tegen mijzelf, sneeuw wit. Voorzichtig streek ik mijn vingers langs de kop van de witte vogel, hij sloot zijn ogen zoals een kat ook doet als je hem aanhaalt. Toen hipte hij op mijn schouder, naar mijn hoofd, naar de rand van mijn bed en met een paar vleugelslagen van mijn bed naar de schouder van de oude man. Hij glimlachte naar mij, en de vogel kraaide.
Ben zo terug –Bart
Naar aanleiding van het zes woorden verhaal van Ernest Hemingway:

Is dit mijn poging speciaal voor vandaag:

Ben zo terug – Bart
Dit is het derde deel van de serie Gesprek Onderweg. Het eerste deel kunt u hier vinden.
Als wij ’s avonds terug komen in het hotel na onze “verkenningstocht” laat ik mij op het bed vallen. Ons bed staat onder schuine muur waarin een dakraam ons een blik op de sterren biedt. Een eerste regendruppel valt zacht op het raam, de kamer is koel zelfs na de warme dag die nu word afgesloten met een regenbui. Thijs stond in de deuropening van de badkamer naar mij te kijken.
‘Waar denk je aan?’, vroeg hij zijn arm tegen de koude stalen deurpost aandrukkend. Ik bleef staren naar de regendruppels die zich met elkaar verbonden in een stroom over het glas.
‘Wat zou er over dertig jaar nog zijn? Waar zouden wij zijn?’, ik drukte mij met mijn ellenbogen half op. ‘Wie ben ik? Kun je mij zien?’, voegde ik er met een glimlach aan toe. Zijn gezicht vertrok van serieus, tot een lach. Een twinkeling speelde in zijn ogen.
‘Kun je ook serieus antwoord geven?’ vroeg hij toen hij naast mij op het bed kwam liggen. Langzaam liet ik mij weer terug op het matras zakken.
‘Dat ik wil dat het altijd zo blijft.’ Ik draaide mijn hoofd naar Thijs die steeds naar mij had liggen kijken. Ik probeerde, onsuccesvol, niet te laten merken dat het leuk bedoeld was.
‘Zwelg?’ vroeg hij.
Ik lachte. ‘Ben pas net begonnen! Ik wil dat wij voor altijd samen blijven, dat wij de wereld over reizen en dat jij altijd even leuk blijft, nooit een ander vindt en dat wij samen oud worden.’ In zijn ademhaling kon ik de lach horen die hij probeerde te onderdrukken. Demonstratief zuchtte ik en zei ‘doe jij het licht uit, schat!’, zoals ik altijd doe als ik ga slapen, draaide ik mij op mijn zij en deed mijn ogen dicht. Ik voelde het matras veren met de stille lach die zich ergens achter mijn rug bevond.
‘Ik ga heel snel bij je vandaan als je zo wordt!’ Zijn hand trok mij terug op mijn rug. ‘Ik meen het, Max,’ zei hij uitdagend. Hij streelde mijn arm en keek naar mijn gezicht.
‘Dat is goed’ zei ik ‘maar wat wil je dan dat ik denk?’
‘Bedenk maar een verhaal.’ zei Thijs een wenkbrauw optrekkend.
‘Een verhaal… een verhaal… Er was eens een jongetje dat …
‘Nee, geen sprookjes. Een verhaal.’
‘Oké. Kijkend naar de sterren, zittend op een muurtje aan de rand van het water, zat een jongen. Hij leek te wachten op iets of iemand. Zijn naam was Thijs,’ zei ik met mijn blik gericht op de sterren. ‘Ik kwam aanlopen en zag hem daar alleen zitten, met zijn rug naar mij toe. Ik weet nog dat ik bij hem ben gaan zitten omdat ik medelijden met hem had, hij zat daar helemaal alleen. Verder weet ik eigenlijk niet wat er gebeurd is, ik was nogal dronken.’
‘Fijn dat je me verblijdt met jouw kant van het verhaal van onze eerste ontmoeting.’ Thijs draaide zijn hoofd naar mij toe terwijl de regendruppels steeds luider op het dakraam tikten. Na een lange stilte waarin alle geluiden van het hotel verdronken in de regen, zei ik ‘geen verhalen meer, we leven gewoon in het nu. Misschien is dat de beste manier om verhalen te maken.’ Ik draaide mijzelf dichter naar hem toe en gaf hem een zoen op zijn wang. ‘Dat krijg je er van.’ Zei ik tegen hem.
‘Lief,’ zei Thijs ‘maar nu een echte zoen.’
Ben zo terug – Bart
Dit verhaal begint met een stem, onduidelijk nog, te ver weg om de woorden te begrijpen. De tongval van deze persoon doet vermoeden dat hij de wereld heeft gezien. Steeds duidelijker word de stem. Als de man dichterbij komt lijkt er een gitaar met zijn stem mee te spelen. Met elke stap wordt zijn stem beter hoorbaar. In plaats van te vertellen lijkt hij te zingen, in een duet met zijn gitaar. En dan stopt de stem even als hij mij in het vizier krijgt, als ik hem gegroet heb en hij mij neemt hij plaats op een laag hangende tak aan de kant van de zandweg. Ik vraag hem waar hij vandaan gekomen is en de man neemt zijn gitaar ter hand. De melodie die zijn vinger spelen, eerst nog voorzichtig alsof de muziek nog van zijn hoofd naar zijn vingers moet vloeien, maar langzaam steeds sneller. De melodie met elke afgeronde regel complexer. Zijn muziek is vrolijk alsof de lente dichterbij is dan die in werkelijkheid is. Het brengt mij de vrolijkheid van een vroege lentemorgen. Dan fluit hij een tegenpartij die de hoogte in schiet zoals de ontwakende vogels in de morgen hun geluid opnieuw laten horen.
Zijn stem voegt zich weer bij zijn muziek makende vingers en zingt van zijn paden, boottochten over de eindeloze blauwe oceanen en de wereld vol van avonturen. De gebruiken en gewoonten die hij heeft leren kennen. De plaatsen die hij als reiziger heeft gezien en achter zich heeft gelaten, waarvan hij met elke regel bewijst dat hij daar iets van heeft mee genomen. Als zijn stem en zijn gitaarspel wegsterven, vraag ik zonder enige twijfeling om meer. De volgende melodie serieuzer met een verhaal over gewonnen veldslagen en helden van weleer. De lente vond zijn weg en de zomer ging te snel. Steeds zaten wij aan de rand van die zelfde zandweg. De dag voor de man met zijn gitaar zijn spullen pakte en ons weer achter zich liet, kwam hij nog één maal bij mij aan de kant van de weg zitten. Hij leerde mij zijn lied te zingen. Als ik zijn taal kon spreken zou ik een lied voor hem weven. Toen liet hij ons achter zich, zoals hij altijd deed, onze gast voor zomer.
(Voor het lied waar dit door is geïnspireerd klik hier.)
Ben zo terug – Bart
Als ik opsta, mijn lichaam probeer in balans te krijge, komt het snot in golven uit mijn neus. Ik sleep mijzelf naar de keuken om mijn te verwarmen met een kop thee. Het koude zweet maakt me plakkerig. Ik heb al twee keer onder de douche gestaan vandaag maar niets helpt. Ik laat mij als een zak aardappelen op een stoel aan de tafel zakken. De gewrichten lijken die van een oude man, krakend en haperend en vooral pijnlijk. Terwijl het water in de waterkoker tergend langzaam tot het kookpunt stijgt, open ik met alle moed die ik bij elkaar kan rapen mijn laptop. Een verhaal? Iets? Naast de tafel een prullenbak met vol-gesnoten zakdoekjes. Wollige gedachten door de overvolle bijholten en mijn neus die een oneindige voorraad snot in zich lijkt te dragen. Een verhaal. Korte gedachte, ideetjes en plannen voor grote verhalen lijken allemaal te verdwalen in de slijmerige groene griebels. Mijn vingers stamelen zoals de gedachten in mijn hoofd. Mijn hoofd en grote duim werken op dit moment niet erg samen. Na elke zin lijken er alleen maar wat verloren woorden op het verlichte scherm te staan. De cursor knippert aanmoedigend, nogmaals probeer ik een volgende zin. Mijn keel lijkt te verkrampen, terwijl ik het gevoel krijg dat iemand met een donsveertje langs de binnenkant van mijn keelgat strijkt. Een onbedaarlijke rokershoest forceert zich door mijn luchtpijp waarbij het lijkt alsof mijn longen mee naar buiten komen. Als ik weer bedaard ben probeer ik mijn waterige ogen te focussen op wat ik geschreven heb. Volkomen ruk is het! Wie kan er nou nadenken met zoveel snot in zijn kop? De waterkoker is inmiddels klaar. Ik hijs mijzelf van de stoel en zet een wankele stap richting aanrecht. Als ik mijn thee heb ingeschonken kijk ik nog één keer naar mijn laptop, die al op slaapstand is gegaan en besluit tot hetzelfde. Met de thee in mijn hand begeef ik mij, onvast, terug naar m’n bed. Genoeg verhalen! Genoeg voor later, eerst maar eens beter worden.
Ben zo terug – Bart
Lichaam
Als mijn tweede voet de regen verlaat en zich bij zijn gelijken voegt, het droge portiek in, zoeken mijn ogen als waren zij één, vertroebeld door bespatte brillenglazen, het bellenbord af. Mijn wijsvinger strekt zich zonder twijfel tot mijn hoofd zich probeert te herinneren welke bel de juiste was. Beweegt mijn vinger zich langs de verschillende bellen tot mijn hoofd zich weer herinnerd.
Gesprekje
– Ik wil je kennen.
– Wat wil je weten?
– Hoe kan ik dat weten als ik je niet ken?
Bij binnen komst
Ik ben verlegen als ik binnen kom, ben enkel nog bezig met mijzelf zo onzichtbaar mogelijk te maken. Op te gaan in de groep mensen, niet meer het individu zijn. Een waar is Wally figuur.
Visite
‘… Weet je wie er dood is? Ouwe Siemen. Ja zomaar opeens. Nee dat is de andere broer. Hij had drie broers toch. Je weet wel hij woonde naast Alie. Hoe heet zij ook alweer Witteman?’
‘Witteveen.‘
‘Witteveen inderdaad. Toen woonde zij nog aan de Hoge Elft. Zij is later naar ’t Zand verhuist. Weet je nog wel. Haar man is toen voor de trein gesprongen.’
Verbroken stilte
In diep gesprek met haar telefoon stapt ze binnen, zonder pardon perst zij zich in de enige lege plaats in de stilte coupé.
Gedachten verstoord
Groot en breed en Zweeds en… een rand van Björn Borg ondergoed boven de rand van zijn broek.
En dan?
Het licht dat de lantarenpaal neer laat vallen verdrinkt, nog voor het de grond kan raken, in de schreeuwende reclame. Letters in neon, lopende led verlichting en dan…?
Op gevoel zoekend naar licht
Langzaam sloot hij de deur achter zich. Te snel. In de nacht, die met het dicht gaan van de deur ontstond, voelde hij rond de deurpost op zoek naar licht.
Ben zo terug – Bart
‘Het is toch de bedoeling dat de kijkers een goed idee krijgen over welke problemen er nog zijn met het onderwerp dat wij bespreken?’ Zijn voorhoofd was nat van het zweet, wat de laag van make-up die voor de televisie op zijn gezicht was gesmeerd plakkerig maakte. De lichten in de studio maakte het alleen maar erger. ‘Het heeft alles te maken met het feit dat we nog niet eens weten hoe het brein precies in elkaar zit en u gaat nu beweren dat u weet wat de beste oplossing is om dit op te lossen?’ De presentator was meer naar voren gaan zitten op zijn stoel om het gesprek te volgen. Het irriteerde hem dat dit de rol was die hij moest aannemen binnen dit gesprek.
’s Middags had hij een telefoontje gehad of hij wilde verschijnen in een programma om een alternatieve mening te geven. Al snel had hij in de gaten gekregen dat hij en de andere gast die nu tegenover elkaar zaten nagenoeg dezelfde ideeën over het onderwerp hadden. Nu was er déze rol voor hem weg gelegd: “De andere mening”. Het ergerde hem omdat het hem altijd al vreemd was voorgekomen dat mensen in het algemeen niet een andere mening konden verdedigen zoals hen eigen mening. Hij had nooit echt een probleem gehad om in te zien dat een ander idee, een andere positie, innemen zinnig kon zijn. Vooral als het ging over onderwerpen die moeilijk waren of waar men in het algemeen onvoldoende informatie over hadden.
Hij was voorgesteld aan de dame die met hem in debat zou gaan en zij werden samen voorbereid over hoe dit alles zou verlopen. Het zou een gesprek van een minuut of tien worden, dat met een studiopubliek werd opgenomen. Ze hadden nog wat gesproken voor dat de opnamen zouden beginnen en waren allebei naar hun eigen kleedkamer gegaan. Het “item” zou worden geïntroduceerd met een kort fragment uit een documentaire, waarna zij beiden het gesprek zouden hebben. Terwijl het publiek de studio in kwam sprak hij nog kort met een van de programmamakers.
‘Ik wil je vragen om in het gesprek…’ begon de man. Terwijl hij met zijn twee handen op de tafel leunde, het onderste knoopje van zijn blouse los, waardoor een irritant stukje van zijn buik bloot kwam. ‘Je begrijpt me wel. We moeten een programma maken dat interessant is om naar te kijken,’ voegde hij er aan toe terwijl hij naar voren boog en de blote behaarde buik over de tafel schoof. ‘Het is goed voor de cijfers als we iemand hebben die een mening geeft die niet populair is.’
‘Ik denk dat het een probleem is dat u denkt dat we de werkelijkheid aan moeten passen aan de desillusie van een patiënt.’ was het eerste standpunt dat hij wilde maken. ‘Ik geef u gelijk als u zegt dat wij deze mensen moeten helpen. Maar om nu te zeggen dat het precies dát is wat we moeten doen, gaat mij een straat te ver. Er zijn psychiatrische aandoeningen die mensen laten denken dat hun arm niet van henzelf is. De notie dat u overweegt deze mensen een arm af te zetten vind ik verwerpelijk.’ De dame keek hem met een rood aanlopend gezicht aan. De presentator stapte in om de dame aan de andere kant van de tafel de kans te geven een reactie te geven.
‘Ik…’ begon zij, ‘ik weet niet wat ik moet zeggen.’ Na de hapering was ze op stoom gekomen. Zij had hem aangekeken alsof hij de grootste, slechtste, meest onbeschofte hufter was die zij ooit had mee gemaakt. ‘Luister! Ik ben hier gekomen om de problemen in de maatschappij te bespreken die transgendermensen ervaren. Niet om een meneer, “ik weet het beter”, een verhaaltje gevuld met onzin te laten vertellen. Wat als er iemand zit te kijken die het zo zwaar heeft dat diegene het niet meer ziet zitten. Wat als diegene na het beluisteren van uw onzin zijn leven beëindigt.’ Met haar linker hand schuift de dame haar bril weer terug van het puntje van haar neus.
Hij had zich voor genomen een gesprek aan te gaan en de mensen een beeld te geven van de problemen die nog niet volledig bekent waren. Pas nadat de dame had gesproken werd hem het plaatje duidelijk, toen de presentator zei dat hij daar een totaal andere mening over had. Toen begreep hij in welk spelletje hij terecht was gekomen. Hoe elk woord dat hij zou uiten, dat niet volledig het zelfde was als die van de dame, tegen hem misbruikt zou worden.
‘Ik heb daar totaal geen andere menig over…’ Hij merkte dat zijn eigen stem hem in de steek liet door niet stevig, sterk en duidelijk te klinken. Het klonk meer als een verontschuldiging, alsof hij met zijn hand in de snoeppot was gesnapt. ‘Ik denk er bijna hetzelfde over, ik vind het alleen belangrijk dat we duidelijk hebben wat we weten en waarvan we nog niet zo zeker zijn.’ Zijn handen werden klam en koud van het zweet. De irritante houding van de presentator ging hem steeds meer tegenstaan. Het publiek zat in volle verwachting te luisteren. ‘Ik denk…’ opeens viel een vlek op de das van de presentator hem op. De geur van de zaal maakte hem misselijk. ‘Ik denk dat het belangrijk is dat het publiek weet dat het instituut dat bijvoorbeeld de eerste operaties voor verandering van sekse uitvoerde, deze niet meer doet. Omdat er na langdurig onderzoek is gebleken dat de hoeveelheid mensen die nadat zij de operatie hebben ondergaan, de hoeveelheid zelfmoordpogingen even hoog blijven en in sommige gevallen zelfs hoger zijn. De mensen waar u over spreekt hebben niet altijd baat bij deze operatie.’ Zijn haren plakte aan zijn voorhoofd. ‘Het is toch de bedoeling dat de kijkers een goed idee krijgen…?’
Ben zo terug – Bart
Nadat ik de laatste hap van mijn middag eten heb opgegeten en ik de mok heb geleegd, sta ik met hernieuwde moed op om mijzelf weer te werk te stellen. Het schamele maal zal net genoeg zijn om de werkdag vol te houden. Het is juist deze baan die mij nog in leven houd, voor net genoeg geld zorgt om mijn bestaan te garanderen. Alles in de hoop, in volledige overgave van onze keuze. Ik sleep mijzelf door de gangen naar buiten het gazon over de zinderende hitte in, waar mijn werkplek, een houten hoge tafel, aan het water is. Een stapel droge linnen lakens ligt al op mij te wachten. Opvouwen, dat is mijn bestaan. Van 6 uur ’s ochtends tot 6 uur ’s avonds was op vouwen. Het kan nog erger er is ook iemand die de was ophangt en weer van de lijnen af moet halen. Ieder zijn eigen taak, zijn eigen invulling van het leven. De hernieuwde moed is mij al weer diep in de schoenen gezakt bij het zien van deze treurigheid. Hoe heerlijk is de frisse geur van schoon wasgoed, zo bruut verpest door de deze overdaad. Een harde klap ontwaard mij uit mijn beslommeringen. Het gerinkel van glasscherven.
Aan de overkant van het water staat een man met een honkbalknuppel op de voorruit van een auto in te slaan. Bij mijn opkijken zie ik zijn gezicht veranderen, de woede ebt langzaam weg en de zo vastbesloten, hooggeheven knuppel laat hij moedeloos zakken. De knuppel nog net zichtbaar boven de motorkap totdat zijn vingers de grip volledig verliezen en de klank van vallend hout mijn oor bereikt. Is het dan toch waar? Vraag ik mijzelf af. kunnen wij alleen vredig bestaan als iemand ons verteld wat wij moeten doen en hoe we ons dienen te gedragen? Zijn wij niet instaat om zelf invulling aan ons leven te geven?
Lang leven de vervallen utopie!
Ben zo terug – Bart
‘Goede morgen meneer’ zei de portier terwijl hij de deur van het hotel opende. ‘Weer aan het werk vandaag?’ Het hoofd iets voorover gebogen, de kraag van zijn jas iets opgezet tegen de motregen. Met een glimlach keek de man op naar de portier die een paar treden hoger bij de deur stond.
‘Dank u’ zei hij nog voor hij antwoord gaf op de vraag. ‘Ja, we gaan eens kijken wat er vandaag weer gaat gebeuren.’ Even bleef hij in de hal staan en vroeg de portier nog voor hij de deur sloot, ‘Ben je er de hele dag?’
‘Ik ben tot twaalf uur vanavond aan het werk.’
‘Dan zie ik je straks weer als ik klaar ben voor vandaag.’ Met een knik van zijn hoofd draaide hij zich om en verdween uit het zicht. Wat is het toch een aardige man, dacht hij bij zichzelf. De man was schrijver en werkte in het hotel zodat hij geen afleidingen had. Zolang hij hier werkte kwam de man hier al.
De ochtend was rustig, het druiligere weer had de meeste mensen binnen gehouden. Cornelis was al vijf jaar bode. Hij was de eerste die de gasten begroette, hielp mensen uit de auto en opende de deur voor hen. Er was maar weinig aandacht voor de mensen die binnen het hotel werkte, vooral mensen zoals hij. Er werd van hem verwacht dat zijn houding nooit veranderde en zijn voorkomen ten alle tijden volmaakt was. De winters waren het moeilijkst. In één van de koudste winters had hij al vanaf ’s morgens vroeg bij de deuren gestaan. Het was midden december en de sneeuw kwam met grote vlokken naar beneden vallen. Om zichzelf warm te houden hadden de portiers met elkaar een systeem afgesproken. Om beurten hadden zij even de mogelijkheid om in de kleine ruimte tussen de buiten deuren en de deuren naar de hal, te blijven staan.
De vrouw van zijn baas was een dame die er altijd verzorgt uitzag. Onder het personeel werd wel eens gegrapt dat zij van “de zittende cavalerie” was. Ze werkte nooit, zat aan de bar in het hotel mooi te zijn. Het was een dame die, door haar wat vergane glorie, leek te zijn blijven hangen in de dertig jaren. Haar rode lippen, avond jurk en frisuur waren altijd verzorgt. Hoewel zij niets in het hotel deed, was zij er elke avond om de gasten te vermaken. De glorie die het hotel eens gekend had was allang vergaan. En toch bleef de eigenaar op de zelfde manier zijn beleid voeren.
Eens per maand kwam er een grote zwarte limousine voor de deur rijden waar een kort, rond pedant mannetje uit kwam stappen. Hij heette Hector, maar iedereen noemde hem Tor. Tor was een zakenman die voor zijn overspeligheid in het hotel verbleef. Aan de bar kon je hem altijd luid horen praten. Over de hoeveelheid geld dat hij deze maand weer had verdiend, met welke belangrijke mensen hij zaken had gedaan. In zijn jaren als portier had Cornelis hem steeds ronder en grijzer zien worden. Zijn grote snor, die zijn hazenlip moest verbergen, was van gitzwart naar wit verkleurd en de sigaren die hij rookte leken met elk bezoek wel groter te worden. Hoewel bijna iedereen die in het hotel werkte een hekel aan Tor leek te hebben was er niemand die één woord over Tor repte als hij aanwezig was. Zijn fooien waren aanzienlijk en iedereen liet Tor voor wat hij was, ondanks zijn constante denigrerende opmerken tegen de werknemers.
De vrouw van de baas was ingenomen met Tor en bleef zo veel mogelijk bij hem in zijn buurt. Eén keer had Tor zijn vrouw meegenomen naar het hotel. Haar naam was Sylvia. Een statige vrouw die alleen maar met Tor was getrouwd voor zijn geld en het leven dat daar bij hoorde. Simon Vaarsch was ook één van die vaste mensen die regelmatig in het hotel kwam. Hij omringde zich met jonge mannen die, als de rest van het gezelschap aan de bar zich volgoot met champagne en cocktails, op een zo slinks mogelijke manier mee naar zijn kamer probeerde te nemen. Zijn kleding was uitbundig en koste een vermogen, omdat deze speciaal voor hem gemaakt werd met stoffen uit allerlei exotische landen. En de schrijver, de man die elke dag als hij aan een roman werkte, een kamer voor een maand huurde zodat hij onverstoord kon werken.
De schrijver was, net voordat Cornelis pauze had voor zijn avond eten, altijd rond half 6 klaar. Hij wachtte altijd op zijn komst vanuit het hotel. En met een kleine blik naar binnen zag hij dat het lichtje, wat aangaf waar de lift zich bevond, omhoog bewoog en uiteindelijk, stopte bij de zesde verdieping. Zijn blik bewoog zich weer terug naar de straat om te zien of er misschien gasten waren die aankwamen. Niets de straat was nog steeds leeg. Hij kon zich nog goed herinneren hoe het eerste gesprek met de schrijver was gegaan:
Hij hoorde achter zich het geluid van de lift als deze aankwam op de begane grond. Toen hij door de ruit van de deur naar binnen keek zag hij de liftdeur openen en de schrijver naar buiten stappen. Nog voor deze de deur aan kon raken trok Cornelis de deur met een wijds gebaar open om de schrijver er door te laten.
‘Heeft u goed geschreven vandaag?’ vroeg hij de schrijver terwijl deze door de deur naar buiten stapte en hem een sigaret aan bood die hij vriendelijk weigerde.
‘ Ja’ zei hij toen hij zijn sigaret had aangestoken. ‘ ja, het is een productieve dag geweest.’ En inhaleerde diep , blies uit en knikte nogmaals bevestigend. Tevreden.
‘Hoeveel hoofdstukken heeft u geschreven’ vroeg hij optimistisch. De schrijver keek hem verwonderd aan.
‘Hoofdstukken?’ vroeg hij met opgetrokken wenkbrauwen.
‘Ow nou ja, bladzijden dan’ Het was meer een vraag die door zijn onzekerheid was ontstaan. De verwondering in de schrijvers blik was nog steeds aanwezig. ‘Bladzijden?’ en hij bleef Cornelis aan kijken.
‘Woorden?’ probeerde Cornelis voorzichtig. Hij zag het gezicht van de schrijver veranderen in een amusante glimlach.
‘Mijn beste man. Nee, de woorden had ik gister al. Vandaag heb ik ze op de juiste plaats gezet.’ Een beetje beschaamt was hij achter gebleven. Het was een ongemakkelijke gesprek.
‘Goeden avond’ zei Cornelis ‘Bent u klaar voor vandaag?’ Terwijl hij de deur opende voor de schrijver.
De schrijver knikte ‘Jazeker, dit was het voor vanavond. Ik heb weer tijd nodig om mijn gedachte te vullen.’ Hij lachte. ‘Nog steeds geen sigaret, neem ik aan?’
‘Nee dank u’ Cornelis veegde langs zijn oog die door een sterke windvlaag traande. ‘Is het schrijven goed gegaan?’ vroeg hij de schrijver die een eerste haal van zijn sigaret nam. Deze schudde zijn hoofd en keek naar de marmeren stenen treden van de trap naar de straat.
‘Het is wel eens vlotter gegaan met het schrijven, maar als ik doorschrijf moet het goed komen.’ Hij blies zijn rook uit en begon de treden af te dalen toen hij zei ‘Ik wens je een fijne avond en eet smakelijk. Wij zien elkaar morgen, tot ziens’ Cornelis stak zijn hand op en zag de schrijver langzaam in de donkere straat verdwijnen.
Ben zo terug – Bart