Auteur: Bart

  • Puur

    ‘Hoe is het deze week gegaan?’ De armleuningen van de stoel omringen mij, zodat ik mij veilig zal voelen. Het gestileerde interieur van een kantoor of beter behandelingskamer. De overbodige boeken in de kast tegen één wand van de ruimte. Hinten van magnolia en lavendel zweven door de ruimte speciaal dáár, voor de gemoedsrust. Een kleine houten tafel staat midden tussen ons in, op het iets te witte en wollige tapijt. Ik nestel mij dieper in de zwart-lerenstoel voor ik hem antwoord.
    ‘Goed hoor!’ zeg ik dan iets te snel. ‘Ik heb de hele week na gedacht over je vraag van de laatste sessie.’ Een korte stilte. ‘Wanneer de eerste keer was dat ik romantische of seksuele gevoelens voor iemand had.’ leg ik uit. Met een verbaasde blik kijkt hij op van zijn notities. Het was geen opdracht om daarachter te komen maar de vraag die hij tussen door gesteld had fascineerde mij mateloos. Door een enkele knik van zijn hoofd gaf hij aan dat hij begreep waar ik het over had. ‘De eerste relatie was rond mijn twintigste. Of dat de eerste keer was dat ik gevoelens voor iemand had op die manier…’ ik focus mijn blik op het wollen tapijt. ‘Ik was achttien dat ik mijn ouders vertelde dat ik op mannen viel.’ Voegde ik er voor de duidelijkheid aan toe. Ik was die week daarvoor ook niet echt tot een antwoord gekomen. Als ik door de kamer kijk op zoek naar woorden, zie ik in de kast vol serieuze boeken een titel die ik herken. Mijn gedachten op een rijtje zettend, lees ik met een glimlach; “Hieronijmus van Alphen Kleine Gedigten voor Kinderen”. Een zin uit het boek speelt door mijn hoofd; “Zegt tog niet, mijn lieve wigtjes”.
    ‘Ik was een jaar vier, vijf.’ Begin ik mijn verhaal. ‘De kleuterschool. Het was gewoonte dat er twee mensen uit de hoogste klas, tijdens de pauzes, op de kleuters pasten. Zodat de lerares rustig koffie kon drinken. In dit geval waren dat twee jongens. In mijn geheugen was hij daar opeens. Een klassieke schoonheid die vaak aan engelen wordt toegedicht, Kort blond krullend haar en fel groene ogen die met oneindige nieuwsgierigheid de wereld bekeken. Waarom weet ik niet maar altijd glanzend met een niet te ontkennen vreugde en plezier.’ De glimlach zakt van mijn gezicht en mijn ogen laten de titel los om te focussen op de man tegenover mij. ‘Ik herinner mij niets van die pauzes, alleen van de laatste dag van het schooljaar. De musical werd ’s middags opgevoerd door hen die ons gingen verlaten. Met iedere stap uit de grote ruimte, waar we deze hadden gezien, werd ik weemoediger. Een soort pijn maar niet scherp of schurend, steeds aanwezig een soort druk. Alsof ik verdronk in verdriet, zou ik er nu van maken. Niet dat ik het toen begreep. De lerares heeft er nog iets over gevraagd maar ik weet niet meer wat ik geantwoord heb. Misschien is het gevoel van verlies, de beste beschrijving. Een einde. Ik kan er voor mijzelf niet achter komen welke vorm van aantrekkingskracht het was, in ieder geval was het niets seksueels. Het was misschien wel meer dat ik niet bang voor hem was. Iemand die groter was, ouder. Niet dat ik bang was voor de andere.’ Om volledig te zijn voegde ik er aan toe ‘nooit helemaal begrepen?’ ik hoorde de vraag in mijn stem door klinken. ‘In ieder geval, het voelde als een soort sentimenteel afscheid. Voorgoed.’ Ik keek weer op en zag de pen over het papier glijden. Aantekeningen, dacht ik bij mijzelf, “voer voor psychologen”. Een glimlach kon ik niet onder drukken.

    Opeens viel het vierkante object op de tafel mij op. Zand met een mini harkje. Iedereen heeft een eigen manier om zich van stress te ontdoen. ‘Op mijn negende verjaardag kreeg ik van mijn ouders een instrument en muzieklessen cadeau’, vertelde ik verder. ‘Gespannen wachtend in de ruimte om binnen gelaten te worden, de les voor mij was iemand die piano speelde. Elke week een nieuwe les, en steeds dezelfde pianiste die voor mij les had. Waarom weet ik niet meer, maar ik kon niet komen om de een of andere reden, dus had ik een nieuwe afspraak gemaakt voor een andere dag. Opnieuw klonk de piano. Dat ik binnen werd geroepen was hij daar weer. Net zo opeens als hij in de kleuterklas was verschenen. Onhandig liep ik naar de plaats waar wij de lessen van deze week zouden gaan spelen. De muzieklerares en hij stonden bij de vleugel waar zijn spel had geklonken. Een gestameld hallo, van mij. Ik legde mijn spullen klaar en ging op de stoel zitten wachten. Ik was in de war van zijn aanwezigheid en waarom het zoveel met mij deed. Van wat ik in de vluchtige blik die ik naar hem durfde te werpen had gezien waren zijn haren langer, bijna tot zijn schouders. Verder was er niets anders aan hem. Pas nadat hij de ruimte verliet, met een vriendelijke groet in mijn richting, ontspande ik. Niet minder onzeker. In mijn herinnering heeft het een hele tijd geduurd voor ik hem weer zag, maar het moet hetzelfde jaar zijn geweest. Ieder jaar werden alle ouders uitgenodigd op een avond waar elke leerling zijn voortgang kon laten zien.’ Ik pakte het glas water wat voor mij klaar stond op de tafel en nam een grote slok. ‘Alle meiden die lessen volgden vonden hem interessant, dat is eigenlijk het enige wat ik nog weet van die avond.’, zei ik mijn glas voorzichtig terugzettend op de tafel. ‘Vooral mijn verwarring over de hele situatie. Ik weet dat hij liedjes schreef en zong maar of dat op die avond ook zo was zou ik me niet meer weten.’ Een diepe zucht klonk van tegen over mij, terwijl ik mijzelf weer nestelde tussen de geruststellende armen van de stoel. Het leer kraakte door mijn beweging maar zijn pen verliet het papier niet. ‘Ik denk dat ik op dat moment voor mijzelf had besloten dat het iemand was waar ik tegen opkeek. Waar ik bewondering voor had, dat was makkelijker te begrijpen. Ik heb hem nog een aantal keer gezien daar, verder eigenlijk nooit.’

    In de stilte die gevallen was na mijn laatste zin kon je het gekras van een ballpen op papier duidelijk horen. In de ruimte die viel zocht ik de bruin/rode kaft van Hieronijmus van Alphen op. Ik kon de tweede zin van het gedicht niet meer terug vinden in mijn brein. Een diepe zucht verliet mijn longen. ‘Het duurde een aantal jaren voor ik hem weer zag.’ begon ik het laatste deel van mijn verhaal. ‘Ik was al een aantal jaren gestopt met muzieklessen. De lerares had mij benadert omdat er iets was waar zij een grote groep mensen voor nodig had, “of ik niet ook mee wilde doen.” Nog voor ik wist wat precies de bedoeling was stemde ik toe. Steeds enthousiast om mee te doen, vooral omdat het altijd iets bijzonder werd. Zij vertelde mij dat hij ook mee zou doen als hij het ging redden, want hij was nog ergens op reis. Toen ik binnen liep bij de repetities zocht ik hem maar hij was nergens te bekennen. Pas op de dag van de uitvoering zag ik hem, ik was al binnen met een gedeelte van de groep toen ik hem uit een auto zag stappen. Deze keer was ik bekent met mijn gevoelens, ik had mijn eerste relatie gehad en wist wat ik verwachten kon. Pas nadat alles was gedaan kwam hij naar mij toe. Hoe het met mij ging en wat ik allemaal deed, was de vraag. Even viel het stil maar ik herpakte mij…’ ik liet het boek weer los ik zou er zo nooit achter komen, moest het thuis maar even uit mijn boekenkast vissen en het opzoeken. ‘Deze keer voerde wij een gesprek, geen gestamel en onhandigheid, gewoon spreken zoals volwassenen dat doen.’ De man tegenover mij was klaar met schrijven. Hij keek mij recht aan. ‘dat was de laatste keer dat ik hem gezien heb.’ Hij keek over zijn kleine brillenglazen in mijn richting, zijn pen tikkend op het papier. ‘Waarschijnlijk duikt hij wel weer ergens onverwachts op.’, besloot ik mijn betoog.

    Ben zo terug – Bart

  • Amnesie #1

    Het beeld was wazig, onscherp. Donkere figuren en alles in een oranje/geel licht. Het leek alsof ik het van een afstand bekeek, alsof ik het alleen aanschouwde. In eerste instantie kon ik maar vaag zien dat er figuren stonden, vaag zoals je ziet wanneer je net wakker word en je ogen moeten nog wennen aan het felle licht. Na enige tijd vurig knipperen met mijn ogen om beter zicht te krijgen stopte ik, het hielp me niets. De stemmen klonken geïrriteerd. Wat was het oranje/gele licht. Kwaad door iets, of beter gezegd over iets. Opeens herkende ik de kleur de snelweg. Het duurde enkele minuten voor dat ik door kreeg dat er iemand op de grond lag. Lantarenpalen langs de snelweg hadden zo’n kleur licht. De andere stonden om hem heen. Een kreet vol pijn en angst klonk door de nachtelijke scene. Het waren allemaal mannen. De jonge die in het midden lag keek mij recht in m’n ogen aan.
    ‘alsjebl-ieft’ Zijn stem schokte door een trap in zijn buik. De Zilvergrijze auto achter me kwam me griezelig bekend voor. De deuren stonden open, zoals deuren openstaan als je snel een auto verlaat. In de bijrijders stoel lag een rugtas, zwart met grijze ritsen en een sleutelhanger van Micky. Mijn rugtas. Mijn auto? ‘help me alsjeblieft’ Een doffe klap, en stilte. Niet alleen de persoon die had gevraagd om hulp maar de hele scene kwam tot stilstand.

    De witte lakens plakte aan mijn armen en borst van het zweet. De kamer was donker, iets verderop herkende ik de piep van een hartslagmeter die je ziet in ziekenhuizen. Duwend met mijn armen probeerde ik me te ontdoen van de dekens, toen ik er achter kwam dat mijn pols vast zat aan de rand van het ziekenhuisbed. Ik probeerde me te ontspannen door mijn hartslag weer omlaag te krijgen. Ik probeerde iemand van het ziekenhuis te alarmeren te laten weten dat ik wakker was. Mijn stem weigerde geluid te produceren, nergens kon ik een alarm vinden. De kamer tolde rond mij terwijl ik als een krankzinnige probeerde contact te maken. Met iemand, het maakte me niet uit wie. Terwijl ik mijn hoofd weer neer lag op mijn kussen werd het langzaam zwart om mij heen.

    Licht flitste langs mijn ogen. De autoruit waar ik tegen aan lag besloeg met elke ademhaling. De tiewrap waarmee mijn armen achter mijn rug waren vast gesnoerd sneed in mijn polsen, en maakte het onmogelijk voor me om weer rechtop te gaan zitten. Een stekende pijn in mijn neus en bloed dat langs het raam en de deur naar beneden liep hielp me bij bewustzijn te blijven.
    ‘We moeten van hem af’ de stem klonk stoer maar beefde van onzekerheid. Even werd alles zwart.
    ‘Ik hoop toch, dat hij niet dood is’ de stem klonk diep en angstig. Mijn zicht was nog niet volledig terug alles was wazig en donker.
    ‘Als we snel zijn hebben we nog tijd om hem ergens te dumpen’ zei de tweede persoon die in de bijrijdersstoel zat. Voor ik me kon verzetten of kon pleiten om mij te laten leven zakte ik weer weg.

    Ben zo terug – Bart

  • Gesprek onderweg #4

     

    Lees hier de eerdere verhalen in deze serie

    ‘Waar wil je eerst naar toe?’ Thijs zat op het bed een route uit te stippelen, omringd door boekjes over Rome met op zijn schoot een kaart van de stad. Met opgetrokken wenkbrauwen keek hij op van de kaart. ‘We zijn het dichtst bij Musei Capitolini’. Terwijl hij één van de boekjes van het bed pak, het uitgevouwen papier op zijn been balanceert, begint hij te lezen: “De Musei Capitolini vormen een museum in Rome voor archeologie en kunst uit de Oudheid en de Renaissance, waarvan de collecties zijn ondergebracht in het Palazzo dei Conservatori en het Palazzo Nuovo op het Capitool en in de Centrale Montemartini…”
    ‘Dan gaan we daar eerst naartoe.’ zeg ik zonder er veel woorden aan vuil te maken.
    ‘We kunnen ook eerst naar de Sixtijnse Kapel gaan.’ zegt hij zijn gezicht onzeker. Ik loop naar het bed pak de rugtas en begin de spullen die we meenemen in te pakken.
    ‘We kunnen ook naar het Louvre gaan’ zeg ik een wenkbrauw optrekkend. ‘Zeg het maar, ik vind het allemaal goed. We hebben de hele dag en tijd genoeg om alles op ons gemak te bekijken.’ Ik pak zijn hand en het boekje waarin hij zit te lezen. ‘We weten waar we naar toe willen toch? Het komt wel goed. We beginnen bij Capitolini en kijken wel waar we eindigen.’ Met enige tegenzin vouwt hij de kaart dicht en neemt de rugtas van mijn schouder.
    Rustig slenteren we naar het eerste museum. De regen heeft de ergste warmte van de vorige dag weg gespoeld. De blauwe hemel wordt op gesierd door een paar witte wolken die een koele lichte wind uit de hemel probeert te blazen. Als wij bij de tweede straat de hoek omslaan pakt Thijs de kaart uit zijn broekzak en leest het naambordje dat ver boven de straat aan een huis geplakt is. Het fascineert mij dat het scheef hangt.
    ‘Ik dacht dat je de route wel uit je hoofd wist.’ zeg ik met een glimlach ‘je hebt de kaart al twintig keer bestudeerd.’ Zijn blik laat me weten dat het niet op prijs gesteld wordt als ik verder ga met pesten. Ik geef een duwtje tegen zijn schouder en knipoog, ‘het was maar een grapje.’ Er komt niet meer dan een ‘hmf’ als we verder lopen. We steken het plein over, wat toegang biedt aan de drie panden die het museum vormen. Een kleine rij is aan het ontstaan waar wij netjes bij aansluiten. ‘Blote mannen,’ zeg ik in mijn handen wrijvend. Een schichtige blik van links en een overduidelijk nee schudden. Alleen het allerkleinste begin van een glimlach spreekt zijn reactie tegen. Binnen is een andere wereld. Elk ruimte heeft een andere stijl en wij bewegen ons slenterend langs de sculpturen. Als een grote groep in tegen gestelde richting onze zaal binnen loopt, houden we ons op tussen de beelden in het midden van de hal. In snel Italiaans wordt er door een gids verteld over wat er te zien is in deze ruimte. ‘Zo te zien hebben ze haast’ zeg ik terwijl ik Thijs zijn ogen opzoek. Ik herken iets aan de stem van de gids. Wanneer hij door de groep heen komt en probeert de groep op sleeptouw te nemen weet ik waarom ik de stem herken. Ik kijk Thijs aan om hem het duidelijk te maken, maar hij tikt mij op hetzelfde moment aan. “De trein!” denk ik… wat was ook alweer zijn naam? Voor één van ons twee ook maar iets kan zeggen herkent de man ons.
    ‘Ah!’ zegt hij, en wijst de groep naar het volgende vertrek. ‘Jullie hebben een zaal vol met mannelijk schoon gevonden.’ Een glimlach breekt door op zijn gezicht dat met een zekere ernst had verteld over de kunst in de ruimte. ‘Genieten jullie van je tijd hier?’ Zijn Italiaanse accent klinkt sterker als in de wagon. Net als in de trein neemt Thijs het voortouw in het gesprek.
    ‘Ja we hebben gister eigenlijk niet heel veel meer gezien, we hebben wat rond gelopen.’ Ik knik instemmend en glimlach vriendelijk. ‘De warmte is wel even wennen.’ Thijs kijkt naar mij.
    ‘Ik ben het volledig met hem eens.’ Het klinkt veel afstandelijker dan ik bedoel.
    ‘Luister, ik wil niet vervelend zijn maar er is vandaag een grote groep kinderen van een school uit de buurt.’ Opeens herinner ik me zijn naam weer, Thomas! Zijn blik wordt sober. ‘En met de kinderen, zijn er een groep ouders en leraren mee die er nogal ouderwetse ideeën op na houden.’ Ik kijk Thijs aan en zucht als ik mijn hoofd wegdraai van Thomas om mijn uitdrukking niet te laten zien. Thijs bedankt vriendelijk met een glimlach voor de waarschuwing. Als Thomas uit de ruimte verdwenen is zeg ik,
    ‘een glimlach? Hoe kun je nu glimlachen als iemand je dat zegt?’ Als een verontwaardigt zesjarig kind, frons ik mijn voorhoofd. Thijs lacht ‘we zijn hier voor onszelf. Het was een … een. Hij probeerde alleen maar te zeggen dat er mensen zijn die een reactie kunnen geven. Alsof we dat nog nooit hebben mee gemaakt?!’ Zoals je een kusje op een ‘au’ geeft bij een zesjarige, krijg ik een kusje op mijn voorhoofd. ‘Blote mannen’ fluistert Thijs in mijn oor voor we verder gaan. Lachend loop ik achter hem aan.

    Ben zo terug – Bart

  • Mensen in het wild

    Het zonlicht, dat door de smalle ramen naar binnen valt, strijkt haar gezicht in een gouden gloed. Haar ogen gefixeerd op het schilderij waarvoor ze zit. Het kleine bankje in het midden van de ruimte zodat je aan beide kanten plaats kan nemen om rustig de schilderijen in je op kunt nemen. Even kijkt ze naar opzij, de man naast haar gaat op in zijn dagdroom bestaand uit de wilde vegen op het doek.

    Ik ga er maar vanuit dat ze bij elkaar horen. Toen ze binnen kwamen stiefelen arm in arm om elkaar in evenwicht te houden. Leunend op de liefde en zijn wandelstok. De zaal is leeg buiten ons. Een drukke suppoost steekt zo nu en dan zijn hoofd om de hoek van de zaal om te zien of iedereen zich aan de regels houd. In een zaal met kunst, verdiept in totaal andere werken. Het schilderij waar ik mij voor ophoud is een worsteling tussen twee mannen waarvan ik niet helemaal kan beoordelen of het iets seksueels is of niet.

    “Impressionisme”, fluistert de dame voor zich uit. Het door de wind zwiepende gras is haast onzichtbaar, de witte jurk word naar een kant geblazen. Het gouden zonlicht is daar hetzelfde als hier. Als je niet beter zou weten zou je kunnen denken dat er alleen tijd verstreken is. De zelfde vrouw, de meeste haren grijs met hier en daar een herinnering van hoe het geweest moet zijn.

    In mijn hoofd is hij de schilder. Een schilder die met grote passie en wilde streken haar heeft vereeuwigd zoals hij haar zag. Waarop hij verliefd was geworden. Met zijn ogen toegeknepen en draaiend met zijn hoofd laat de man zijn blik langs elk deel van het doek gaan, alsof hij het nooit weer zal zien en het nooit wil vergeten. De dame rommelt iets in haar tas en haalt een pepermuntje tevoorschijn. Zonder iets te zeggen tikt ze haar man aan en gebaart; “wil je ook”. Heel even onderbreekt hij zijn ritueel om te zien wat er is en schud zijn hoofd.

    De worsteling voor mij is naakt en rauw, twee mannen midden in een gevecht vastgelegd. Er valt mij niets op aan het gevecht of de houdingen waarin zij zijn afgebeeld. Het zijn de gezichten van de twee mannen. Geen enkele emotie die te maken kan hebben met de situatie waarin hun lichamen zijn geschilderd. Ze zijn daar op dat moment, niet in pijn of blijdschap, niet in overwinning of extase. Ze zijn daar berustend in de situatie. Bewust emotieloos.

    ‘Ze is mooi he?’ zegt de oude man zijn gezicht richtend op de oudere versie van het schilderij naast hem ‘Bijna net zo mooi als jij.’ voegt hij eraan toe. De dame pakt zijn gezicht in haar knokige handen en haalt hem naar zich toe ze kust hem zacht op zijn voorhoofd, en zegt dan ‘slijmerd’. De dame staat op en helpt haar man van het bankje, voorzichtig schuifelen de twee naar het volgende bankje en nemen weer plaats.

    Als ik terug kijk naar het schilderij waar ik nog steeds voor zit, zie ik een zweem van een glimlach op het gezicht van de man die op de grond ligt. De achtergrond is een lucht waar een eenzamen, schijnbaar dode struik achter de lichamen vandaan komt. De grond is bruin met kleine steentje, waarschijnlijk zand of iets dergelijks. Het hele schilderij voelt wat bijbels aan. Ik sta op en loop naar het bordje bij het schilderij en noteer de naam van de schilder.

    Ben zo terug – Bart

  • 50 woorden #1

    Zijn donkerbruine ogen bezien mijn persoon. Zijn leren jas hangt open en laat een logo zien, waarschijnlijk van een band of iets dergelijks. Als zijn ogen klaar zijn met de lichaamsscan, kijkt hij nonchalant naar mij, iets van een glimlach rond zijn mond. Ik adem in en vraag;
    ‘Goed gekeurd?’

    Ben zo terug – Bart

  • Spelen met Onzekerheid

    Ik zet de laatste lijntjes rond mijn ogen. Mijn wit geschminkte gezicht kijkt mij aan met ogen vol angst. De vettige laag make-up maakt dat het zweet eronder, niet uit mijn poriën weg kan. Mijn hartslag neemt steeds meer toe, een zweem van misselijkheid doet het water in mijn mond staan. Ik ken mijn teksten en weet waar ik moet staan. Adem in en houdt vast, 21, 22, 23, 24 en laat los. Het licht dat in de spiegel weerkaatst is te vel om te verdragen. Met mijn ogen gesloten herhaal ik de oefening. Adem in en houdt vast en uit door de mond. Met de zucht komt een zurige lucht mee naar buiten, mijn mond begint te wateren, mijn maag wordt fijn geknepen, zweet breekt zich een weg naar buiten. Net op tijd kan ik de deur naar de toilet openen voor het braaksel zijn weg naar buiten vindt. Het wordt zwart voor mijn ogen…

    “Het felle licht van de volgspot maakt het onmogelijk om het publiek te zien. Mijn tegenspeler zegt in dreunende monotone vorm zijn zinnen. Ik moet lopen, mijn plaats is op de rand van het toneel waar ik met mijn zinnen de vierde wand breek. Rechtstreeks het publiek aanspreken gaat niet vanaf hier. Met alle kalmte die ik op kan brengen loop ik naar voren. Het laatste woord van zijn monoloog nadert in volle snelheid. Gehaaster zet ik mijn stappen. Steeds groter. Het einde van het toneel lijkt steeds verder van mij af te raken. Ik kan niet langer wachten en begin te spreken. Hij kijkt mij aan met een blik die wil zeggen het is jouw beurt, zeg in ieder geval iets. Wat doe je? Waar ben je mee bezig? Hij draait zijn hoofd richting het publiek, herhaalt zijn laatste woorden, alleen iets harder. Zijn hoofd draait zich terug met een geïrriteerde grimas. Mijn strijd met het toneel, dat oneindig lijkt, is nog steeds in volle gang. Mijn mond geeft geen enkele indicatie, dat het mijn geleerde zinnen op gaat zeggen.”

    Hangend boven het toilet, haalt de geur van het wc blokje mij weer terug. Het laatste beetje gal dat nog in mijn maag zat heeft mijn mond verlaten. Ik spuug de smaak uit mijn mond en sta op. Het glas water, bij de schmink voor de spiegel, drink ik leeg en ik ga weer zitten. Terwijl ik het glas volschenk met koud water knoop ik de bovenste knoop van het kostuum los. Adem diep in door mijn neus en uit door de mond. Soms vraag ik mij af of dit werkelijk is wat ik graag wil doen, of ik niet beter een ander beroep zou kiezen. Maar ik zou niet kunnen bedenken wat ik zou willen doen, buiten het spelen. Na het tweede glas water bekijk ik mijn gezicht, veeg mijn lippen schoon en breng ze opnieuw aan.
    ‘Vijf minuten voor aanvang!’ Laat een lichte mannenstem ons weten. Iedere kleedkamer heeft een kleine box boven de deur hangen waarover de intercom klinkt. Ik voel de volgende golf van misselijkheid opkomen. Maar weet deze binnen te houden. Ik kan niet spelen op een lege maag, denk ik…

    “We spelen de sterren van de hemel. De laatste scène is gespeeld, het licht dooft, de stilte blijft nog even in de zaal hangen. Zelfs geen rumoer. Stilte, waar normaal het applaus start, niets… En dan, het zaallicht gaat aan alle spelers samen op het toneel. Iedereen zit, niemand beweegt, vijfhonderd paar ogen staren zonder enige emotie.”

    Adem in, de oefening is er meer voor mijn gemak dan dat het werkelijk iets doet, adem uit. Het is tijd. De trap op naar het toneel, de zaallichten zijn nog aan, het doek gesloten. Vanachter het doek kan ik de volgspot op het voortoneel zien. Adem in… Adem uit. Het doek opent zich en de eerste regel verlaat mijn mond. Als een warme deken wikkelt hij zich om het publiek. Herkenning.

    Ben zo terug – Bart

  • Wandelaar

    De eerste krakende stappen in de witte wereld. Ontmaagding van de sneeuw. Ze had zo lang door de dorren bladeren gelopen dat ze ervan overtuigd was dat de winter overgeslagen zou worden. Als klein kind wilde ze altijd al vroeg uit bed, zodat de wereld om haar heen nog niet tot leven was gekomen. De stilte van een landschap zonder mensen. Zonder de geluiden van het leven. Alleen de wind, het ruizen van de bladeren een opschrikkende vogel die met zijn vleugels slaat. Alleen vers gevallen of vallende sneeuw kon de wereld stiller maken. Dof, als een wollen deken die over geluid heen is gevallen, de wereld iets van zijn hardheid liet verliezen. Ze liep door de nog donkere straten het kleine dorpje uit. De takken van de singel, die in het wit leek te eindigen, kreunend onder de zware witte lading. Op haar zwartte wollen jas vielen de laatste kleine vlokken. Even bleven ze liggen om vervolgens te smelten en een piepkleine waterdruppel achter te laten. Een bevroren ster, zo klein dat ze de mouw van haar jas naar zich toe moest bewegen om het te kunnen zien. Haar adem rilde van de kou en liet een grote wolk uit haar mond ontsnappen. Tussen de bomen waren struiken die zorgde voor een kleine schuilplaats waar een hoog sjilpend vogeltje uit vandaan geschoten kwam. Ze trok haar kraag op en liep de witte weg verder af. Toe ze nog maar net zichtbaar was stak een grote haas over om zich aan de overkant weer te verschuilen tussen de struiken.

    Ben zo terug – Bart

  • Tussen Berlijn en Hippolytushoef

     

    Toen ik de huiskamer inliep maakt de telefoon mij alert op een binnenkomend bericht. Op het scherm alleen een naam, David (Duitsland). Zijn volgende zet in onze schaakpartij, dacht ik. Een spel tussen twee huizen en landen. Mijn gedachten gleden oncontroleerbaar af naar de zomervakantie waarin ik hem leerde kennen. Mijn moeder had mij meegenomen naar Berlijn waar zij een echtpaar kende die haar hadden uit genodigd om een paar weken bij hen te blijven. Mijn eerste vakantie als onhandige tiener die zijn vader en oudere broer had verloren bij een ongeluk. Gevuld met onzekerheid en gevoelens die mij, maar meer nog de mensen om mij heen, ongemakkelijk maakte. Verlegen stelde ik mij voor aan de mensen in de huiskamer waar wij werden binnengelaten. Het echtpaar verwelkomde ons met alle liefde die in hun huis aanwezig was. Hoewel David niet in de woonkamer was bleek uit alles dat er nog iemand bij het gezin hoorde. De moeder nam mij mee naar een gesloten deur van waarachter luide muziek hoorbaar was.
    ‘Dit is David!’ schreeuwde ze over de muziek, terwijl ze zonder kloppen naar binnen liep. In het Duits sprak ze bits een paar woorden tegen haar zoon en draaide de volumeknop van de stereo omlaag. ‘Jullie moeten zijn kamer delen ben ik bang.’ Zonder verder nog iets te zeggen liep ze de kamer uit. Een breedgeschouderde, blondharige jonge met staalgrijze ogen hing over zijn bed gedrapeerd.
    ‘Gooi je koffer maar op de grond.’ zonder mij aan te kijken wees hij naar een hoek van zijn kamer.
    ‘Mijn naam is Marc.’ zei ik onzeker. Zijn ogen schoten van de platenhoes in zijn handen naar mijn rood aanlopende gezicht.

    De zomer had elk stukje van de stad verwarmt, zodat wij ’s avonds vaak naar Tiergarten gingen om te zwemen en de schaduw van de bomen op te zoeken. Zijn groep vrienden waren steevast aanwezig en ik was de jongen die op sleeptouw werd genomen. Die laatste avond waren wij met een grote groep en speelde een spel waarbij er uitdagingen waren.
    ‘Waar zijn de toiletten David?’
    ‘Zeik maar tussen de bomen.’ zei hij zijn wenkbrauwen optrekkend. Ik hoorde de stemmen van de groep fluisteren en lachen terwijl ik weg liep. Tussen de bomen vandaan komend stond hij vlak voor mij. Hij pakte mijn hoofd vast en plantte zijn lippen op die van mij terwijl hij zijn tong naar binnen drukte. Alle warmte in de stad werd in mijn lichaam opgenomen en specifiek naar mijn hoofd geleid. Hij trok zijn gezicht weg bij het mijne en nog voor ik iets kon doen greep hij mij in mijn kruis. Met een smerige glimlach fluisterde hij ‘Jij bent er zo één, hè?’ Hij legde zijn arm over mijn schouder en zei ‘ik wist het al meteen.’

    Ik opende het bericht en las de letters en cijfers. Terwijl ik zijn schaakstuk op het bord verplaatste kreeg ik een tweede bericht, bestaande uit één enkel woord. “Schaakmat!”

    Ben zo terug -Bart

  • Wachtkamer etiquette

    Twee grote bolle ogen kijken mijn aan. Het effect wordt versterkt door de vorm van het glas, van waarachter naar mij gestaard wordt. De rest van de balie is leeg. De wachtruimte is in de vorm van een honingraad met twee kleine ramen die zijn gesluierd met lichte vitrage. De muren zijn voorzien van twee oude schoolplaten die gedetailleerd een weergave geven van twee voorkomende natuurlocaties, een sloot en een poel in de duinen, beiden met de dieren en platen die daar voorkomen. Voor de rest posters met aankondigingen voor bijeenkomsten, voor steun aan kanker patiënten en informatie over ziektes en aandoeningen. In het midden van de ruimte staat een grote ronde tafel waarop tijdschriften liggen waarvan de houdbaarheidsdatum reeds lang overschreden is. De ongemakkelijke stoelen staan rond de tafel, alsof het een verjaardag betreft.

    De vissenkom op de balie laat nu een tweede vis zien, een zwarte die zich niets aan trekt van wat er rond de kom gebeurd hij hapt naar de blaadjes van de zielige waterplant die wat onbeholpen in het water hangt. Ik vraag me af wat er voor deze dieren is in zo’n ruimte. Wat drijft mensen om twee goudvissen in een kom op de balie in een wachtruimte te zetten.

    Een overdonderend luide hoestbui versplinterd de stilte van de wachtruimte, het teken voor de andere om lost te gaan, wat een kakafonie van geluiden oplevert; Snotterende neuzen, blaffend gehoest, kreunende spieren en het schrapen van de stoelpoten over een stenen vloer. De kleine, die moeder geprobeerd heeft stil te houden, ziet dit als een teken om eens flink door de bak met bouwstenen heen te graaien. Het kleine beetje stof voor de ramen helpt niets om de galm die ontploft in de kleine wachtkamer te verminderen.

    Het lijkt of de dame achter het loket zich van niets bewust is. Haar glimlach als die van een wassenbeeld, onverstoorbaar. Ze is bezig met het vullen van de uitgeschreven medicatie voor een patiënt. Haar collega is druk bezig met het uitzoeken van de medicatie die met kratten tegelijk is binnen gebracht.

    Een klik van de intercom en een totaal onverstaanbare stem roept iets door de wachtkamer. Totale chaos in stilte. Iedereen kijkt naar elkaar om te zien of er Iemand is die het wel heeft verstaan, of er iemand opstaat. Schouders worden opgehaald, ogen zoeken door de wachtkamer. Een tergende stilte is over de mensen in de wachtruimte gevallen. Ik besluit de dame bij het loket te vragen wie de dokter graag wil zien. Zij vertelt mij dat ene meneer de Fries word verwacht door de dokter. Een voelbare opluchting komt over de mensen, het kleine jongetje begint weer met de blokken te spelen. De volwassenen zijn stil. Zoals dat hoort, schijnbaar.

    Ben zo terug – Bart

  • Ontmoeting met een foto

    Ik ben hier om haar te vertellen dat haar zuster is overleden, maar eigenlijk ben ik hier voor het verhaal van de foto. Haar huid ontplooide zich toen ze haar handen om de foto sloot. Ik had hem bewaard als laatste redmiddel. Ik wist dat de foto haar uit haar doen kon brengen. Zo’n herinnering kan iedereen uit zijn doen brengen, laat staan een dementerende vrouw in de zeventig. Een foto van een leven dat zij achter zich had gelaten om nooit meer terug te keren. Dat was in ieder geval mijn redenatie over wat er gebeurd moest zijn.
    ‘Wie bent u?’ vroeg ze mij toen ik haar de foto gaf.
    ‘Mijn naam is Peter Wellis ik ben de zoon van uw zuster.’ Ze leek meer te zien op de foto dan ik. Haar blik vergrendeld op een verleden, gefocust op herinneringen. Op haar gezicht kwamen flarden van emoties langs. Ik probeerde haar niet uit haar gedachten te halen opdat ze zich des te meer zou herinneren. Het haar, dat opgestoken op het achterhoofd samen kwam in een knot, was van donker bruin naar zilver wit gekleurd.

    Ik moest naar het toilet zoals altijd als ik gespannen was. Haar ogen vonden langzaam de weg terug naar de foto in haar handen. Mijn ogen zochten naar haar herinneringen, een verleden. Niets dat deed vermoeden dat er nog een zuster moest zijn. De enige twee foto’s die er waren stonden naast het bed op een verrijdbaar nachtkastje. Eén met een man die ik niet kende, de ander was van haar alleen. Op het bed lag een sprei, gekleurde bloemen met een zwarte rand. Te klein voor het bed, liet het een deel van het kussen zien. Verder stond er in haar kamer een kleine vierkante tafel, waaraan wij elke keer als ik langs kwam waren gaan zitten. Een garderobekast waar haar kleding in opgesloten lag.

    ‘Dat is je vader en mijn zus.’ zei ze kalm. Haar ogen verraadde haar verdriet. Ze had de afgelopen veertien dagen niets meer dan flarden van haar leven verteld. De uitspraak bracht me uit mijn evenwicht. ‘Uw vader en mijn zus?’ herhaalde ik vragend. Ze keek op van de foto en zocht mijn ogen. Het verdriet liep langzaam weg met de traan die door een rimpel naar beneden rolde. Ik her pakte mijzelf en vroeg haar: ‘Wie bent u?’ Er kwam geen antwoord en mijn ogen zakte van haar gezicht naar beneden. Voor het eerst viel mijn blik op de nodeloze bloemetjesbel rond het linker handvat van de rollator. Het was het enige kleurige dat het grijs-zwart van het ding probeerde op te heffen.

    In de stilte die viel kwam ik er achter waarom het ‘Je vader en mijn zus’ mij zo bijzonder in de oren klonk. Mijn moeder was, in mijn beleving, nooit iemands zus geweest. Ze had nooit iemand in haar buurt gehad die op die manier over haar sprak. In tegenstelling tot mijn vader die ik er op een gegeven moment van verdacht van iedereen een broer te zijn. Zo groot was zijn familie. Zijn broers spraken altijd over ‘je moeder en mijn broer’, toen ik ouder werd kreeg mijn moeder een naam maar mijn vader bleef ‘mijn broer’, als mijn ooms het over hem hadden. Het was de eerste keer dat er op die manier aan mijn moeder werd gerefereerd. Haar ogen waren al weer verdiept in de foto toen ik opkeek.

    Er staan twee personen naast een bed, in het bed ligt een derde met een baby in haar armen. De foto was genomen in een ziekenhuis en als je niet beter wist zou je kunnen denken dat de vrouwen in het bed de moeder was van het pasgeboren kindje. Zo pasgeboren was ik niet meer als ik de datum op de achterkant van de foto mag geloven. Ik zou bijna 5 maanden oud zijn. Klein, dat nog wel. Naast het bed staan mijn vader en moeder en in het bed de vrouw bij wie ik al veertien dagen op bezoek kom. “Annie in het ziekenhuis 14 april 1963” vermeldt het handschrift van mijn moeder op de achterkant van de foto. Ik kan mij niet herinneren dat ik haar ooit heb gezien of ontmoet; of dat ik mijn ouders over een tante in Nederland heb horen spreken.

    Ze zat schuin naast de tafel, met voor haar een rollator. In het netje dat aan de voorkant hing kon ik wat verkreukelde zakdoekjes zien. Half achter het fotoboekje lag een boek geschreven door Enid Blyton.
    ‘Mag ik even in uw fotoboek kijken’ was een van de standaard vragen geworden in de afgelopen veertien dagen. Haar antwoorden varieerde van het negeren van de vraag tot kwaad het boekje opbergen. Ze was nog steeds verdiep in de foto ‘vindt u het goed als ik even in uw fotoboek kijk?’ Ik vroeg het voorzichtig.
    ‘Hm hm’ ze keek niet op van de foto. Voorzichtig wilde ik het boekje uit het net van de rollator pakken. Maar nog voor ik het er uit had gevist gaf ze mij, als een klein kind, een tik op mijn vingers. Ik weet ondertussen dat als ik niets vraag er weinig te verwachten is van haar. Niet dat zij niet zou beginnen te spreken, vaak komt er van alles. Van weinig richting is geen spraken.
    ‘Wanneer zag u uw zus voor het laatst?’ vroeg ik haar terwijl ze de foto op haar rollator legt.
    ‘Wij hebben wat gedronken, toen vertelde ze dat jij geboren was.’ Ze kijkt mij aan en knijpt haar wenkbrauwen naar elkaar. ‘Nee’, zegt zij dan ‘dat jij geboren zou worden, dat ze…’ zij kijkt mij aan voor hulp; ‘zwanger was?’ zeg ik haar aanvullend. ‘Maar u heeft mij vast op de foto.’ stel ik vast om haar niet in verlegenheid te brengen.
    ‘Een zuster heeft hem gemaakt.’ zei zij kijkend naar de foto op haar rollator.
    Ik verschuif op mijn stoel mijn blaas zit nu zo vol dat het ongemakkelijk voelt om te zitten. ‘Ik moet echt even naar het toilet’ zei ik verontschuldigend tegen haar. Haar blik was al weer bij de foto.

    ‘Heeft u de dokter gezien?’ vroeg ze toen ik terug kwam van het toilet.
    ‘De dokters zijn er niet op zondag.’ zei ik ‘Zal ik vragen of de zuster morgen een afspraak bij de dokter voor u maakt?’ Zij keek me aan alsof zij niet begreep.
    ‘Hoe ben je hier?’ vroeg ze hoopvol. Het duurde even voor ik begreep wat ze bedoelde.
    ‘Met de auto.’ Een glimlach speelde rond haar lippen.
    ‘Dan rij ik met jou mee.’ Ze boog zich naar voren en voegde er aan toe. ‘Ze houden me hier gevangen.’ Haar blik ging van mijn gezicht terug naar de foto. Misschien dat ze wel samen met mij wilde kijken naar de foto’s die ze haar hele leven had opgespaard.
    ‘Zullen we samen even in uw fotoboek kijken?’ vroeg ik haar hoopvol.
    ‘Hoe heet u ook alweer?’ Ze vroeg het alsof ze het even moest controleren.
    ‘Peter’ zei ik ‘Peter Wellis, de zoon van uw zus.’
    ‘Ja natuurlijk dat is ook zo’ zei ze terwijl ze me lachend aankeek en het fotoboek voor haar op tafel opende.

    Ben zo terug – Bart