Auteur: Bart

  • Overpeinzing

    Zijn hand pakte het zwarte vinyl uit de hoes. Het geluid uit de boxen rolde over de vloer kaatste via de wanden de ruimte door. Het was donker. De lantarenpalen buiten waren in protest gegaan tegen de wereld. Het lichtje van de platenspeler gaf alles een oranje waas. Hij schonk zichzelf een glas rode wijn in, ging in de zwartleren stoel zitten. Een stem zonder lichaam vloog door de kamer. “Is dit de wereld die wij hebben gecreëerd?” vroeg de stem zichzelf af. Hij nam een slok van de bijna zwarte vloeistof en knikte. ‘Dit is wat wij hebben gecreëerd.’

    Ben zo terug – Bart

  • Afwas

    Het water was warm en het sop omsloot haar handen. Voorzichtig liet zij de vaat in het water glijden en pakte de borstel. Zij vond het prettig om de afwas te doen. Er was tijd om na te denken zonder dat er iemand vragen stelde. Het porselein voelde glad in het water. Haar gedachte bij de personages van het boek dat ze aan het lezen was. Ze zette de mok op het aanrecht-doek, waste het bord waarvan ze had gegeten en het bestek af. Met de vaatdoek droogde ze alles en zette de spullen voorzichtig terug op zijn plaats.

    Ben zo terug – Bart

  • De wereld op papier

    Zij knipte. Haar gezicht licht gespannen als in een trance. Gelezen had ze alles al, nu was het tijd het te verzamelen. Had Tolstoj niet de oorlog van zijn land proberen te ontrafelen in zijn meesterwerk? Hoeveel boeken had Victor Hugo nodig gehad om de Franse revolutie te beschrijven? Haar doel was grootser. Met elke zin moest een gedeelte van de wereld worden ontsloten. Wat schetste de wereld duidelijker dan dagbladen en magazines. Koppen, de kleinste artikelen over gevoel en foto’s. Het was haar levenswerk, dagen lang te knippen uit díe papieren. De wereld was te groot om te vangen.

    Ben zo terug – Bart

  • 100 woorden augustus

    Elke dag een kort verhaaltje van honderd woorden gedurende de hele maand augustus.

    tot snel!

    Ben zo terug – Bart

  • Droom realiteit

    ‘Sluit de deur!’ klonk het vanuit de donkere ruimte. Alles aan hem was hoekig en scherp. Zijn dreunende basstem en zijn logge lichaam, zijn zwaar aangezette zwarte wenkbrauwen en zijn kolenscheppen van handen. De puntige wandelstok, die hij gebruikte om door zijn overvolle kamer te komen op weg naar het watercloset, beangstigde mij. Het leek op een mes dat de loper in de gang met kleine prikken probeerde te vermoorden. Hij was de enige die de badkamer en het closet mocht gebruiken, het was tegen over zijn kamer. Verder dan daar kwam hij niet, de kleine wereld van een negentigjarige. Ik zag hem haast nooit. Eén keer had ik hem met mijn moeder horen spreken. ‘Kinderen zijn lui en hebben geen respect’. De gang waar zijn kamer aan grensde, leek donkerder dan de rest van het huis. Heel soms kon ik hem door zijn kamer horen lopen. Het was nog zeldzamer om geluid uit zijn kamer te horen komen. Zo ver ik mij kon herinneren was het maar een handvol keren gebeurd dat ik muziek had gehoord. Een klassiek pianostuk was het enige wat ik me kon herinneren. Eén van de lichtste soorten. De toetsen nauwelijks aangeraakt, daardoor des te pijnlijker.

    ’s Nachts droomde ik van de man die ons huis onder een permanente deken van stilte legde. Ik wilde niet graag alleen in het huis zijn met de oude man. Toch gebeurde dat zo af en toe als mijn beide ouders waren uitgenodigd voor een feest. Ik bleef wakker tot ik de stemmen van mijn vader en moeder, onderaan de trap te horen waren. Toen ik jonger was lag in dat wakker blijven de uitdaging. Vaak was de slaap sterker. Ik droomde van de grote man, die stil zijn ronde door het huis maakte als niemand hem zag.

    Zijn donkere basstem klonk naast mijn oor, haast onhoorbaar. Onderaan de trap bij de voordeur klonk gestommel. Voor ik uit mijn bed kon stappen bracht hij zijn wijsvinger naar zijn getuite lippen en gebaarde mij mee te komen. In volledige stilte klom ik uit mijn bed. ‘Kom’ zei hij zacht ‘mijn kamer’. We slopen samen van de wenteltrap naar de eerste verdieping. Het gestommel beneden had zich naar de keuken verplaatst. Over de overloop richting de gang waar zijn kamer zich bevond. De voetstappen werden duidelijker. Een stem fluisterde: ‘Doe voorzichtig als je naar boven loopt’.

    De geur van rotte eieren klom voor de binnen sluipers uit. Voorzichtig sloot hij de deur. Ik had niet gedacht dat hij zo stil kon zijn met zo’n log lichaam. Ik probeerde een betere omschrijving te bedenken voor de geur die ik boven aan de trap had geroken. Zwavel of gas.

    Zijn kamer was gevuld met een goudkleurig licht, de blokken hout in de openhaard smeulde nog en gaven een oranjerode gloed. De kamer was gevuld met spullen. Twee grote werkbanken die zich door de gehele ruimte uitstrekte. Glazen flessen, vijzel en branders, oliën en potjes met poeders. De wanden waren bekleed met grote boekenkasten. Het rook er naar pepermunt en lavendel en leer. De twee kaarsen die brandde leken twee keer zoveel licht af te geven dan een normale kaars. Hij liet de kaars bij de deur aan, terwijl wij verder het vertrek in liepen. Zo ver mogelijk bij de deur vandaan. De kaars het dichtste bij ons doofde hij tussen zijn duim en wijsvinger.

    Tussen zijn vingers glom iets dat op zwart glas leek. ‘Dit is geen scheikunde’ siste hij tussen op elkaar geklemde kaken. Hij blies richting de deur en duwde mij achter zich. Er leek niets te gebeuren. Toen de deurkruk zich langzaam naar beneden bewoog liet hij het zwarte, glimmende glas vallen en trapte het met zijn hak kapot.

    De duisternis die door het felle kaarslicht verdreven was kwam terug in de kamer en door zijn zucht braken de zwarte wolken uiteen en verdeelde zich. Het zwart leek zwaarder; het licht van de kaars kon er nu maar moeilijk doorheen schijnen. ‘U bent niet welkom hier’ zijn zware stem was nog een octaaf gezakt en deed alles in de ruimte trillen. Vanachter zijn brede armen zag ik een lange slanke hand om de deur heen krullen. Een statig kort mannetje met een wandelstok kwam door de deur. Hij glimlachte. Zijn stem was hoog en ijzig. De zware geur kwam de kamer in rollen en sloeg met een slag de adem uit mijn longen. Een groene glinstering steeg langs de wanden omhoog. ‘Het is niet hier’ zei zijn zware stem, ‘er valt niets te vinden. Doorzoek alles maar’. Achter het kleine mannetje was een lijzige grijze figuur binnen gekomen. Zijn huid leek van was en licht doorzichtig. Weer blies hij. Deze keer harder. De deur die de lijzige figuur had vast gehouden sloeg uit zijn handen. ‘Ik heb liever dat u nu gaat!’ zijn toon was lichter en dwingender. Hij liet een oranje balletje vallen en trapte deze kapot. Nog voor hij iets kon doen klonk er een zware knal en viel er van alles over mij heen.

    ‘Ga maar lekker slapen’ zei zijn stem ‘morgen is het weer over’. Zijn hand streek over mijn hoofd, ‘het was maar een droom’.

    Ik voelde zijn warme hand langs mijn voorhoofd strijken toen ik mijn ogen weer wilde openen. ‘Opa’ zei ik toen ik de kracht had terug gevonden. ‘Lieverd sta je op, het ontbijt staat klaar’ mijn moeders ogen keken recht in die van mij. ‘Als je zin hebt kunnen we vanmiddag wel een wandeling maken door het bos. Misschien wil opa ook wel mee’. Het was de eerste keer dat ik mij herinnerde dat we samen iets gingen doen met opa…

     

    Ben zo terug – Bart

  • Boodschappen

    Terwijl zij de koffie in haar mandje legt kijkt ze naar de mensen om haar heen. Bij elke hoek kan zij het niet laten om toch alle kanten op te kijken. Je weet maar nooit. En steeds weer de teleurstelling. Haar handen doen de boodschappen, het is dat haar lijf mee moet, dus ook haar hoofd. Hoe dichter zij bij het einde van het pad komt, des te sneller haar handen de producten die ze nodig heeft grissen. Haar hoofd lijkt voor haar lichaam het pad uit te komen. Haar ogen vliegen van links naar rechts. Niets.

    Het volgende pad, eindeloze somberheid. Haar ogen staren naar het einde. Haar oren luisteren naar iedere stem, elk geluid. Terwijl haar handen in de rekken grijpen, wc-papier, inlegkruisjes en tampons, vanuit het niets een kinderstem. alles in haar lichaam moet zij aanspannen om niet toe te geven aan haar instinct. Zien. Aan het einde van het pad stopt haar lichaam met bewegen. Enkel haar hoofd…  van links naar rechts. Haar ogen nemen ieder detail in zich op, totdat ze het zeker weet. Dan keert de somberheid terug en sleept ze zich verder door de eindeloze paden.

     

    Ben zo terug – Bart

  • Om

    Vinnig tikkende naaldhakken lopen mij voorbij. Linksaf. Het overleven op de kinderkopjes. Aan de overkant van het water klinken luide stemmen in een samenzang, onverstaanbaar. Het licht is gehuld in grijze wolken. Een groepje studenten loopt mij tegemoet. Hun gesprek is te lezen in de lucht, met ieder woord een wolkje. Linksaf. Een zoete walm uit een patisserie overvalt mij. Ineens ben ik terug in Frankrijk. De latente warmte in mijn gedachte, vult mijn lichaam, dat even nog door de snijdende wind was afgepakt. Ik was jong, de zoete broodjes vulden mijn mond met speeksel. De zon was warm, de straat rustig en loom. Als een verwonderd kind had ik met mijn handen tegen de ruit staan kijken naar al dat zoets. De bakker was vanachter zijn toonbank gekomen om mij voor zijn etalage weg te jagen. Een schrale bierlucht vult mijn neus. Terug ben ik, terug in de straat vol drommende toeristen. Linksaf. Een koopman roept zijn waren om. Terug onder de grijze wolken in de snijdend koude wind. Een sterke windvlaag ontneemt mij even de adem. Zoals mij, als kleine jonge de adem werd ontnomen op het stormende strand. Mijn opa moest mij staande houden en trok mij mee door het rulle zand. Linksaf. Stilstand, geen beweging meer. Een groep Chinese toeristen waaiert uit de smalle deur van de bus. Voetje voor voetje, tergend langzaam sleep ik mij door de menigte. Dan ben ik weer waar ik begon.

    Ben zo terug – Bart

  • Briefwisseling #2

    Beste Bart

    In de laatste brief die je mij schreef had je het over de hoeveelheid boeken die je nog wilt lezen. De dingen die je nog wilt begrijpen, ik ken het gevoel. Ik weet nog goed dat ik maanden aan het zoeken ben geweest naar: The Rubaiyat of Omar Khayyam in een vertaling van Richard Le Gallienne. Iemand had iets verteld over de tekst, de herinnering is mij ontschoten. Tot ik bij een kleine boekhandel kwam en de man mij vertelde dat hij zou proberen of hij het misschien kon krijgen via een vriend in Engeland. Dat lukte en uiteindelijk kreeg ik het een maand later in mijn handen gedrukt. De vergeelde pagina’s gaven een tekst weer die ik niet snel meer zal vergeten. Het heeft diepe indruk op mij gemaakt, tot dat ik veel later de vertaling van Edward Fitzgerald las. Vele malen poëtischer dan Le Gallienne maar veel minder provocatief. – Het blijft zo, het hele leven zal je nieuwe boeken vinden en alles wat je vindt wil je lezen. Er is te veel geschreven, gemaakt en bedacht om alles in je op te kunnen nemen. Dat geldt eigenlijk voor alles in deze wereld.

    Ik heb met plezier je ideeën gelezen over diezelfde Rubaiyat. (vandaar de reverentie in het eerste deel van mijn brief). Ik ben weer thuis dus mijn boekenkast ligt naast mij op mijn bureau terwijl ik dit aan jou schrijf. Het is inderdaad zo, dat het een ingewikkelde tekst is. Misschien is het een goed idee voor je om eens te kijken naar de andere vertalingen die er van deze tekst zijn.
    Vanmiddag tijdens mijn vaste wandeling heb ik mijn boekhandel nog eens bezocht op zoek naar nieuwe verhalen en ander interessants. Kwam thuis met een behoorlijke stapel. John Milton’s Areopagitica and Other Writings. Ik kende alleen een aantal gedichten ben zeer benieuwd naar zijn polemisch schrijven. drieëndertig beroemde verhalen van Guy de Maupassant ook eerder in het frans gelezen, dit zijn Nederlandse vertalingen. Anton Tsjechov, Op kamers, ook korte verhalen. Eén van de grootmeesters. En als laatste Arthur Rimbaud een bundel gedichten waarin onder anderen; Een Seizoen in de Hel en Illuminations, zijn opgenomen. Je ziet… zo ook bij mij wordt de lijst met nog te lezen boeken steeds aangevuld.

    Het interview waarover je schrijft tussen Charlie Rose en David Foster Wallace ken ik niet, hoewel ik moet zeggen dat de thematiek mij bekend voorkomt. Het is zeker interessant om na te denken over de auteur als onderdeel van het boek en de rol die hijzelf als auteur speelt in zijn verhaal. Hij heeft gelijk als hij zegt dat die kijk naar het schrijverschap en de lezer iets is, wat al in de jaren zeventig een punt van discussie was.
    Ik moet eerlijk bekennen dat ik nog nooit iets van hem gelezen heb. (Ook, één voor op de lijst!). Misschien is Mandarijnen op zwavelzuur iets om te lezen van W. F. Hermans.

    Ik zie uit naar ons volgend corresponderen,

    Chris

     

     

  • Glimlach

    De wind trekt, terwijl zij afwezig voor het graf van haar man staat, aan haar haren. Met haar ogen dicht staat ze te dromen. Fluisterzacht neuriet ze de melodie van: “Last night when we were young”. Kwaad rukt de wind de bladeren van de bomen, maar in complete stilte staat ze daar. Het weer heeft geen enkele invloed op haar. Opeens bewegen haar lippen alsof de tekst haar lichaam uit moet; “Ages ago, last night”. De ruisende lentebladeren vallen even stil terwijl ze verder neuriet. Haar gezicht is sereen en zoals door de grijze wolken de zon kan breken, breekt haar gezicht in een glimlach. Eén traan rolt over haar wang. De herinneringen steken nog steeds en toch kan zij lachen om de grapjes die hij gemaakt had of de ervaringen die zij met elkaar hadden gedeeld.
    Dan opent ze haar ogen en zakt door haar knieën. Met haar handen raapt ze de bladeren van het graf bijeen. Legt de stenen, die haar zoontje mee heeft genomen om bij papa neer te leggen, in een rechte lijn langs de steen. Ze was in gesprek met haar man, tijdens het recht leggen en het bijeen rapen. Als ze klaar is staat ze op en staart nog een ogenblik.
    Ze loopt terug naar het pad. Een oude vrouw zit op een bankje bij een grote beuk. Met ingehouden pas loopt ze naar het bankje en gaat naast de oude vrouw zitten. Ze zucht als ze naar de wild heen en weer zwiepende takken kijkt. ‘Het wordt makkelijker,’ zegt de oude vrouw, ‘het duurt alleen een tijdje.’ Ze kijkt de oude vrouw aan en knikt. ‘Het is een jaar geleden dat hij overleden is’ zegt ze ‘dat hoort bij het leven. Ik rouw niet meer. Het is de heimwee die hij achter heeft gelaten, de melancholie van zijn herinnering’. De oude vrouw knikt en glimlacht.

    Ben zo terug – Bart

  • Teun

    Ik mocht hier niet zijn, mijn vader had het mij verboden. Zonder enige rede. Dat was genoeg om tegen mijn vaders wil in, toch hier naar toe te gaan. Teun was zijn naam. Bleek, met donkerbruin haar en ingevallen ogen. Een jongetje dat veel ziek was. Soms dagen achter elkaar niet buiten kon spelen of helemaal niet instaat was zijn bed uit te komen. “Teun.” Ik fluisterde zijn naam vanachter de heg. “Teun.” Zijn ogen zochten naar de plaats waar mijn stem vandaan kwam. “Teun, Hier.” Ik stak mijn hand even boven de heg uit. Kort, maar lang genoeg om aan te geven waar ik was. Langzaam was hij naar de plaats in de heg gelopen waar wij altijd onderdoor kropen als we in het bosje achter de tuin bij zijn huis gingen spelen. We hadden ontdekt dat onder de liguster een holle ruimte was. Een hele dag zijn we bezig geweest om de ruimte vrij te maken zodat het onze schuilplaats werd. Een schuilplaats om weg te duiken voor ouders en voorbijgangers. We liepen samen naar de liguster en verdwenen onder de groene bladeren de holle ruimte in. Naast elkaar zaten wij op de droge harde aarde. “Waarom mogen wij niet meer met elkaar spelen?” Het moet zomer zijn geweest, de zoete geur van de bloesem hing in het hele bosje. “Ik ben in het ziekenhuis geweest.” Hij zei het terwijl zijn handen een trosje bloesem plukte en die één voor één van zijn bloemen ontdeed. “Ik…” zoekend naar wat de betekenis was van deze uitleg. “Ik begrijp je niet.” Hij was nu toch ook buiten, als je heel ziek bent moest hij daar toch zeker blijven? Met het stokje dat over bleef van de bloesem tekende hij in de droge aarde. “Ik mag van mijn vader niet meer bij je komen spelen.” Mijn ogen volgde zijn handeling. Hij zuchtte. De deur van zijn huis ging open en een paar voeten stapte naar buiten. “Ze hebben mij geprikt” Zijn ogen zakte weer naar de tekening in de grond. “Waarom mag ik dan niet meer bij je komen spelen? Heeft het iets te maken met die prik?” De voetstappen van zijn moeder klonken verder weg. Ze moest naar de zijkant van het huis zijn gelopen. Met zijn hand maakte hij de aarde weer plat en begon opnieuw te tekenen. “Ik weet het ook niet. Wij mogen niet meer in de kerk komen. Ik kon niet slapen gisteravond en ik hoorde vader zeggen dat het beter was om te verhuizen.” Mijn ogen werden rond van ongeloof. Verhuizen? “Dat allemaal voor een prik? Ik geloof je niet.”. “Teun!” de stem van zijn moeder klonk ongerust. Ze was al door de hele tuin heen gelopen. “Ik kom er aan mam! Ik moet gaan,” zei hij tegen mij terwijl hij zich omdraaide. “Maar… Teun.” Hij was al onder de struik vandaan. Ik hoorde hem onder de heg doorkruipen. “Teun, wat was je aan het doen?” Zijn moeders stem klonk steviger, gerustgesteld. Ik begreep niets van het verhaal en ik kon het aan niemand vragen. Mijn vader zou razend worden als ik het hem vroeg want dan begreep hij dat ik bij Teun was geweest. Ik keek naar de tekening in de grond. Aan wie kon ik vragen wat er aan de hand was? Terwijl ik op mijn knieën onder de liguster vandaan kroop bedacht ik opeens waar ik antwoorden vandaan zou kunnen krijgen. De voorganger. Die moest zeker weten wat er aan de hand was.

    Het was de volgende dag dat ik een kans kreeg om met de voorganger te praten. De dienst van die dag was gegaan over de barmhartige Samaritaan, wat gewoon goed mens betekende, bleek toen ik het hem vroeg. Mijn voornemen om de vragen te stellen die ik had, werden door deze dienst versterkt. De jongeren van de gemeente spraken na de dienst altijd met de voorganger. Hij was een statige grijze man die in mijn ogen al heel oud moest zijn geweest. Zijn naam was Albert. Hij vertelde over details die niet altijd in de bijbel stonden en sprak over de gebeurtenissen in de bijbel alsof hij er bij was geweest. wat mijn vermoeden over zijn leeftijd bevestigde. Hoe kon hij anders zoveel weten? In het gesprek met de rest van de kinderen vroeg ik hem of de barmhartige Samaritaan ook in God geloofde. Hij beantwoorde mijn vraag met de zin: “Heb je wel opgelet tijdens de dienst?” en keerde zich naar de groep. Ik liet wat andere vragen in de groep voorbij gaan zonder dat ik echt op de antwoorden wachtte. Na een paar minuten fluisterde ik voornamelijk tegen mijzelf. “Als hij niet gelovig was en hij wel goede dingen deed; kunnen mensen dan goede dingen doen die volgens ons geloof niet goed zijn?” De groep kinderen was stil gevallen. Ik was voor mijzelf de vraag aan het overdenken en had niet in de gaten gehad dat de groep naar mij zat te kijken. “Wat zei jij?” Zijn stem haalde mij uit mijn gedachte. “Sorry” zei ik niet begrijpend “wat is er aan de hand?” Ik keek verbaast de groep rond. De kinderen keken mij vol aan onbegrip. “Ik vroeg je wat je net zei.” Zijn stem was zachter geworden. Er sprak een soort medelijden uit, Medelijden met het kind dat niet begreep. “Als de barmhartige Samaritaan niet gelovig was maar wel goede dingen deed, kan het dan niet zo zijn dat mensen goede dingen doen die ons geloof niet goed vind?” Hij bleef even stil zitten. “Dit was het voor vandaag” zei hij tegen de andere kinderen. “Wil jij even blijven zitten Jacob?” Dit was mijn kans om hem te vragen wat ik wilde zonder dat de andere kinderen er bij waren. De laatste kinderen rende door de gang naar waar vaders en moeders op hen zaten te wachten. “Jacob?” zijn stem klonk ongeduldig. “Wat wilde je van mij weten. Wat bedoelde je nou eigenlijk met die vraag?” Hij stond op van de kleine stoel en richtte zich naar het raam. “Waarom mag iemand niet naar het ziekenhuis?” Ik had de vraag gesteld voor ik er verder over had na gedacht. Hij draaide zich om. “Wie zegt dat je niet naar het ziekenhuis mag?” De vraag was scherp; alsof hij het zelf in de gaten had veranderde zijn stem. “Iedereen die het nodig heeft mag naar het ziekenhuis.” “Wat is een reden om mensen weg te sturen bij de kerk?” Ik werd ongeduldig, en mijn voornemen om voorzichtig te zijn en geen namen te noemen, liet ik vallen “Teun en zijn ouders mogen niet meer in de kerk komen, waarom is dat?” Ik had het gezegd voor hij de kans had mijn vorige vraag te beantwoorden. “Ik mag van vader niet meer met hem spelen maar ik weet niet waarom en…” Hij was weer naast mij komen zitten en keek mij aan met een blik waaruit zijn treurigheid sprak. “Lieve Jacob soms zijn er mensen die niet luisteren naar de Heer, het is niet aan ons om hen te overtuigen van hun afvalligheid tegenover God. Het is de les die zij zelf moeten leren in de fouten die zei gemaakt hebben.” Mijn onbegrip over deze situatie werd alleen maar sterker. Was er dan niemand die mij een antwoord kon geven waarom dit allemaal gebeurde. “Ben je wel naar Teun toe gegaan, terwijl je vader het je verbood?” Ik staarde naar mijn schoenveters terwijl hij het vroeg. Hief mijn hoofd op en keek hem recht in zijn gezicht aan. “Ja!” De boosheid voedde mij, wat wilde hij doen? “Jacob je begrijpt toch wel dat het tegen de wil van God is als je niet doet wat je vader je gebiedt?” Ik kon alleen maar denken aan wat ik wilde, mijn beste vriend terug. God begrijpt toch wel dat je zonder vrienden niet kan. “Je vader zal erg teleurgesteld in je zijn als ik hem vertel dat je tegen zijn wil in, tóch naar Teun bent toe gegaan.” Mijn ogen werden groot. Ik kon niet geloven dat hij het aan mijn vader zou vertellen. “Maar Teun is mijn beste vriend, denkt u dat God het goed vindt als ik mijn beste vriend in de steek laat!” “Jacob je moet soms mensen laten gaan die niet bij jouw geloof passen. Teun komt wel terug als hij een goede gelovige is. Zijn ouders hebben de keuze gemaakt uit egoïsme. Daar moeten ze nu de consequenties van dragen.” Wat was er zo erg dat God de ouders, en Teun uit de kerk wilde verbannen. “Maar Teun is ziek die mag dus niet naar het ziekenhuis?” Hij stond op van de stoel en liep naar de deur, “Jacob dit gesprek is nu voorbij” opende deze en liep de gang in zonder de deur te sluiten.

    Ben zo terug – Bart