Tag: Liefde

  • Een leven in een kistje IV

    Een leven in een kistje IV

    ‘Ik zal je de vertaling sturen’ voegde ze nog toe. Ik kon het niet nalaten te vragen over de andere foto’s die ik haar had gestuurd. ‘De tweede foto is niet in het Nederlands het lijkt op Deens, zoals je zelf al in je mail schreef. De derde foto is moeilijker te ontcijferen. Daar ga ik even voor zitten. Deze zal ik zo snel mogelijk naar je toesturen.’

    Een paar uur later ontving ik een e-mail met de vertaling van het stuk op de derde foto. Een los stuk papier met handgeschreven tekst.  

    “Beste Josi,

    Deze is lastiger omdat het niet alles is. De tekst is incompleet en er zijn delen doorgekrast. 


    Ik ben bang voor wat het betekend dat ik wil dat hij mij vasthoudt. Zelfs het opschrijven voelt als te veel openheid. Alsof ik mijzelf verraad aan het papier. Blootstel. ‘Wat als iemand het leest?’ blijft door mijn hoofd spelen. Net zoveel als het verlangen naar die eerste keer dat we elkaars lichamen ontdekten. 


    Hier staan doorgekraste regels. Daarvan kan ik niet ontdekken wat er geschreven staat. 


    Gelukkig heb ik taal. Een andere taal die mij daartegen beschermd. En toch, kan ik het niet uit mijn hoofd krijgen dat iemand het kan lezen.  Dus, houd ik het schrift bij mij. Alsof het een object van grote waarde is. 


    Meer doorgekraste regels.  


    (Volgens mij heb ik tussen de krassen door “Voor Ander” kunnen ontwaren. Of dat betekent dat het dit stukje van de tekst betreft, is moeilijk vast te stellen.)

    Ik wil op zijn schouder mijn tranen laten. Mij volledig laten dragen. Eén omhelzing die meer is dan een omhelzing tussen twee mannen op de vlucht. De wereld laten breken. En niemand zijn. Zonder geschiedenis. Misschien nog wel het liefst zonder andere mensen. Zonder begrijpende blikken. Wat een armoede zo te leven.
    Om daarna voor net zo een lange tijd als nodig blijkt, hem te dragen


    Hierna is het blad onbeschreven.


    Het vluchten uit de eerste tekst komt hier terug. Als het daadwerkelijk uit de jaren van de tweede wereldoorlog komt, maakt mij dat zeer geïnteresseerd in de andere teksten. Staat er iets op de achterkant van dit Blad? 

    Ik heb een collega gevraagd of zij iemand kent die kan helpen met vertalingen vanuit het Deens. Als ik van haar terug hoor, laat ik het je weten. 

    met vriendelijke groeten,

    Floor”

    Als reactie op Floor haar vraag, stuurde ik haar een foto van het blad. Zwart! Volledig uitgewist schrijven. Het intrigeert mij immens. Wat staat er achter dat zwart?   


    Ben zo terug – Bart

  • Parttime Expat (Uitbraak)

    Het was opeens zo akelig dichtbij dat de onrust overheersende vormen aannam. Geen mensen meer, maar gevallen werden geïsoleerd. Koortsachtig was de zoektocht naar iets dat zou kunnen helpen. Opeens waren er weer grenzen. Het Niemandsland weer opnieuw ingesteld. Alles voor de veiligheid. 

    Maar, dit verhaal begint eerder. Ergens aan het eind van het jaar daarvoor. De eerste kennismaking vond via het internet plaats. Een glimlach, een knipoog of… het ijs doorbroken, was het begin van het gesprek. Het duurde nog tot februari voor wij elkaar zouden zien. De volgende afspraak was een week later. Hij werkte net over de grens. Parttime expat. Tegelijk met de onrust in mijzelf, was er onrust in de wereld. 

    Toen was alles afgesloten. Even heb ik hem gezien. Met groepen tegelijk kwamen mensen aan bij de grens. Er waren plaatsen waar het open was en de grens doorzichtig. Hij stond wat ongelukkig, zo’n tweehonderd meter van mij vandaan. Het enige wat ons tegen hield waren de akelige dunne draadjes die onder stroom stonden.  Er waren soldaten aan de grens, altijd iemand aanwezig. Hij stak zijn hand op met daarin de telefoon, ik deed hetzelfde. Ergens achter mij was wat onenigheid. Een vrouw aan de andere kant had zich losgemaakt van de groep mensen die op een rij, gepaste afstand hielden. Ik werd opzij gedrukt. Toen ik mij weer hersteld had, was ik hém kwijt. De telefoon in mijn hand ging over, zijn naam op het scherm. 

    Geluk was aan onze zijde. Alles was ver, bij ons ontluiken vandaan. Wat de geruststelling al snel onderdrukte, was dat van de ene op de andere week het virus opdook op andere plekken. Steeds dichterbij. Het naderde onrustig snel over grote afstanden. Zijn grensoversteek duurde iets langer dan hij gewend was. Opeens was er een thermometer aanwezig bij de overgang. Werden er mensen verwezen naar de ziekenboeg ter controle. Een week later mocht je alleen nog reizen met speciale papieren. 

    Ik drukte de telefoon aan. Zijn stem klonk onrustig. ‘Wij zijn weggestuurd! Het werd onhoudbaar.’ Ik liep wat verloren richting de auto. Het begon zacht te regenen. ‘Ga rustig naar huis’ zei ik, omdat ik ook iets moest zeggen. ‘We kunnen nu toch niets doen. Ik ben wel blij dat ik je even gezien heb.’ Het viel stil. Zijn adem schokte door het lopen. Ik opende de autodeur en ging zitten. 

    Ben zo terug – Bart 

  • Wandeling II Fotogalerie

    De stilte. De lege ruimte gevuld met de wereld. Het leven tot stilte gemaand. Het spelen, dansen, liefde en de lusten gevangen. De woede in al zijn vormen en de interventie. Eén van de foto’s grijpt alle gevoelens in één moment. Niet het toneel maar de werkelijke afspiegeling van het leven; allemaal diezelfde belevenis alleen de reacties zijn allemaal in andere staten. Een heer kijkt met een glimlach naar zijn vrouw; een alwetende blik. Zij begrijpt de situatie op het toneel. Een oudere dame heeft haar handen naar haar nek gebracht. De dame naast haar schaterlacht. Naar achteren twee dames die hun lach met elkaar delen. Een jonge jongen zit vol verwachting te kijken, een andere vol spanning naar voren gebogen. Een oudere heer lacht zijn ogen dicht, zijn hoofd naar achteren en de handen voor zijn mond. Twee jonge dames bespreken lachend wat er gebeurd.

    Als ik mij omdraai; water, spetters. Een foto waarin de verliefde, de volwassenen speelser zijn dan het jongetje dat nog net in frame is. Haar haren zwaaien speels, haar voet schopt water op. Een gespierde rug. Hij heeft haar vast rond haar middel, halverwege zijn gooi. Het water komt tot zijn billen. Het jongetje glimlacht naar iets buiten het beeld. De verdere wereld. Van verder in het water kijken de serieuze volwassenen vermakelijk toe. 

    Ben zo terug – Bart 

  • Glimlach

    De wind trekt, terwijl zij afwezig voor het graf van haar man staat, aan haar haren. Met haar ogen dicht staat ze te dromen. Fluisterzacht neuriet ze de melodie van: “Last night when we were young”. Kwaad rukt de wind de bladeren van de bomen, maar in complete stilte staat ze daar. Het weer heeft geen enkele invloed op haar. Opeens bewegen haar lippen alsof de tekst haar lichaam uit moet; “Ages ago, last night”. De ruisende lentebladeren vallen even stil terwijl ze verder neuriet. Haar gezicht is sereen en zoals door de grijze wolken de zon kan breken, breekt haar gezicht in een glimlach. Eén traan rolt over haar wang. De herinneringen steken nog steeds en toch kan zij lachen om de grapjes die hij gemaakt had of de ervaringen die zij met elkaar hadden gedeeld.
    Dan opent ze haar ogen en zakt door haar knieën. Met haar handen raapt ze de bladeren van het graf bijeen. Legt de stenen, die haar zoontje mee heeft genomen om bij papa neer te leggen, in een rechte lijn langs de steen. Ze was in gesprek met haar man, tijdens het recht leggen en het bijeen rapen. Als ze klaar is staat ze op en staart nog een ogenblik.
    Ze loopt terug naar het pad. Een oude vrouw zit op een bankje bij een grote beuk. Met ingehouden pas loopt ze naar het bankje en gaat naast de oude vrouw zitten. Ze zucht als ze naar de wild heen en weer zwiepende takken kijkt. ‘Het wordt makkelijker,’ zegt de oude vrouw, ‘het duurt alleen een tijdje.’ Ze kijkt de oude vrouw aan en knikt. ‘Het is een jaar geleden dat hij overleden is’ zegt ze ‘dat hoort bij het leven. Ik rouw niet meer. Het is de heimwee die hij achter heeft gelaten, de melancholie van zijn herinnering’. De oude vrouw knikt en glimlacht.

    Ben zo terug – Bart

  • Hand in hand

    Twee mannen lopen hand in hand door een smalle laan richting de dijk. Glimlachend loop ik hen voorbij. Het is één van die zeldzame warme dagen in het vroege voorjaar. Ik bezin mij. Daarom loop ik. Denken doe ik het beste als ik loop. En in een eindeloze vlakte van weilanden kan ik mijn gedachte alle speelruimte geven die zij nodig hebben. Er zitten veel gedachte in mijn kop die ik probeer de ruimte te geven zodat zij, als ze klaar zijn, netjes opgevouwen in de kleine laatjes van mijn brein kunnen weg worden gestopt.

    Ik loop een gedeelte van de wandeling achter de dijk. Aan de wad-kant van de dijk. In de zilte zeelucht hangen wat meeuwen. Het merendeel is neergestreken in het ondiepe water. Mijn tocht loopt tot zijn eind aan deze kant van de dijk. Een gedeelte is afgesloten, een vogelbroedplaats en natuurgebied.

    Mijn hoofd komt langzaam tot rust. Het denken kalmeert en de twee mannen komen even terug in mijn gedachte. Liever had ik er niet voorbij gelopen, had ik hen even geobserveerd. Gekeken naar de handen, hoe zij elkaar vastpakte. En hoe vast zij eigenlijk aan elkaar zaten. Het belangrijkste eigenlijk nog, waarom zij aan elkaar vastzaten? Maar ik was mij veel te bewust van de intimitijd die ik wilde bestuderen aan deze twee.

    Aan het einde van de weg staat een hek. Het is niet zo dat je er niet overheen zou kunnen klimmen, als het laag water is kan je er, als je wilt er zelfs omheen lopen. Ik loop altijd langs het hek omhoog. Er is ook een weg die schuin omhoogloopt maar ik wandel liever door het gras. Boven op de dijk staat een bankje, waar ik het flesje water uit mijn rugzak pak en ga zitten om wat te drinken. Een soort afscheidsceremonie, water bij de zee. Ik kijk nog een keer langs de horizon terwijl ik de dop dichtdraai en het opberg. Ik sta op en loop langs de schuine weg naar beneden. Besluit een gedeelte terug te lopen onder de dijk langs over de schapenroosters die tussen de hekken zijn geplaatst.

    Ik weet niet waarom, maar als mijn gedachten dreigen helder te worden, komt er poëzie in mijn hoofd opzwellen. Een gedicht van Vasalis.

    Na ongeveer een uur loop ik eindelijk iemand tegemoet. Twee iemanden zelfs, wat een drukte op een dinsdagmiddag. Als ik wat dichterbij gekomen ben zie ik het, de twee heren nog steeds hand in hand. Alsof zij elkaar nooit hebben losgelaten.

    Ben zo terug – Bart

  • Mensen in het wild

    Het zonlicht, dat door de smalle ramen naar binnen valt, strijkt haar gezicht in een gouden gloed. Haar ogen gefixeerd op het schilderij waarvoor ze zit. Het kleine bankje in het midden van de ruimte zodat je aan beide kanten plaats kan nemen om rustig de schilderijen in je op kunt nemen. Even kijkt ze naar opzij, de man naast haar gaat op in zijn dagdroom bestaand uit de wilde vegen op het doek.

    Ik ga er maar vanuit dat ze bij elkaar horen. Toen ze binnen kwamen stiefelen arm in arm om elkaar in evenwicht te houden. Leunend op de liefde en zijn wandelstok. De zaal is leeg buiten ons. Een drukke suppoost steekt zo nu en dan zijn hoofd om de hoek van de zaal om te zien of iedereen zich aan de regels houd. In een zaal met kunst, verdiept in totaal andere werken. Het schilderij waar ik mij voor ophoud is een worsteling tussen twee mannen waarvan ik niet helemaal kan beoordelen of het iets seksueels is of niet.

    “Impressionisme”, fluistert de dame voor zich uit. Het door de wind zwiepende gras is haast onzichtbaar, de witte jurk word naar een kant geblazen. Het gouden zonlicht is daar hetzelfde als hier. Als je niet beter zou weten zou je kunnen denken dat er alleen tijd verstreken is. De zelfde vrouw, de meeste haren grijs met hier en daar een herinnering van hoe het geweest moet zijn.

    In mijn hoofd is hij de schilder. Een schilder die met grote passie en wilde streken haar heeft vereeuwigd zoals hij haar zag. Waarop hij verliefd was geworden. Met zijn ogen toegeknepen en draaiend met zijn hoofd laat de man zijn blik langs elk deel van het doek gaan, alsof hij het nooit weer zal zien en het nooit wil vergeten. De dame rommelt iets in haar tas en haalt een pepermuntje tevoorschijn. Zonder iets te zeggen tikt ze haar man aan en gebaart; “wil je ook”. Heel even onderbreekt hij zijn ritueel om te zien wat er is en schud zijn hoofd.

    De worsteling voor mij is naakt en rauw, twee mannen midden in een gevecht vastgelegd. Er valt mij niets op aan het gevecht of de houdingen waarin zij zijn afgebeeld. Het zijn de gezichten van de twee mannen. Geen enkele emotie die te maken kan hebben met de situatie waarin hun lichamen zijn geschilderd. Ze zijn daar op dat moment, niet in pijn of blijdschap, niet in overwinning of extase. Ze zijn daar berustend in de situatie. Bewust emotieloos.

    ‘Ze is mooi he?’ zegt de oude man zijn gezicht richtend op de oudere versie van het schilderij naast hem ‘Bijna net zo mooi als jij.’ voegt hij eraan toe. De dame pakt zijn gezicht in haar knokige handen en haalt hem naar zich toe ze kust hem zacht op zijn voorhoofd, en zegt dan ‘slijmerd’. De dame staat op en helpt haar man van het bankje, voorzichtig schuifelen de twee naar het volgende bankje en nemen weer plaats.

    Als ik terug kijk naar het schilderij waar ik nog steeds voor zit, zie ik een zweem van een glimlach op het gezicht van de man die op de grond ligt. De achtergrond is een lucht waar een eenzamen, schijnbaar dode struik achter de lichamen vandaan komt. De grond is bruin met kleine steentje, waarschijnlijk zand of iets dergelijks. Het hele schilderij voelt wat bijbels aan. Ik sta op en loop naar het bordje bij het schilderij en noteer de naam van de schilder.

    Ben zo terug – Bart