Auteur: Bart

  • In de stoel

     

    ‘Ik was een jaar of zeven toen ik opeens iemand moest zijn. “Wat wil je later worden?”, was de vraag; niet dat deze nog nooit eerder gesteld was. De urgentie was anders. Als een hert dat zich blind staart in de koplampen van een naderende vrachtwagen. Er hing iets vanaf.’ Ik viel stil. mijn brein vulde zich met herinneringen.
    ‘In eerste instantie gaat het over een beroep. Ik denk dat ik niet eerder had nagedacht over wie ik was. Nu moest ik opeens een toekomst kiezen. Niet officieel, dat kwam later.’ Een merel staarde naar binnen, alsof het televisie aan het kijken was. Hij vloot zacht, of hij wilde zeggen “Stil nou, ik wil weten waar het over gaat”.
    ‘Het enige wat ik kon bedenken was iets dat mijn interesse had. Theater en cabaret. Dus werd ik een cabaretier. Misschien was het nog wel meer de taal. Ik schreef volledige liedteksten uit. Veelal luisterend naar cd of lp. Nu begrijp ik die fascinatie beter, het heeft veel meer te maken met wat iemand zegt en wat het betekend.’ De thee die naast mij stond was van het soort dat een laagje schuim op zich draagt, omdat het uit een automaat komt die het water niet kookt maar warm maakt.
    ‘Wist je wie je was?’ vroeg ze mij toen ik een tijdje stil was.
    ‘Nee, dat denk ik niet.’, zei ik na lang twijfelen. ‘Nu denk ik vaak had ik maar beter nagedacht, mijn tijd beter besteedt, meer zelfonderzoek gedaan naar wat ik wilde. In de jaren die volgde waren er genoeg mensen die wel een idee hadden. Alsof je tweedehands aan je beroep kunt komen. Ik heb het in ieder geval op die manier geprobeerd. Ik heb in winkels gewerkt, in de zorg, in een restaurant en nu weer… ’ mijn stem daalde af tot er niets overbleef, ‘verschillende opleidingen gedaan en dingen geprobeerd. Ik weet in ieder geval dat ik niet gemaakt ben om voor de klas te staan. Ik heb ethische en morele problemen met het testen van mensen.’
    ‘Weet je wie je nu bent, of wat je wil worden?’ sneed haar stem door mijn meanderende geklets.
    ‘Ik weet nooit wat ik met mijn kennis moet. Ik weet van alles, maar waar ik het voor zou kunnen gebruiken, ontgaat mij totaal.

    O, what can ail thee, knight-at-arms,
    Alone and palely loitering?
    The sedge has wither’d from the lake,
    And no birds sing.
    (La Belle Dame sans Merci – John Keats)

    Daar is nog nooit iemand op aangenomen. Of:

     

    Daar zie ik ook mezelf. Alleen
    mijn hoofd deint boven het watervlak,
    beweegt de mond als sprak
    het, een verbaasde zeemeermin.
    (Afsluitdijk – M. Vasalis)

    Of nog beter:

    Our history books refer to it
    In cryptic little notes,
    It’s quite a common topic on
    The transatlantic boats;
    I’ve found the subject mentioned in
    Accounts of suicides,
    And even seen it scribbled on
    The backs of railway-guides.

    Dat is van W. H. Auden het gedicht heet; O, Tell Me the Truth About Love. Ik heb het in een boekje met een Nederlandse vertaling van Willem Wilmink. Maar wat heb je er aan? Dat is de echte vraag. Het is niet dat ik het twintig keer gelezen heb en het daardoor zo kan oplepelen. De gedichten die ik echt mooi vind, heb ik nooit in mijn hoofd kunnen stampen. Ik kan refereren aan filosofen en hun filosofie en aan mensen die ik interessant vind. Stephen Fry, Dan Savage of Christopher Hitchens. Maar ik heb er niets aan, ben er nooit beter van geworden en het heeft mij nooit tot een daadwerkelijk doel geholpen. Laat staan een beroep. Dus nee, ik heb eigenlijk nog steeds geen enkel idee.’
    Haar ogen gleden naar haar pols. Het horloge, de wijzers, de aangegeven tijd. Ik sloeg mijn armen over elkaar en ging achterover in de stoel zitten.

    Ben zo terug – Bart

     

     

     

  • Van heksen en bezemstelen

    XIV
    Van heksen en bezemstelen

    Een oude dame stapte met kleine pasjes uit de donkere steeg vandaan. Het wieltje van haar rollator piepte toen zij om de hoek kwam. Ze keek kwaad. Een pluk van haar grijze haar was los gekomen en net voor zij in het licht van de lantarenpaal verscheen kwam er een straatkat uit de steeg vandaan geschoten.

    Ik had het hele tafereel voor mij zien ontvouwen vanuit mijn slaapkamerraam. Ik denk dat ik een jaar of vijf moet zijn geweest.
    Het leek alsof ze was verdwenen na die avond. Ik had haar al een paar keer eerder zien lopen door de straat maar na de situatie in de steeg was ze verdwenen. Ik had geen idee waar ze woonde. De eerste keer liep ze met een stok. Niet een echte wandelstok maar meer een tak die ze had gevonden in het bos, eentje die precies goed was voor haar.

    Ik zat vaak voor mijn raam, het was een goede plaats om naar mensen te kijken. Vooral in mijn straat. Er waren genoeg vreemde mensen om naar te kijken. ‘Kinderen’ Mompelde ze de eerste keer dat ik haar zag. ik was langs haar gerend om zo snel mogelijk thuis te komen. Ik wilde naar mijn boek toe de laatste bladzijdes uitlezen.

    ‘Sorry mevrouw’ had ik gezegd. Haar stem klonk schor en donker en de manier waarop ze het zei deed het voor komen alsof ze er alles aan deed om niet boos te worden. Er glom iets van woede in haar ogen toen ze omkeek. Ik zou er nooit meer aan hebben gedacht waren het niet voor de tweede maal dat ik haar zag.

    Ik weet zeker dat ik het gezien heb en was zo onder de indruk van alles dat ik het nooit aan iemand verteld heb. Bijna niemand alleen mijn beste vriend. Zoals kinderen dat doen. Ze stond in het midden van een klein grasveldje in het bos.

    Een heel gezond en creatief 2017

     

    Ben Zo Terug – Bart

  • Onzekere Ontmoeting #1

    Het huisje dat ik gehuurd had stond aan de rand van het park. Een kleine heg scheidde het park van de weilanden. Ik was alleen. Het was mijn bedoeling om te schrijven. Ik had mijzelf geïnstalleerd aan het raam, waar ik met pen en papier klaar zat om mijn gedachten bloot te geven aan de pagina. De bureaustoel kraakte telkens als ik ging verzitten, de houten balken van het dak zette uit door de warmte van de zon en na een halfuur werd het zó warm in het huisje dat ik besloot dat ik net zo goed buiten kon gaan zitten om daar mijn schrijven op te pakken. Toen ik eindelijk mijn pen op het papier zette en de eerste twee woorden van de eerste zin had geschreven, kraakte de scharnieren van het poortje dat toegang gaf tot het grindpad dat over het hele park liep. Een jongeman keek mij vanachter zijn donkerbruine krullen aan.
    ‘Ik ben hier geboren’ zei ik zacht ‘en jij?’ De jongen had ik niet eerder gezien, niet dat ik hier nog zoveel kwam als in mijn jeugd, ik was tenslotte gekaapt door eentje van de vaste wal. Maar als je van een eiland komt, ken je de meeste wel. ‘Nee ik kom hier niet vandaan’ Ik glimlachte. ‘Vandaar’. De houten tafel die ik naar buiten had gesleept vanuit het kleine huisje lag vol papieren en een enkele foto die ik had mee genomen ter inspiratie. Ongemakkelijk keek ik naar de tafel, waar te beginnen met de uitleg. ‘Ik schrijf,’ was het enige dat uit mijn mond kwam. ‘Althans, dat was de bedoeling…’

    Enkel lege stoelen, de verlaten bank en de open gordijnen. Buiten schemerde het en de eerste sterren waren al goed zichtbaar toen ze in beweging kwam. ‘Het is tijd’ mompelde ze tegen de lege kamer. Het glas in de deur rinkelde terwijl ze de deur opende en de treden kreunde bij haar gang naar de slaapkamer. Ze poetste in de badkamer afwezig haar tanden en stapte uit haar kleren zonder ze in de wasmand te doen. Haar man was een paar dagen op reis voor zijn werk, iets wat ze gewend was. Maar het huis was leger dan normaal. Haar hand gleed even langs zijn kussen alsof ze hem langs zijn gezicht streelde. Ze sloot haar ogen in afwachting van de slaap. De eerste twee weken dat ze alleen was had ze veel gedroomd, ondertussen wist ze wat haar te wachten stond. Met een zucht opende ze haar ogen en ging op de rand van het bed zitten. Ze pakte de telefoon van haar nachtkastje en drukte een nummer in. De kerkklok sloeg half, “half wat” ze greep naar het lichtknopje van haar bedlampje en zocht haar horloge ‘half vier’. Nog voor de telefoon voor de tweede keer over kon gaan drukte ze deze uit en legde hem weg. Ze bleef op de rand van het bed zitten. Pakte nogmaals de telefoon en drukte het nummer in en wachtte op de eerste toon van de overgaande telefoon. Haar adem schokte van het harde geluid. De toon stopte en begon weer. Na de vierde keer ging deze over naar de voicemail. De krakende opname van zijn stem maakte haar steeds onrustiger. “Wat als er iets met hem gebeurd was?” dacht ze bij zichzelf. Ze keek nogmaals op haar horloge. ‘Het is half vier wat verwacht je nu zelf’, sprak ze zichzelf streng toe. Haar handen klapten de telefoon dicht, knipte het licht uit en met een zucht ging ze op haar rug liggen. Haar ogen wijd geopend in de donkere kamer.

     

     

  • Briefwisseling #1

    Beste Bart,

    Ik heb je brief ontvangen en met veel plezier gelezen. Ik zal proberen de punten die je maakt in volgorde te behandelen (na mijn val ben ik, tijdelijk, opgenomen in een verzorgingshuis). Ten opzichte van de vraag die je stelde over meningen, zal ik je verblijden met een klein verhaaltje.
    Gistermiddag zat ik in de eetzaal. We hadden het eten op en ik zat nog uit te buiken. Een stel oudere heren zaten in gesprek aan de andere kant van de tafel. Eén van hen zat steeds naar mij te kijken alsof hij wilde dat ik mij zou mengen in het gesprek. Na een paar minuten keek hij mij recht aan en vroeg; ‘wat vind jij nu van al die hoofddoekjes?’. Ik nam een paar seconden tijd om de vraag en wat daarachter schuil ging, te doorgronden. Mijn antwoord: Het lijkt mij lekker warm in de winter, verder gaan mijn gedachten daar niet over.
    Het is grappig dat het jou is opgevallen dat het bijna een vereiste is geworden om overal een menig over te hebben. Dat wij alleen maar bezig lijken te zijn met hoe we in deze wereld staan, wat we vinden van elk onderwerp dat we in ons leven tegen kunnen komen en op welke manier we onze meningen vormen.

    Het onderwijs waar je over spreekt lijkt een misvatting. Volgens mij heeft het altijd te maken met connectie. Een band die in de basis steeds moet worden bij gehouden en daardoor sterker wordt. Je hebt inderdaad gelijk dat het nagenoeg onmogelijk is om een band op te bouwen met een leerling, als je niet lang genoeg in contact kan zijn. Het is een falen van het onderwijssysteem dat er niet genoeg tijd is voor een kind dat anders is. Het blijkt steeds weer dat er behoefte is voor die groep mensen die buiten de gebaande paden vallen. Die paden zijn verworden tot de regels die vanuit een beleidsmatig oogpunt worden gemaakt en die blijken pijnlijk rigide en zeker niet gemaakt voor afwijkingen.
    Hoewel je daar zeker gelijk in hebt, is het onmogelijk beleid te maken voor elke variabel. De vraag wordt dan: Wanneer is de afwijking groot genoeg om een uitzondering te maken binnen die beleidsmaatregels? Ik denk dat wat je aansnijdt één van de ethische problemen is die veel mensen zich afvragen in het onderwijs.

    Ik durf zó niet in te gaan op Either/Or, van Søren Kierkegaard. Ik heb het nooit gelezen. Dat geeft mij een goed excuus om de bibliotheek weer te bezoeken en het te lezen. Je hebt een interessante lijst boeken die je aan het lezen bent. The Rubaiyat of Omar Khayyam heb ik ook gelezen dus ben benieuwd wat je er van vindt. Dat kan nog wel eens een interessante discussie worden. Mijn lijst is zeker niet zo uitgebreid als die van jou maar ik heb meer tijd dus lees elk boek uit, en ga door naar de volgende.
    Ik heb de twee delen van De Thibaults, van Roger Martin du Gard uit de bieb geleend, die gaan deze week gelezen worden. Mijn herinnering van de boeken komt van mijn schooltijd waar ik ze gelezen heb in het Frans. Ben benieuwd naar de Nederlandse vertaling.

    Ik zie uit naar je volgende brief !

    Vriendelijke groeten,

    Chris.

  • De donkere klas (Een kinderlijke herinnering)

     

    Zover ik mij kan herinneren was alles donker. De tafels waar wij aan zaten stonden allemaal in rechte rijen. Tot op de millimeter nauwkeurig waren zij op de zelfde afstand van elkaar neer gezet, elke stoel leek vast genageld aan de vloer. Het zwarte krijtbord was schoon alsof er nog nooit een letter op was geschreven. De lerares voor de klas leek elke toevallig mee genomen kleur van buiten in zich op te nemen en het te veranderen in een zwart-wit beeld. Hoewel de klas gevuld was met kinderen was er geen enkel geluid te horen. Als iemand het waagde om een geluid te maken dat niet door haar was bevolen, werd de wereld binnen het lokaal een beetje grijzer. Iets donkerder dan hij al was. Diegene die het geluid gemaakt had beloofde heilig dat hij het nooit meer zou doen na de afranselingen die hij kreeg. Er werd geen geweld gebruikt in de school. Maar de toorn was genoeg om je bibberend van angst terug te laten vallen in je stoel. Ik was zo’n kind, een kind van kleur en kon de grijze wereld waarin ik terecht gekomen was maar moeilijk begrijpen. We moesten leren dat snapte ik wel, maar de manier waarop ontging mij compleet. Elke berisping die mijn kant uit werd gesnauwd voelde als een kleine brandblaar. Een stekende pijn, die door de publiekelijke vernedering, voelde als een sigaret die werd uitgedrukt op de huid. Maar niet fysiek, alles van binnen.
    Zo kan ik mij nog het einde van het jaar herinneren. De kinderen werden in een goedmoedige bui voor de klas geroepen en op een stoel gezet zodat allen hen goed konden zien. Voor de volledige klas werd je complete rapport voorgelezen. Inclusief de opgetrokken wenkbrauwen bij kleine voldoendes en de teleurstelling bij onvoldoendes. De langzaam opgedreunde cijfers waren totaal oninteressant. Kinderen lachte om het ongeluk van anderen. Als de lijst was afgewerkt werden de opmerkingen van de lerares voorgelezen. De lerares had al een paar keer naar mij gekeken en na de laatste keer mijn rapport overduidelijk onderaan de stapel gelegd. Uiteindelijk was ik aan de beurt, het leek of het de hele dag geduurd had. Vol schaamte liep ik door de klas naar de stoel hees mijzelf omhoog en probeerde naar niemand te kijken. Ik dook zover ik kon weg in mijzelf. De cijfers werden voorgedragen. Voor zij verder ging, hing ze een touw om mijn nek dat aan het plafond bevestigt was. Met elk woord dat ze sprak werd het touw strakker om mijn nek en werd ik steeds verder omhoog getrokken. “Het rekenen gaat nog niet zo goed!” zei ze terwijl mijn tenen loskwamen van de zitting van de stoel. “Met het lezen heb je nog veel moeite!” één centimeter boven de stoel. “We moeten je nog vaak helpen met de letters schrijven!” Mijn luchtpijp werd dicht gedrukt door het touw. “Je bent vaak afgeleid en loopt dan zomaar van je plaats, of begint te fluiten.” Mijn ogen zagen niet meer. Mijn lichaam schreeuwde om lucht. Mijn strottenhoofd verbrijzeld door het gewicht van mijn eigen lichaam. Ver boven de vloer van het lokaal. En net voor ik zou verdwijnen was het klaar. “Kom maar van de stoel af je rapport ophalen.”
    Een gebroken kind. Het gekke was alleen dat het mij niet brak. Hoe meer men de kleur van mij wilde afpakken hoe meer ik er van kreeg. Tot de regenboog voorbij!

    Ben zo terug – Bart

  • Groeven

    Bloed drukt zich naar buiten. Het is de zwakste plaats van mijn huid die de naald met gemak heeft verbroken. De platenspeler staat onschuldig voor mij. Het huis rondom mij heen is stil. Elk normaal geluid is ver naar de achtergrond verdrongen. Ik kijk naar de top van mijn vinger. Het druppeltje rood wordt steeds groter tot het de kamer vult zodat ik alles in een rode waas zie. Mijn hand beweegt zich zonder dat ik daar controle over heb. Daar, waar mijn huid doorboord is door de naald, ontrold mijn hand via de lijnen die een vingerafdruk maakt, zich steeds verder. Eerst mijn wijsvinger dan via mijn hand tot een lang lint aan het einde van mijn arm dat verstild in de lucht blijft zweven. De draaitafel was leeg en het lint rolt zich tot een platte schijf van huid. De andere hand zette de naald aan het begin van de lijn. Krakend start het.
    Ruis vult de kamer, als een oude radio die niet goed was afgestemd op de zender. Het huilen van een baby in een verkeerde toonsoort. Onsamenhangend gemompel waar geen woord aan was vast te knopen is. Steeds duidelijker wordt het geluid. Meer stemmen, verschillend in toon en ritme. Steeds hetzelfde en een tik. Niet te begrijpen. Toon en ritme, tik. Stemmen, toon, ritme en tik. Mijn hand beweegt zich naar de arm van de platenspeler en zet de naald een groef verder. Een doffe stem doet, zonder een woord te zeggen, het hele huis trillen.
    De blauwe plekken en littekens van mijn jeugd maakt de plaat moeilijk te beluisteren. Het vallen, het opstaan en het ongeduld, de leegtes, hiaten en het onvermogen, klinken. Over dubbele levens, als twee violen die beide een melodie spelen, de symfonie die aanzwelt tot een climax tijdens een moment van euforie en één enkele snaar die wordt beroert voor de meest neerslachtige momenten. Zoals IJslands voor de niet-verstaander onbegrijpelijk is bij abstracte ideeën of experimentele jazz in de totale paniek van het moment. In kleuren blauw voor kou en rood voor woedend warm, in zwart voor dood en licht voor leven. Steeds duidelijker de verschillende intonaties van de geleerde talen. Met openheid voor ontdekking en het afsluiten voor het niet. De interpretatie van kunst en begrip. De ruzies die woeden, de liefdes en verlies. Lust als een stuwende kracht in het leven en de noodzaak van het alleen zijn. De letters onbegrijpelijk, onschrijfbaar en uiteindelijk overmeesterend. Het gesproken woord, de emotie… taal.
    Opeens tilt de naald zichzelf van de plaat omhoog en schuift terug naar zijn rustplaats. In de laatste wentelingen van de draaitafel maakt de huid zich los van het apparaat en werd opnieuw mijn hand en al het rood concentreert zich weer tot de top van mijn wijsvinger.
    “Toekomst! De toekomst!” dacht ik toen ik mijn ogen opende en knipperde tegen het felle licht. De toekomst, dit weet ik allemaal al, maar de toekomst?

     

    Ben zo terug – Bart

  • Een diner

     

    Het was een avond zoals dat is in een restaurant, waar vrienden met elkaar eten, drinken en discussiëren. In een schemerige hoek van het kleine Italiaanse etablissement zaten wij, met vijf personen en een flakkerend kaarsje in het midden van de tafel. Hoe wij precies op het onderwerp kwamen kan ik mij niet meer echt herinneren. Alleen de vraag:
    ‘Zou je iemand bij jou laten onderduiken in een situatie zoals die was tijdens de tweede wereldoorlog?’ Met bravoure gaf hij onmiddellijk antwoord op zijn eigen vraag. ‘Natuurlijk zou ik iemand bij mij laten schuilen als dat hen het leven zou redden.’ Mijn brein ging mijn eigen overtuigingen na. Natuurlijk zou ik proberen iemand te helpen. Maar heb ik daar het lef voor? was de vraag die zich vast zette. Ik pakte het wijnglas op en nam een slok om meer tijd te hebben, ik moest hier meer over nadenken. Het was vele malen ingewikkelder dan de vraag in eerste ogenschouw deed vermoeden. De vriendin tegen over mij nam het woord over:
    ‘Ik weet niet of ik dat zo zou zeggen. Het ingewikkelde van zo’n situatie is dat het niet meer alleen de ander is die gevaar loopt.’ zei ze terwijl in mijn eigen hoofd hetzelfde idee ronddwaalde. Wat, als jijzelf de persoon bent die moet onderduiken? Hoe valide is de zekerheid dat je op dat moment iemand anders zult helpen? Toen ik na enig nadenken over die vragen mij realiseerde dat ik die persoon zou zijn, mijn homoseksualiteit zou een tripje werkkamp opleveren. Hoe je daar vandaan zou komen was maar de vraag. Niet dat er geen voorbeelden zijn van mannen die de werkkampen hebben overleefd. Ik zette mijn glas terug op tafel terwijl zij haar betoog eindigde met:
    ‘Het heeft te maken met het feit dat we weten welke uitkomst het heeft voor de personen die erbij betrokken zijn.’

    Ik prikte mijn vork in een stuk pasta en stak deze in mijn mond, rustig kauwend schoof ik wat achteruit in mijn stoel. In het hedendaagse klimaat waarin de samenleving en de politiek zich bevindt, lijkt het onmogelijk voor de toekomst om in zo’n situatie te raken. Maar hoe langer ik mijzelf probeerde te overtuigen van deze zekerheid hoe meer twijfels ik daarbij kreeg. De groep mensen waarvan ik onderdeel ben, worden steeds “uit de kast” getrokken als iemand zegt dat een politicus minderheden discrimineert. Als wij zo normaal zijn, zou dat geen argument meer moeten zijn. Wie besluit eigenlijk hoe je kan afmeten welke minderheid zwaarder weegt dan een andere? En waarom zal mijn minderheid, als zij uit zwang raakt, niet net zo makkelijk opzij geschoven kunnen worden. Er is geen enkele reden waarom dat niet zou kunnen gebeuren.
    ‘Ik denk dat ik het zou proberen. Maar de vraag die zich als eerste in mijn hoofd opwerpt is: Wat doe ik een ander aan? Ik leef met mijn familie en kan niet verwachten dat zij mee gaan in mijn …’ Zijn stem zakt weer weg in het geroesemoes van het restaurant als mijn brein nogmaals over de voor en na delen van onderduiken mijmeren. Wie helpt mij en hoe kan ik een ander helpen? Wat is er voor nodig om iemand anders te dragen, als het onmogelijk is om dat zelf te doen?

    Wanneer er een populist opstaat die langzaam zijn echte ideeën tot uitvoer zal brengen, is het vaak te laat voor de bevolking, of de politiek, om in te grijpen omdat zij allang buitenspel zijn gezet door de partij. Hoe meer ik er over nadenk hoe minder ik tot een uiteindelijk antwoord kan komen.   ‘Zeg jij ook eens wat!’ zegt de jongen naast mij, ‘jij bent wel heel stil’
    Even denk ik na. ‘Ik zal moeten onderduiken omdat ik één van de mensen ben die het gevaar loopt opgepakt te zullen worden, waardoor een ander helpen heel lastig zal zijn.’ Meer toevoegen heeft geen zin.

    Ben zo terug – Bart

  • Uitwaaien

     

    De storm in zijn hoofd bereikte zijn piek tegen de middag. Zijn lichaam was rusteloos en het koste hem alle zelfbeheersing die hij in zich had om stil achter zijn bureau te blijven zitten. Eindeloos traag tikte de klok zijn seconden en minuten. Zijn voet tapte op de vloer, het potlood in zijn hand speelde tussen zijn vingers en de dag vervloog onproductief. Op weg naar huis speelde zijn zelfbeheersing opnieuw een grote rol, de drukte op de weg maakte het er niet beter op. Daarna de boot. Overvloedig met de grijze maat pakken die de wereld leken te bestieren.

    Hij stopte de auto abrupt op de oprit voor zijn huis. Met iets teveel woede smeet hij de deur van zijn auto dicht en paradeerde naar binnen. Er was niemand thuis, zijn vrouw was nog aan het werk en had hem laten weten dat zij laat zou zijn. Hij probeerde zich van zijn frustratie te ontdoen maar het lege huis en niemand om zijn gedachte mee te delen zorgde er alleen maar voor dat zijn brein op hol bleef slaan. Om iets te doen drukte hij de versterker van zijn stereo aan. Hij haalde een album tussen zijn platen vandaan en voorzichtig legde hij het zwarte vinyl op de platenspeler en zette de naald op de plaat. Het stof kraakte door de boxen voor het album begon. De eerste tonen van het Hendrix klonken en hij draaide de volume knop bijna volledig open.

    De wind trok aan en de grijze wolken pakte zich samen boven het eiland. Al halverwege het eerste nummer drukte hij de versterker uit en met een donkere tik viel het geluid weg en tilde hij de naald van de plaat. Schuivend langs de keuken zette hij zijn lege koffiekop op het aanrecht. In de gang trok hij zijn jas aan. Zonder er bij stil te staan wat hij aantrok liep hij met grote passen de deur uit. De wind begon met het trekken aan zijn haren die hij ’s morgens keurig in model had gebracht. De windvlagen die hem voortduwde, over het ongebruikte fietspad, waarna hij uiteindelijk, door de duinen het open strand opliep. De wind kwam nu van zijn rechter kant en hij trok de kraag van zijn jas omhoog om deze tegen te houden.

    Hij draaide zich zodat de wind weer in zijn rug blies en begon te lopen. Zacht mompelend zette hij zijn stappen. De grijze wolken leken steeds dichter naar de aarde te trekken en de wind die nog sterker was geworden trok niet meer alleen aan zijn haren maar ook aan zijn jas en broek. Hij voelde de zandkorrels die door zijn schoenen omhoog werden gegooid tegen zijn broekspijpen. Alsof de wind de wereld aan het zandstralen was. Toen hij zijn hand door zijn haren haalde om deze uit zijn ogen te wrijven, voelde hij de kleine korreltjes op zijn schedel. Een grote hoeveelheid zand verzamelde zich in zijn schoenen, maar met elke stap die hij deed en met elke windvlaag die zijn haren opnieuw vanachter zijn oren los trok, verloor hij een beetje van zijn woede. En werd het beeld weer helderder.

    Opnieuw stopte hij abrupt, keek op zijn horloge en zag de schuimkoppen op de grote donkere grijs-blauwe golven. Het zand leek als een mist die de wereld iets minder helder maakte. Hij moest nog terug. Hangend in de wind stapte hij voort, rustiger. Zijn vrouw kreeg eten, hij moest het zelf nog klaar maken. Pizza, dacht hij voor vandaag, lekker makkelijk.
    Thuis zette hij de oven aan, draaide de volumeknop naar beneden om door dezelfde plaat de kamer te laten vullen met geluid. Schonk zichzelf een glas rode wijn in en ging op de bank zitten luisteren.

     

    Ben zo terug – Bart

  • 6 januari 1988 en het nu

     

    ‘Toen we gebeld werden was David al verdwenen. Hij was in een kunstmatig coma gebracht. De artsen waren bezorgt over het hoofdletsel en wat de gevolgen zouden kunnen zijn. Om hem te helpen genezen werd hij onder zeil gehouden. David heeft het nog twee weken vol gehouden. Ik ben tijdens zijn verblijf in het ziekenhuis steeds bij hem geweest. Eén van de artsen vertelde mij dat het goede effecten bleek te hebben als de familie tegen een persoon in coma spreekt.
    In die twee weken heb ik alles wat ik altijd al had willen zeggen, met hem gedeeld. Voor ik ging slapen las ik verhalen en boeken voor. Mijn oudste broer, mijn ouders en ik bleven om beurten bij hem, om hem gezelschap te houden.

    Het moet een uur of negen zijn geweest zijn. Onze ouders waren een halfuur daarvoor naar huis gegaan. Voor het eerst in een paar weken leek het beter te gaan. Mark, mijn oudste broer, had een afspraak die hij niet nog een keer kon afzeggen. Voor die avond had ik een bundel gedichten mee genomen. Een telefoon ging over op de gang. Een verpleegster binnen kwam om te zeggen dat het voor mij was. Het waren mijn ouders, zij waren veilig thuis gekomen en dat zij de volgende dag om tien uur weer in het ziekenhuis zouden zijn. Ik sloeg het boekje open en begon voor te lezen.

    “Gevoel

    Ik zal op pad gaan in het zomers avondblauw,
    Geprikt door korenaren over dun gras lopen:
    Verdroomd zal ik mijn voeten drenken in de dauw
    En ik zal door de wind mijn haren laten dopen.*”

    Nog voor ik aan de tweede strofe kon beginnen begon alles te piepen. Een horde dokters en verpleegkundigen kwamen het kleine kamertje binnen hollen.’

    ‘Mevrouw, ik wil u niet onderbreken. Ik moet u vragen of u uw verhaal wilt focussen op wat er hier gebeurd is.’
    De jonge agent voor mij probeert mij gerust te stellen maar de dertig andere personen op de pont moeten, over het hele gebeuren, ook nog worden ondervraagt.
    ‘Ik stond achter op de pont, uit te kijken over het Ij richting de stad. De lichten van de stad verwijderden zich van mij, toen ik wat geschreeuw van de andere kant van de pont hoorde komen. Of ik nu dacht dat er iets over homoseksualiteit werd gezegd of dat het later was toen ik dichterbij kwam, weet ik eigenlijk niet meer. De man in het leren jack lag al op het dek van de pont toen ik het gehele beeld kon overzien. De man die over hem heen stond gebogen, begon hem in zijn gezicht te trappen. Ik probeerde hem bij de op het dek liggende man weg te krijgen. Gelukkig was ik niet de enige, die de twee die werden aangevallen, te hulp te schoten.’ Ik kon de tranen niet meer voor mijzelf houden. De gedachte aan mijn broer en de situatie waarin wij hem terug kregen, is mij altijd bij gebleven.
    ‘Mag ik u vragen? Wat is er met uw broer gebeurd?’ de agent kan zijn ogen niet van de grond krijgen op het moment dat hij het mij vraagt.
    ‘Hij is overleden aan zijn verwondingen, die hij in een zelfde situatie als vanavond zou moeten hebben gekregen.’
    ‘Het spijt mij mevrouw.’
    ‘Het is goed.’
    ‘Hoe eindigt het gedicht eigenlijk?’

    “Elk woord, elke gedachte zal me dan vergaan:
    Maar weidse liefde zal zich in mijn ziel verbreiden
    En als een vagebond zal ik ver, heel er gaan
    Door de Natuur – verblijd alsof een man me leidde.*”

    ‘Het is eigenlijk vrouw, in plaats van man. Maar voor mijn broertje mag een kleine aanpassing.’

    Ben zo terug – Bart

    *Arthur Rimbaud, Nederlandse vertaling Paul Claes

     

  • Festival gedachtes en observaties

     

    De dame naast mij vóélt de muziek maar lijkt wat ongemakkelijk met de hele situatie. Haar ogen sluiten zich en haar lichaam beweegt zich op de muziek, glimlacht. Haar vriend achter haar staat verstilt te luisteren.

    De set is klaar, het podium ontruimd voor een nieuwe act. Het witte licht in de zaal dood de magie.

    Blues: Over gierende gitaren heen zingt een zanger hoe stil het is geweest.

    Er lopen een heleboel excentrieke individuen, met allemaal dezelfde baard.

    Opgaand in de muziek, met vijfduizend mensen en toch zo speciaal, dat iedereen het gevoel heeft dat de band alleen voor jou speelt.

    ‘Dit is een festival waar zo’n meisje haar vriendje mee naar toe sleept, omdat zij kaartjes heeft gekocht voor een artiest die zij van één liedje kent’
    ‘Ja, inderdaad. Dat zij, als hij ’s morgens voor de kast staat zegt: “Anders doe je even leuk je alternatieve trui aan”.’

    Van rijmbaar ritme tot monotone melodie…
    Van klein begin tot extase in een wilde kakofonie.

    De locaties zijn geweldig, de muziek alleen niet zo goed.

     

    Ben zo terug – Bart